Nico Dijkshoorn zong een Nederlandstalig liedje en schrok van zichzelf

Een Nederlandstalig liedje uit de mond van Nico Dijkshoorn wordt kleinkunst tegen wil en dank.

Ik heb een Nederlandstalig liedje geschreven en nu weet ik niet wat ik ermee moet. Ik heb het drie dagen geleden voor het eerst gezongen en ik schrok. Ik klink als iemand die vierde is geworden tijdens een cabaretwedstrijd. Al schrijf ik iets over een zieke eend met een doodswens, als ik het zing wordt het meteen invoelende kleinkunst over afscheid.

Het grootste probleem is dat het, door mijn manier van zingen, lijkt alsof ik de mensen iets wil leren. Dat wil ik helemaal niet. Ik ben veel meer iemand die vindt dat iedereen ongezien de tyfus kan krijgen. Na twee zinnen Nederlandstalig zingen dacht ik: ze gaan dit vlak voor een crematie draaien en dan zeggen de mensen tegen elkaar: 'Ja, zo was Kees. Precies zo!' Maar ik heb het helemaal niet voor Kees geschreven. Ik wil niemand troosten.

Wat zo wonderlijk is: als ik tijdens het koken James Brown nadoe, dan speelt dit probleem niet. U zou mij moeten zien, met een bloemkool in mijn hand. 'Can I count it off?' en dan pang, in één beweging met mijn balzak naar de grond. Als ik James Brown nadoe, wil niemand door mij worden geholpen. Tijdens het televisiekijken doe ik vaak James na. Ik kijk naar Ik vertrek en áls ze dan eindelijk naar een naaktcamping in Hongarije vetrekken, schreeuw ik: 'I wanna get into it, man, you know. Like a, like a sex machine, man.'

Dan valt alles op zijn plek, maar als ik Nederlandstalig zing, word ik bang van mijzelf. Ik dacht dat ik een abstracte, vervreemdende tekst had getikt, maar ik klink als Herman van Veen in zijn Duitse periode. Het heeft met intonatie te maken. Dacht ik. Maar er speelt meer. Ik zong de tekst gisteren voor Tanja. Na twee zinnen zei ze: 'Houd maar op. Het is doodeng. Je doet iets heel geks met je ogen. Alsof je een verkeerd medicijn hebt geslikt.'

Dat is het dus. De combinatie van mijn gezichtsuitdrukking en de manier waarop ik de woorden uitspreek maken van mij, of ik dat nu wil of niet, een cabaretier. In mijn liedteksten wil ik ruig en wild zijn, maar als je me hoort, denk je er meteen een rood gordijn, een piano en een glaasje water bij.

Om u een idee te geven, dit is het eerste couplet. 'Nooit, nee nooit was hij alleen. Hij wilde wel, maar het ging nooit ergens heen. Hij had een wond, achter zijn ogen en zijn mond. Een zieke eend die graag wil rusten in de grond.' Zelfs nu ik het opschrijf zie ik mij direct met een lullig akoestisch gitaartje in Den Haag op het Malieveld staan, omdat dit lied blijkbaar precies verwoordt wat bedreigde boeren voelen.

Ik heb het proberen om te zetten in dialect. Zo werkt het namelijk bij mij: al zingt iemand in het Fries dat hij zijn moeder in stukken heeft gezaagd en heeft gevoerd aan de aalscholvers, ik hoor er toch iets vrolijks in. Als ik, in een verzonnen dialect, zing: 'Nuut, niet nut wak ie lenig', dan gaat het opeens weer over iemand die zijn tenen niet aan kan raken en sta ik binnen een week te zingen voor de Stichting Reuma.

Ik heb een liedje. Het is heel mooi, maar ik kan het niet zingen. Help!

Meer over