Net even anders

Wereldberoemd of niet, Hella Jongerius is een werkplaatstype. Nieuwe ideeën ontstaan als ze aan materialen sjort of er de fik in steekt....

Door Anne van Driel

Thuis ligt een merklap. Hella Jongerius is er een paar maanden geleden aan begonnen. 'Gewoon: beetje borduren. In mijn vrije tijd, hoor. Niet voor werk of zo.' Die merklap gaat over 2003, vertelt ze. In kleine kruissteekjes legt ze er haar persoonlijke belevenissen op vast. Wat is geweest, en wat nog staat te gebeuren. Tenminste, dat was het plan.

Jongerius lacht, beschroomd een beetje: 'Die merklap, die is nu dus al helemaal vol.'

Vreemd wel, zegt ze. De zomer is nauwelijks begonnen, het jaar nog maar half op dreef, en wat is er al niet op haar afgekomen? Ze kreeg een aanbod voor een tentoonstelling in het International Design Museum in Londen; volgende week opent daar een groot overzicht met al haar ontwerpen uit de afgelopen tien jaar. De Amerikaanse uitgeverij Phaidon liet weten een monografie over haar werk te willen publiceren; die ligt in juli in de Engelse boekhandel en is vanaf september in Nederland te koop. Deze maand kreeg ze bovendien de Rotterdam Designprijs, voor de meubelstof Repeat, die ze voor het Amerikaanse bedrijf Maharan ontwierp. Spottend: 'En dan werd ik ook nog eens véértig.'

Trots? Tuurlijk is ze trots. Maar: veertig, en dan terugkijken op een oeuvre waarmee ze internationale furore heeft gemaakt - daarvan raakt ze soms toch wel een beetje in paniek.

Jongerius: 'Ik heb mezelf een wortel voorgehouden toen ik tien jaar geleden als ontwerper afstudeerde. En die wortel heb ik eigenlijk al heel snel binnengehaald. Dus toen ik voor die tentoonstelling in Londen was, dacht ik: ja, verdomme, wat moet ik nu nog willen? Ik heb alles, ik heb álles. Wat houdt me gaande? Wat moet ik nú dan nog?'

Het is een aangenaam rommeltje in het oude patriciërshuis, vlakbij het Rotterdamse museum Boijmans Van Beuningen, waar haar JongeriusLab is gevestigd. De gang staat vol dozen die nog naar Londen moeten worden verscheept. Op de grond, op de overloop, op tafels en in stellingkasten, overal staan Jongerius' proefmodellen en ontwerpen van de laatste jaren verspreid. De beroemde flessen uit twee delen (ene helft glas, andere helft porselein) bijvoorbeeld, die bij elkaar worden gehouden door een stuk tape. De vazen van polyurethaan, waarvan de gietnaden zichtbaar zijn gelaten.

Of het B-servies, waarvan geen twee delen hetzelfde zijn, omdat ze allemaal op hun eigen wijze zijn kromgetrokken in een oven die expres te heet stond afgesteld. Het zijn ontwerpen die hun weg naar prestigieuze musea hebben gevonden (onder meer het MoMa heeft werk van Jongerius in de vaste collectie), en naar internationale collectioneurs (mode-ontwerpster Donna Karan behoort tot de trouwe fans).

Met snelle stappen gaat Jongerius - kordaat, opgeruimd, felle ogen, rode mond - het drie verdiepingen tellende pand door. 'Het is het voormalig woonhuis van de Brenninkmeijers, de eigenaren van de C & A', zegt ze met een vlug armgebaar naar een gelambrizeerde zaal met indrukwekkende glas-in-loodramen.

Terloops: 'We zitten hier anti-kraak.'

Sinds 2000 bestaat het JongeriusLab, haar eigen bedrijf. Met drie vaste medewerkers werkt Jongerius daar aan haar ontwerpen - het uitdenken van concepten, het uitwerken van ideeën, het doen van materiaalproeven, het maken van een prototype. Haar rechterhand, Arian Brekveld, maakt de vertaalslag van Jongerius' ideeën naar een realistisch product. Zo'n 70 procent van haar werk brengt ze uit in eigen beheer; 30 procent voor opdrachtgevers en musea. 'We zijn een klein bedrijf', zegt Jongerius. Stellig: 'En ik wíl ook per se niet groter. Alleen als ik het echt interessant vind, neem ik een opdracht aan.'

Als compromisloos staat ze te boek. 'Geen bemoeienis, weet je.' Niet tijdens het werkproces, hoogstens achteraf. Daarvoor is het proces - van idee of materiaalkeuze naar een afgerond ontwerp - haar veel te dierbaar. En te belangrijk ook. 'Alles moet kloppen. En dus wil ik niet gestoord worden. Ik moet wel vrij kunnen zijn.'

Nee, ze is er niet op uit haar werk in groten getale te laten fabriceren. Al was het maar omdat ze dan nog meer uren achter de computer moet doorbrengen, tot een andere werkwijze wordt gedwongen.

Jongerius is toch meer het werkplaatstype. Ideeën ontstaan in de omgang met materialen. Door er aan te trekken en te sjorren, het in de fik te steken, er een gat in te boren. Of door er domweg tegenaan te lopen. Zoals toen ze in een bronsgieterij rubberen mallen zag, en het idee voor haar rubberen vaas (1994) werd geboren. 'Ik vond het zulk mooi materiaal. Ik dacht: dat heeft bestaansrecht op zichzelf.'

De sporen van het ontstaansproces, de ruwe afwerkingen, de butsjes of oneffenheidjes - in de uiteindelijke producten van Jongerius is het vaak allemaal nog te zien. 'Ik wil als ontwerper industrieel produceren, maar daarin ook het ambachtelijke behouden.' Laten zien dat massaproductie niet alleen maar hoeft te leiden tot ''iedereen veel van hetzelfde''. Producenten en consumenten ervan bewust maken dat massaproductie ook one ofs kan laten ontstaan.

Jongerius: 'Unieke producten. Ontwerpen met een karakter, waaraan men zich net zo kan hechten als aan het theekopje uit grootmoeders keukenkastje - misschien juist wel omdat daar een oortje aan ontbreekt.'

Noem het haar taak. Of haar maatschappelijke verantwoordelijkheid als ontwerper. Misschien komt het daar wel op neer. Ook al heeft die onverzettelijkheid zo zijn consequenties. Kleine oplagen bijvoorbeeld. Een beperkte groep afnemers. Jongerius: 'Mijn ontwerpen mogen dan nog zo beroemd zijn, ze bestaan eigenlijk vooral in interieur- en designtijdschriften.' Grinnikend: 'Soms denk ik wel eens: ik had ze net zo goed uit karton kunnen knippen.'

En sowieso: haar eigenzinnige werkproces vergt tijd, risico's. En geld. 'Serieuze opdrachtgevers, die echt met me in zee durven gaan, die zijn dun gezaaid.'

Uitzonderingen daargelaten. Zoals het Amerikaanse stoffenmerk Maharan, dat haar als 'visionair' inhuurde, en haar de vraag voorlegde: 'Waar gaat het in de meubelstoffering naar toe?' Jongerius: 'Dat is een droomopdracht. Zo'n vraag is leuk om te analyseren. En je komt in een wereld die een mooi verleden heeft, dat is ook prettig. Dat je niet in een gebied moet zoeken dat nog geen enkele historie heeft.'

Met dessin-ontwerpster Edith van Berkel sloeg ze aan het brainstormen: wat zou je wensen? Wat zou je in je huis willen? Wat is er nog niet te koop?

'Als je daar even over nadenkt', zegt Jongerius, 'ben je er best snel uit. Ik wil graag, als ik acht stoelen om tafel heb, dat ze alle acht net even anders zijn, maar toch bij elkaar horen. Als leden van één familie.' En dus kwam ze op het concept van een stof met een groot rapport - een grote afstand tussen de herhaling van het patroon. Meestal is een rapport dertig centimeter. Bij Repeat is dat drie meter. Het idee: bekleed een aantal banken met die stof, en geen van alle oogt eender.

Maharan bestookte ze vervolgens met de vraag waarmee ze iedere opdrachtgever graag lastigvalt: 'Ik wil de fabriek zien, kan dat?' Kijken of ze daar mooie technieken of materialen hanteren. Nagaan of er een machine is die ze net niet goed inzetten. Onderzoeken of er iets van vroeger is wat aanleiding kan geven tot een ontwerp. Want dat is precies wat Jongerius wil: 'Huwelijken sluiten tussen tijdsgewrichten. Ontwerpen maken die radicaal zijn, níeuw, maar die ook refereren aan archetypen.'

In de weverij in Zürich stuitte Jongerius op een archief. 'Geweldig, honderd jaar oud! De weverij was vroeger een stropdassenfabriek, dus ze hadden er prachtige, met de hand gemaakte dessins. Helemaal met pen op zo'n grid, op een rekenblok getekend. Ja, gewoon he-le-maal mooi.'

Wat resteert is een kwestie van dessins selecteren, ze achter elkaar zetten, kleurenstellingen te verzinnen. 'En vervolgens is zo'n rapport van drie meter heel eenvoudig te maken, industrieel is dat geen enkele moeilijkheid.'

De moeilijkheid, zegt Jongerius, zit 'm in de verkoop. 'Het is gewoon heel lastig aan de man te brengen. Mag je zo'n stof bijvoorbeeld maar afknippen waar je wil of niet? Of neem alleen al de vertegenwoordigers: normaal gaan die met een A4-tje uitgeknipte stofjes op pad. Nu liepen ze te sjouwen met drie meter.'

Voor Repeat kreeg ze de Rotterdam Designprijs - een teken misschien dat de tijd rijp is voor haar ontwerpen, dat mensen het echt snáppen. Jongerius: 'Tien jaar geleden was het nog zo dat de Rotterdam Designprijs me niet nomineerde voor mijn rubberen vaas, omdat ik de vórm niet zelf ontworpen had. Het was toen echt vernieuwend om die vaas te shoppen, die te maken in een ander materiaal. Het materiáál was het ontwerp, het verháál was toen vernieuwend. Dat dat niet werd begrepen, dat kun je je nu niet meer voorstellen.'

Het is haar talent misschien. 'Ik heb al snel door wat er speelt, wat er komen gaat. Intuïtief. Ik loop denk ik altijd een beetje voor de fanfare uit.'

Toch heeft het nog lang geduurd voordat Jongerius ontwerper zou worden. Ergotherapeute was ze aanvankelijk. Op een houtwerkplaats voor verstandelijk gehandicapten, waar ze besefte: 'Ik wil niet langer dat ik iets bedenk en zij het uitwerken, ik wil zelf. Zelf dingen maken.' En dus ging ze naar de lts-opleiding timmeren. 'Ik ben meubelmaker', zegt ze niet zonder trots.

Als kind was ze 'al wel een knutselaar'. Maar goed, ze groeide dan ook op in de jaren zeventig. 'Macrameeën, haken, figuurzagen: het was het doe-het-zelftijdperk. Iederéén was zelf aan het knutselen. Dat is nu veel minder.' Of eigenlijk was dat al zo midden jaren tachtig, toen ze zich inschreef op de Design Academy in Eindhoven - destijds al een bolwerk van conceptueel design.

'Ik was niet zo goed op school. Begreep niet zo goed wat ze nu allemaal van me wilden. Ik dacht steeds dat als je dit en dat maar deed, je dan ontwerper zou worden. Maar in Eindhoven ging het heel erg om zelfreflectie. Over het ontwikkelen van wat jouw commentaar op de wereld zou kunnen zijn.' Grinnikend: 'Nou, op het laatst kon ik dat wel.'

De tijd heeft haar gevormd, zegt ze. 'Ik studeerde af toen design op zijn meest glossy was.' Op de buitenkant gericht, je mocht zien dat het wat gekost had. Dus toen Jongerius na de academie ging samenwerken met het toen net opgerichte ontwerpersplatform Droog Design was dat 'heel erg een reactie op al die glimrommel'.

Jongerius wilde op zoek naar 'een vorm van duurzaamheid.' Zich als industrieel ontwerper verzetten teggen de industriële processen 'waar alles over lijnen van geld wordt besloten'. En als ze ziet hoe druk het is in antiekzaken en op veilingen, dan wéét ze dat er ook een ándere markt moet zijn. 'Voor speciale, schaarse dingen. Dingen die op kunnen zijn: je komt ergens en je bent net te laat. Of dat je juist dat gelukje hebt: jíj hebt een van de tien. Dán wordt shoppen weer leuk, want wat is er nu nou aan? Je kunt gewoon kopen wat je hebben wil.'

Maar tegen de wetten van de massa-economie, leerde Jongerius ook, valt bijna niet op te boksen. Neem de thematiek van de imperfectie, waar ze vijf jaar geleden mee bezig was, en die resulteerde in haar B-servies. Jongerius: 'Twee jaar later hadden Wedgewood en Rosenthal ook een imperfect servies. Terwijl zíj nu juist de industrie vertegenwoordigen waar ik commentaar op lever. En wat doen zij? Zij maken van mijn statement een commerciële saus.'

Ze ziet het overal om zich heengrijpen: op de beurs in Milaan, bij het huidige Droog Design, op de academie waar ze nu zelf les geeft: 'Het zijn allemaal navolgingen van waar wij tien jaar geleden mee begonnen. Sindsdien heb ik niets vernieuwends meer voorbij zien komen. Het is allemaal toch gewoon weer design, met een flinterdun boodschapje. Soap-design. Het nepconcept als hebbedingetje.'

De samenstelling van haar tentoonstelling in Londen, zegt ze, heeft haar aan het denken gezet. Terugkijkend op tien jaar ontwerpen, en zo'n dertig producten. Die rubberen wasbak uit 1996 bijvoorbeeld. Jongerius: 'Natuurlijk, ik heb er een nieuw beeld mee neergezet. Maar er zijn in totaal nog geen tien van verkocht. Hoe geslaagd is zo'n product dan? Of die vazen met tape eromheen. Dat vind ik wel een goed en krachtig ding. Maar ja, hoeveel verkoop je ervan? Honderden? Dat gaat natuurlijk nergens over.'

Jongerius: 'Tien jaar geleden hadden we als Hollandse conceptuele ontwerpers iets te melden aan de massa-industrie. We hebben het gezegd, we hebben geprotesteerd, we hebben een nieuw gezicht laten zien. Ik ben in die tijd nooit zo met een audience bezig geweest, dat is misschien erg, dat klinkt misschien als een kip zonder kop. Maar ik ben voornamelijk bezig geweest om mijn eigen verhaal te vertellen, wat ik vond dat er komen moest. Ik had geen zin de connectie met industrieën en bedrijven te maken. Dat vond ik maar lastig ook.'

Maar de tijden zijn veranderd. Jongerius zélf is veranderd. 'Ik merk dat ik, nu het economisch zoveel slechter gaat in de wereld, ik niet meer de luxe voel om te experimenteren. Ik wil nu écht aan het werk. Al die informatie en ideeën gaan uitwerken met de industrie. het nu echt doen: series draaien, me verdiepen in die massaproductie.'

En de confrontatie aangaan: 'Is dat gedachtengoed van mij sterk genoeg om te overleven in de industrie? Krijg ik het weggezet? Bij marketeers, bij industriëlen? Zíjn er wel consumenten voor dat gedachtengoed van mij? En als het inderdaad alleen maar gaat om een eliteclub, moet ik dan wel industrieel wíllen werken?'

Onlangs is ze gevraagd door interieurgigant IKEA, vertelt ze, om een productielijn te gaan ontwerpen. 'Dus ja, dat zal zich nu gaan uitwijzen. Het is een lelijk woord, maar het is een enorme uitdaging om daar nu aan te gaan staan. Ik ben blij dat ik iets gevonden heb voor de komende tien jaar. Opgelucht dat ik een nieuwe stap heb gezet.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden