Nico Dijkshoorn geniet nog het meest van de museumshop

Aan het eind van elk museumbezoek is er gelukkig nog de museumshop.

Beeld de Volkskrant

Maandag reageerde Sylvia Witteman in haar column op iemand die minder paupers in het museum wil. In zijn algemeenheid vind ik dat overal waar ik kom minder paupers moeten komen. Gisteren zat ik in een Chinees restaurant en aan een tafel vlak naast mij hield een man steeds maar weer een duizendjarig ei voor zijn oog. De veel jongere vrouw tegenover hem moest daar heel hard om lachen. Ik vind nu dat Chinezen duizendjarige eieren alleen mogen serveren aan mensen met minimaal mulo.

Maar ik wil het over een ander museumprobleem hebben. Nou ja, een paar eigenlijk. Het lukt mij bijvoorbeeld niet in een museum heel aandachtig naar een oude kano te kijken. Ik snap niet dat mensen dat kunnen. Zij zien, naast die kano, waarschijnlijk een hele wereld opdoemen. Een halfnaakte indiaan, die met een dode Schele Loeri over zijn schouder door een woud peddelt en dat hij thuiskomt en dat zijn vrouw, Dovend Vuur, zijn veertje uit zijn haar trekt en in een speciaal kastje legt en dat kastje staat dan vlak naast die kano in het museum.

Ik zie slechts een rottende kano. Met het oude kutkastje van mijn oma ernaast, waar ze haar jaargangen Strijdkreet in bewaarde. Het lukt mij niet in een museum naar oeroude objecten te kijken en er iets bij te voelen. Andere mensen die een tand zien liggen, denken er een mens omheen. Ik denk aan mijn tandarts en dat die zelf zo uit zijn bek stinkt.

Ik zou het zo graag willen, dat alles waar ik in een museum naar kijk, groots en meeslepend wordt. Maar dat gebeurt niet. In willekeurige volgorde dacht ik de volgende dingen in verschillende musea: Niet vergeten om gootsteenontstopper te kopen ('Versteende darm van oude ezel'). Blauwe schoenen, zouden die mij staan? ('Voetafdruk van Cro-Magnon mens'). Gevulde eend, dat heb ik al weer een tijdje niet gegeten. ('Skelet van kind met vogel in hand').

Ik ben in musea ook altijd te manisch bezig met de looprichting. Ik weiger chronologisch langs kunst te lopen. Het liefst loop ik tegen de tijd in. Dat is fijn. Je ziet Picasso langzaam verschrompelen in een 9-jarige scharrelaar die het ook even allemaal niet meer weet.

Ik lees ook geen bordjes naast de schilderijen. Ik geef schilderijen zelf een naam. Voor een foto van Jeff Koons, zijn stijve lul in de anus van een Italiaanse blondine, mompelde ik mijn titel: Vleesvaas met bloedbloem. Voor een schilderij van Vincent van Gogh - een zelfportret met een verbonden oor - zei ik: Wie niet horen wil moet maar voelen.

Dit alles is draaglijk omdat er, aan het einde van de rit, een museumshop is. Ik koop altijd iets. Liefst zo zinloos mogelijk. Een deegroller met handvatten van bont. Mondriaan-inlegzooltjes. Het maakt niet veel uit. Ik vind het vooral heel fijn om te kijken wat andere mensen kopen. Ik neem een strategische positie in en dan wacht ik op de vrouw die altijd, hoe dan ook, verschijnt.

Ze pakt een veel te duur fotoboek van de plank. Over Parijs. Ik zie hoe ze naar zwart-witte natte straten kijkt. Hoe ze in het boek bladert tot ze stopt bij een foto van een echte Fransman, met zo'n snor. En dat ze het dan niet koopt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.