Niemand kan 'happy' zo smerig uitspreken als schrijver Will Self 'Ik ben bekend om wat ik vertegenwoordig'

'I'm big', zegt de Engelse schrijver Will Self. Hij meent het. 'Nèt geen bestseller-auteur, maar ik zit er tegenaan.' In Engeland wordt hij gezien als een nihilistische drugsgebruiker....

MICHEL MAAS

Van onze verslaggever

Michel Maas

LONDEN

Zonder enige aanleiding onderbreekt Will Self het gesprek midden in een zin, hij plant zijn wodkaglas met kracht op tafel en brult van achterin de Groucho Club helemaal naar voren: 'Maria! Ben ik de meest benijdenswaardige schrijver van Engeland?'

Alleen Maria kijkt op. Alle overige aanwezigen reageren nadrukkelijk niet op zijn geschreeuw. Je kunt in deze club een moord plegen zonder dat iemand ook maar een wenkbrauw optilt - daar is men hier te beroemd voor. In de Groucho Club komen vooral mensen uit de filmwereld en de reclame, zegt men, en een enkele schrijver, zoals Self. Maria is de manager. Ze gilt terug: 'Yes! Definitely!' en komt dan naar Self's tafeltje alsof ze wil kijken of haar antwoord ook is aangekomen.

Will Self is hier thuis. Voortdurend schuift Maria of een van de andere personeelsleden aan, om het sociale clubleven door te nemen. Men is vandaag een beetje gedeprimeerd omdat net maandag een ander clublid overleden. Uitgever van een glossy blad voor mannen, dat behalve modieuze stukjes ook goede dingen publiceerde, 'onder andere verhalen van mij', zegt Self. In telegramstijl vervolgt hij: 'Was pas achtendertig. Gisteren is hij begraven.' En na een korte pauze: 'Drugs'.

Het woord klinkt zwaar en dreigend in de door filterloze Camels en ijskoude wodka gegalvaniseerde stem van Self.

Drugs. Brrr.

Will Self is een benijdenswaardig schrijver. Zijn eerste verhalenbundel, The Quantity Theory of Insanity werd bekroond met de Geoffrey Faber Memorial Prize, en vestigde meteen zijn naam als schrijver. Al zijn volgende boeken kregen een enthousiast onthaal, vooral de roman My Idea of Fun, waarvan dezer dagen de Nederlandse vertaling verschijnt onder de titel Dit vind ik nou leuk.

'I'm big', zegt hij zonder te aarzelen. 'Als schrijver bèn ik iemand. Maar ik ben geen bestseller-auteur.' Na een slok wodka: 'Nèt niet. Ik zit er tegenaan.' Hij bedoelt het niet eens arrogant. Hij is gewoon een bekende Engelsman. Dat kun je meten. Aan de belangstelling van de tabloids bijvoorbeeld. Weer zo'n typische Groucho Club-roddel: vorige week schreven ze over hem, dat hij zijn vrouw had verlaten vanwege 'that woman'. 'Maar dat was helemaal niet waar. Daar had that woman niks mee te maken', gromt hij.

Self: 'Het public profile dat ik heb is veel en veel groter dan de verkoop van mijn boeken rechtvaardigt. Ik ben bekend om wat ik vertegenwoordig.

'Mensen willen me graag zien zoals ze dènken dat ik ben. Maar zo bèn ik niet. Bijvoorbeeld: ik ben een toegewijd vader van twee kinderen. Als mensen horen dat ik een ouder ben, zijn ze verbaasd. Want ze zien me als zo'n nihilistisch drugs gebruikend type. Dat bèn ik gewoon niet, tenminste niet op de manier waarop zij het bedoelen.'

Dat hij bekendstaat als een ex-junk, en dat het in de pers ook altijd weer dáárover gaat, dat is het 'zware kruis' dat hij met zich meedraagt: 'Het probleem is, dat ze je meteen zien als een illegale druggee, met alle stereotiepen die daar aan vast zitten. Als ze weten dat je drugs hebt gebruikt denken ze meteen dat ze een heleboel àndere dingen over je weten. Het is hopeloos. Ik kan dat imago niet veranderen.'

Volgende maand verschijnt bij Bloomsbury een bundel met eerder gepubliceerde artikelen van zijn hand. De bundel heet Junk Mail, 'maar eigenlijk zeg ik met dat boek: fuck you.' Ruim een kwart van alle artikelen gaat over drugs. In al die artikelen samen staat zo ongeveer, wat hij over drugs te zeggen heeft, maar wat hij nooit in één verhaal heeft kunnen samenvatten. Dat het, als het over drugs gaat, altijd over van alles gaat behalve over de roes, bijvoorbeeld. Of over de cultuur.

Self: 'De roes hangt in traditionele samenlevingen altijd samen met religie of met regels van sociale structuur. Het probleem met onze samenleving is dat het gebruik van middelen volstrekt regelloos is.

'De gebruikers van alcohol en drugs zijn de zondebokken voor ons collectieve falen om met de roes om te gaan. Het oordeel over drugsgebruik wordt overgelaten aan wetgevers en artsen, terwijl dat nu juist niet degenen zijn die daarover zouden moeten gaan. De artsen pathologiseren het, maken er een ziekte van, en de wetgevers maken er een misdaad van. Dus je bent òf gek òf slecht als je drugs gebruikt.'

Onder het spreken raakt hij een brandende sigaret kwijt. Het ding verdwijnt. Iedereen zoekt mee, op de bank, onder de bank, onder de tafel, maar de peuk blijft weg. 'Een zwart gat', luidt de conclusie.

Waarom niet. Een zwart gat in de Groucho Club is niet uitgesloten. In het universum van Self gebeuren wel meer vreemde dingen. In zijn verhaal The North London Book of the Dead sterven Londenaren niet als ze dood gaan, maar verhuizen ze gewoon naar een ander deel van de stad. Er wonen heel veel dode mensen in Londen. Dat je er zelden een ontmoet die je kent, bewijst hoe groot en onpersoonlijk de stad is geworden. In Understanding the Ur-Bororo's bezoekt een antropoloog een verre stam die zéér bijzonder is: de mensen lijken nergens op - ze zijn niet mongools, niet negroïde, noch kaukasisch - ze geloven nergens in, ze tonen geen emoties, en hun gesprekken gaan over niks. En als ze naar Londen komen, vallen ze volstrekt niet op.

Onder dit soort bijna melige vertellingen gaat een bittere kijk op de werkelijkheid schuil. Self vat samen: 'Engeland is een grote, smerige, nare samenleving, met een onderklasse van zeer arme mensen, een bovenklasse van hele rijke vervelende mensen, en met erg opgefokte etnische minderheden.'

Daarover wil hij schrijven, maar een even belangrijk onderwerp van zijn boeken is het onderbewustzijn, of 'het Freudiaans project', zoals hij het noemt. Daarover gaat bijvoorbeeld My Idea of Fun, zijn roman waarin de hoofdpersoon Ian Wharton ontdekt dat hij een bijzondere gave heeft: een eidetisch geheugen. Hij kan de wereld stilzetten en in dat stilgezette beeld rondlopen en doen wat hij wil. Totdat dat geheugen hem zelf (bijna?) de baas wordt. Self: 'Die hele roman is gebaseerd op de idee: als het onderbewuste echt is, dan zijn al onze rationele verklaringen van ons gedrag heel erg dun. Een set zelfverzonnen regeltjes. Daarboven zetelt het irrationele, het wordt overgeërfd van de ene generatie op de andere, het bepaalt je leven.

'Op emotioneel niveau gaat het boek over hoe je eigen leven je te grazen neemt. Over het machteloze besef dat het leven je kan belazeren. Shit happens.'

Een gelukkig leven is niet aan Self besteed. 'Geluk is een bijprodukt. Wie dat niet ziet, heeft Freud verkeerd begrepen. De psychoanalyse bijvoorbeeld: die gaat ervan uit dat je met jezelf in het reine kunt komen, dat je gelukkig kunt worden.'

Niemand kan het woord happy zo smerig uitspreken als Will Self.

'Als een cultuur begint te geloven dat we naar geluk moeten streven, gaat ze naar de kloten.'

My Idea of Fun is ook een poging te ontsnappen aan de klassieke roman. Self: 'Een heleboel twintigste-eeuwse schrijvers hebben geprobeerd los te komen van de negentiende-eeuwse romanvorm: de theaterachtigheid daarvan, met personages, en een alwetende verteller-schrijver die precies weet wat ze denken en doen, en die ze beoordeelt. Nu, aan het eind van de twintigste eeuw moeten we proberen op de een of andere manier daaruit te ontsnappen. Een manier om dat te doen is een boek op verschillende niveaus van werkelijkheid te laten spelen. Dat was een deel van mijn motivatie om die roman te schrijven.'

Self voelt zich een avantgarde-schrijver. Maar tot zijn grote spijt moet hij constateren dat dat woord niks meer betekent. 'In de jaren zestig was er een grote kloof tussen de avantgarde en mainstream culture. Je had een groep kunstenaars en denkers die vooropliepen. Die gaven ideeën door, en die ideeën drongen pas later door tot de massacultuur. Maar in de jaren zeventig kon ineens iederéén zich bij de avantgarde aansluiten - iedereen kon in zijn slaapkamertje teksten schrijven, gitaar spelen. En tegenwoordig is er geen kloof meer: de underground is de overground. Er ìs geen underground meer, geen avantgarde.

'Kijk naar mij: ik ben geen populistische schrijver, mijn boeken zijn niet makkelijk, maar toch ben ik een populair schrijver geworden. Omdat die grens tussen de avantgarde en de populisten erg dun is.'

Hij haat het daarom ook als mensen hem het etiket 'pop' opplakken. Alleen omdat hij ooit in een band heeft gezongen. 'Ik bèn helemaal niet pop. Eigenlijk ben ik erg reactionair. Ik geloof in een meritocratie, in een elite. En ik denk dat pop-cultuur pure rotzooi is. Utter shit. Ja. Ik ben bang van wel.

'Het hele respect voor popmuziek is pervers. Het heeft te maken met het feit dat mensen graag toekijken hoe anderen zichzelf verwoesten.

'Onze cultuur heeft een rare voorliefde voor extreem gedrag: drugs, sex, gekte. Het modernisme in de kunst bijvoorbeeld is erg beïnvloed door de idee dat gekte moet worden gekoesterd. Gekte is cool - denk aan Artaud, Beckett, Baudelaire.

'Maar dat is niet cool, dat is pervers. Ik ben ook niet een van die lui die roepen: ik gebruik drugs, dus ik ben cool.

'Trouwens, de mensen die het meest erop gespitst zijn gekte als een kunstzinnige waarde te omarmen, zijn doorgaans de meest burgerlijke types die er bestaan.'

Zie ook Opmaat.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden