Niemand weet wat Nazjla begrijpt

De taalachterstand van allochtone kinderen is een hardnekkig probleem. Op eenderde van de scholen deugt het taalonderwijs niet. In de klas op de Agnesschool in Rotterdam, waarvan de meeste kinderen thuis Turks of Marokkaans spreken: 'Een kind van 8 moet toch weten wat een kanarie is!'..

'NAZJLA STA eens op', zegt de meester. Niet-begrijpend staart de 4-jarige hem aan. 'Staan', herhaalt meester Bart vriendelijk. 'Staan', zegt hij nog eens met een klein tikje op haar beentjes. Uiteindelijk rest de meester niets anders dan Nazjla als een slappe pop te verslepen. 'Deze niet praten', legt klasgenootje Mohammed vrolijk uit.

Het is Nazjla's derde schooldag. Ze spreekt niet één woord Nederlands. Wat ze begrijpt, weet niemand. Maar veel is het niet, zo te zien. Op de Rotterdamse Agnesschool is Nazjla geen uitzondering. Bijna 60 procent van de kinderen kan niet worden aangesproken op hun eerste schooldag.

De taalachterstand van allochtone kinderen is een veel hardnekkiger probleem dan veelal werd aangenomen. Uit een onderzoek van de Volkskrant bleek onlangs dat op eenderde van de zwarte scholen de taallessen niet deugen. De Tweede Kamer probeert nu door middel van hoorzittingen greep op het probleem te krijgen.

Officieel mag er op de Agnesschool, een zwarte basisschool in Rotterdam-Feijenoord, alleen Nederlands gesproken worden. Maar soms lapt de meester die regel heel eventjes aan zijn laars en laat hij de kinderen met elkaar praten in hun eigen taal. 'Anders kan Nazjla acht uur lang niet praten. Dat lijkt me ook niet juist. . .', aarzelt hij. 'Ze moet zich hier toch prettig gaan voelen.' Zover is het nog niet. Zodra Nazjla zich onbespied waant, probeert ze weg te lopen, soms wel een paar keer per uur.

Hoe lang het gaat duren voordat Nazjla Nederlands praat en verstaat, weet niemand. Sommige kinderen beginnen al na één maand. Bij Batuhan (8) duurde het anderhalf jaar. Al die tijd zat hij zwijgend in de klas: de armen over elkaar, de lippen samengeknepen tot een streepje. De juf werd er weleens wanhopig van, ze wist niet dat Batuhan alles in zich opsloeg. Hij heeft zich inmiddels ontpopt tot een stralend jochie dat zijn vinger voortdurend in de lucht priemt als de juf een vraag stelt. Niet dat hij alle antwoorden heeft. 'Zo'n achterstand poets je niet zomaar weg', meent juf Darling Tafleur.

Om de overgang van thuis naar school te versoepelen is de Agnesschool begonnen met een peuterspeelzaal. Daar leren de peuters wat de juf bedoelt met: allemaal in een kring gaan zitten, jasje dichtmaken, brood pakken. 'Dit is het ab-so-luut noodzakelijke voorwerk', vindt juf Monique Djorai. Maar de peuters gaan op vrijwillige basis naar de speelzaal. Lang niet alle ouders zien er het nut van in.

Het is half negen 's ochtends als de peuterafdeling volstroomt. Marokkaanse en Turkse moeders met hoofddoek en in traditionele kledij voeren de boventoon. Eén van hen vraagt om een glaasje water. In het Marokkaans. De Surinaamse peuterleidster spreekt inmiddels wel een paar woordjes Marokkaans, maar dit gaat haar boven de pet. Na veel heen-en-weer-gepraat en gebarentaal begrijpt de juf dat de moeder iets wil doen aan de hik van haar zoontje Hassan.

De meeste pupillen van de Agnesschool spreken thuis Turks of Marokkaans. Ook al hebben ze de Nederlandse nationaliteit en spreekt hun vader best aardig Nederlands omdat hij hier is opgegroeid. Tafleur kan zich er weleens kwaad over maken, want kinderen die thuis Nederlands spreken bouwen een enorme voorsprong op. 'Die moeders die maar ja en amen knikken op de rapportbespreking. Maar intussen snappen ze er geen woord van.'

Marianne Verbunt, intern begeleidster op de school, wil de ouders niets verwijten. 'De moeders voeden de kinderen op, niet de vaders. De laatste jaren worden er steeds meer hele jonge moeders kersvers uit Turkije aangevoerd. Er zitten vrouwen bij die niet eens weten wat een kraan is. Ze hebben doorgaans één jaar lagere school. Van die mensen kun je niet verwachten dat ze hun kind aanspreken in het Nederlands. Ik ben al blij als de moeders met hun kinderen práten.'

De grote concentratie Turken en Marokkanen in de wijk waar de Agnesschool staat, brengt met zich mee dat Nederlands niet langer de voertaal is. De noodzaak om Nederlands te leren, is minder groot als oma om de hoek woont en en in de winkels je eigen taal wordt gesproken. 'Er zijn heel wat Turken die met een zachte G spreken. Maar de eerste Turk met een Rotterdams accent moet ik nog tegenkomen', vertelt Pieter Smit, eveneens intern begeleider op de Agnesschool.

'En nu gaan we grote voetballen tekenen', zegt juf Eugenie van Canoy tegen een groepje zes-jarigen. 'Waarmee doe je dat, tekenen?', vraagt juf. 'Met je neus', roept Parveen. 'Dat is knap', grapt de juf. 'Met onze handen', roept Priscilla. 'Juist', zegt juf. 'Hoeveel handen hebben we?' 'Eén', roept Kevin. 'Nee hoor, twee', weet Rafael.

De kinderen moeten met twee handen tegelijk cirkels tekenen, één links en één rechts van het midden. Een lesje motoriek, bedoeld als voorbereiding op het schrijven. 'Ondanks hun leeftijd, voelen ze nog niet aan of ze links- of rechtshandig zijn', legt Van Canoy uit. 'Ze voelen ook nog niet wat het midden van hun lichaam is. Als ze dan gaan schrijven, kunnen ze de andere hand niet stilhouden. Die gaat dan tegenwerken.'

RAFAEL vindt het maar een rare les. Hij tekent zijn vel vol met hartjes. Daarna stort hij zich op de knieën op de grond, doet alsof hij een microfoon voor zijn mond houdt en beweegt het bovenlichaam ritmisch heen en weer als een volleerd popzanger: 'big brother, big-big brother', swingt hij. Als de juf Rafael weer naar zijn bankje heeft gepraat zegt ze: 'Nu gaan we boogjes tekenen, bovenaan het papier.' Als Van Canoy de klas gadeslaat, ziet ze dat de helft van de kinderen een boogje aan de onderkant van het papier tekent in plaats van aan de bovenkant.

De juf zucht: 'Zo zie je waar het mis gaat. Want in groep drie denkt de juf dat de kinderen haar begrijpen als ze zegt: sla je boekje open op bladzijde één en lees het eerste woordje bovenaan.'

Rafael heeft op eigen initiatief metmen op zijn papier geschreven. Dat moet haast wel de fonetische versie van het Engelse madman zijn. 'Weet je wie dat is, juf. Die is van Play Station. Dan komt de bijl en gaat de nek eraf.'

De taalachterstand van allochtonen wordt deels veroorzaakt door motorische problemen. De kinderen van de Agnesschool wonen in kleine huizen en komen weinig buiten. Sinds er vijf kinderen de verdrinkingsdood stierven, houden ouders hun kinderen nog meer binnen. 'Weet je dat we hier kinderen hebben die niet kunnen huppelen', vertelt Van Canoy. 'Dat kun je je toch niet voorstellen? Zó weinig evenwicht hebben dat je omvalt als je probeert te huppelen.'

'Motorisch lopen deze kinderen erg achter', meent ook intern begeleidster Verbunt. 'Alleen dit niet, hè', zegt ze terwijl ze haar duimen laat rollen alsof ze een game-boy bespeelt. 'In Engeland is de eerste kleuter met een muisarm gesignaleerd. Nou, dat krijgen wij hier ook. Wacht maar af.'

'Welk dier maakt een hoge rug als hij boos is?' Groep drie valt stil. Kevin: 'Ik ben moe.' Priscilla: 'Een olifant juf? Of een giraffe?' Juf: 'Nee, het is een dier dat bij de mensen woont.' Dat helpt Rafael een eind op weg: 'Een rat.' De juf schiet in de lach. 'Hij zegt miauw.' Allemaal tegelijk: 'Een poes!' Kevin: 'Mag ik nu uitrusten juffrouw?'

Slaapgebrek is een belangrijk thema op de Agnesschool. 'In veel culturen gaan de kinderen tegelijk met de ouders naar bed, met als gevolg dat ze in de klas zitten te slapen', legt Marianne Verbunt uit. Voor de schoolleiding is het moeilijk daarover te praten, want dan voelen de ouders zich al snel aangevallen.

Mede daarom heeft de school 'buurtmoeders' ingesteld. Deze vrijwilligsters (één Turkse en éen Marokkaanse) krijgen een cursus Nederlands en helpen de schoolleiding om contact te leggen met ouders. Ook proberen ze hun landgenoten bij het onderwijs te betrekken, want de leerkrachten op de Agnesschool voelen zich soms eenzaam. 'Als ik zie dat we ze in groep één nog moeten leren om een potlood vast te houden, denk ik weleens: er wordt wel erg veel op het bordje van de school gedropt', zegt eén van de leerkrachten.

Kinderen die weinig bewegen en weinig buiten komen, hebben ook weinig ervaringen, en dat heeft weer gevolgen voor hun woordenschat. 'Als je nooit met een bal speelt, is het heel moeilijk je een beeld te vormen van dat woord', onderstreept Van Canoy. 'Daardoor blijven voor deze kinderen veel begrippen erg abstract.' Dat blijkt bijvoorbeeld als de juf in groep vijf later op de dag naar de betekenis van het woord sirene vraagt. Eén keer met een brandweerauto spelen is voldoende om dat begrip in het geheugen te prenten. Maar de 8-jarige leerlingen van Tafleur komen niet verder dan: 'Een grote politiebus.' Pas als de juf 'pep-pu-pep-pu' doet, begrijpen de kinderen het.

Heel soms zakt juf Darling de moed weleens in de schoenen. 'Laatst had ik een lijst met dierennamen waarin ze de vogels moesten aanstrepen. Hele gewone vogels hoor, mussen en kanaries en papegaaien. Maar ze wisten het niet. Een kind van 8 moet toch weten wat een kanarie is!'

Op de Agnesschool is de taalles prioriteit nummer één. De school werkt al tien jaar met uitgekiende taalmethodes, gericht op het wegwerken van achterstanden. Op taalonderdelen als spelling en technisch lezen scoren de kinderen inmiddels goed - soms zelfs verbluffend goed. Maar bij het onderdeel begrijpend lezen gaan de kinderen onderuit, vooral vanwege een te kleine woordenschat. Tenminste, dat is het vermoeden van de school. Sinds kort krijgen de leerlingen elke week 20 extra nieuwe woordjes, bovenop de bestaande lesstof.

Van de 24 kinderen uit groep 8C gingen er vorig jaar twee naar de havo, één naar mavo/havo en nog eens zes naar de mavo. De anderen gingen naar het vbo of ivbo. Directrice Gloria Erwich is niet ontevreden. 'Voor onze leerlingen is mavo een topprestatie.' Dat neemt niet weg dat deze leerlingen bij de cito-toets gemiddeld 16 procent lager scoren dan de gemiddelde leerling in Nederland. 'Het gaat beter, maar het moet inderdaad nóg beter', aldus Erwich.

Juf Olga Latchmansing sluit de les begrijpend lezen af met een vraag. 'Hebben jullie nu begrepen wat die uitdrukking betekent: als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje?' Ashray: 'Als je voor een dubbeltje geboren wordt, krijg je nooit een kwartje of zo.' 'Klopt', zegt de juf, 'maar wat bedoelen ze daarmee?' Een klasgenoot popelt om het juiste antwoord te geven: 'Als je voor een dubbeltje geboren bent, ga je nooit rijk worden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden