Net als in het echt

Falen is een van de grootste moderne taboes. En daarmee voer voor kunstenaars. De Kunsthalle Hamburg wijdt een geslaagde tentoonstelling aan De Mislukking.

Eerst maar even de vuile was. Dit artikel heeft zeven verschillende intro's gehad en is in zijn geheel zeker drie keer herschreven. Het is vervloekt, weggegooid en weer uit de desktop prullenbak gevist. Het werd een flop, tot er voor flops geen tijd meer was. De deadline, dat vieze sujet met zijn brokkelende nagels, schraapte aan de deurpost.


Vraag het elke schrijver, elke journalist: dat gebeurt vaak. Heel vaak. 'De eerste versie is altijd shit', zei Ernest Hemingway en dat klonk nog stoer. Maar over de tweede en derde versie hebben we het liever niet. Worstelen ja, daar kun je nog een column over schrijven, waarin het gestuntel lekker aangezet wordt. Dat kun je (OMG FÁÁL) ook nog best rondtwitteren. Maar écht fálen? Nee.


Op een tentoonstelling in de Hamburger Kunsthalle wordt met verve het spotlicht gezet op juist dat schaamtevolle onderwerp. Besser Scheitern ('Beter Falen') heet een verzameling film- en videowerken van zeventien kunstenaars uit de afgelopen vijftig jaar. De titel is geknipt uit een bekend citaat van Samuel Beckett: 'Try Again, Fail Again. Fail Better' (uit Worstward Ho, 1983). Een tekst die stotterend, haperend en hakkelend van niks naar nergens gaat en waarvan uiteindelijk alleen een paar vage beelden in de herinnering blijven. En dat beroemde korte stanza, dat het leven samenvatte. Opnieuw proberen, opnieuw falen. Beter falen.


Falen, nota bene in het feilloze Duitsland? Waar de economie nog wél loopt, auto's gewoon verkocht worden, de mensen hun schoenen poetsen en zelfs de junks rond station Hamburg er... nou ja, béter uitzien? Waarom wordt 'het falen' daar bezongen? En wat hebben we er eigenlijk aan?


Op de openingsavond werd zichtbaar waar 'het falen' in ieder geval goed voor is. Het Hamburgse publiek (gekapt, gestreken, geen spijkerbroek te bekennen) lachte zich tranen om een strijkkwartet dat in de performance Strings (2010) van de jonge Annika Kars (1984) Beethovens Opus 18 Nr 4. uitvoert. Na een vlekkeloos begin wisselen de strijkers van stoel en hanteren een instrument dat niet het hunne is - de altvioliste de viool, de violiste de cello etcetera, tot drie keer toe. De statige entree van het museum vulde zich met vals gezaag. In de handen van de cellist leek de viool een poppeninstrument waarop hij, het ongemak in zijn gezicht, voortdurend misgreep. En o, wat was dat grappig.


In de hele tentoonstelling is de lach niet ver weg, net als de bewondering om het uithoudingsvermogen. Als er nou één mensensoort wel gewoon openlijk durft te mislukken en weer opnieuw begint, dan is het de kunstenaar wel, en dat is om te lachen en om te huilen. Het gaat van schaamte naar mislukking, van hapering naar hopeloos gerommel, van vruchteloze poging naar zelfs de fatale afloop.


Schoolkinderen, zittend op de grond, roepen hard 'nóg een keer' als de Nederlandse kunstenaar Bas Jan Ader van het dak stort in het ultrakorte filmpje Fall 1 uit 1970, of als hij de gracht in fietst in het kort daarop gemaakte Fall 2 (dat hij later spoorloos zal verdwijnen tijdens een zeezeiltocht die onderdeel is van een kunstproject, houden de rondleiders nog even bij de kinderen vandaan). Gelachen wordt er ook om Der Lauf der Dinge (1986), de video met kettingreacties, botsingen en brandjes van het duo Fischli&Weiss. Bruce Naumann loopt op oeroude videobeelden weer silly walks, tot hij zwalkt van uitputting, in zijn atelier (1968).


Er wordt ook gegrinnikt om een rode Kever die keer op keer een steile helling oprijdt in het werk Rehearsal I (1999-2004) van Francis Alÿs. Nooit bereikt het autootje de top. Steeds slaat zijn brullende motor af op het moment dat het orkest op de geluidsband zijn spel onderbreekt om daarna opnieuw te beginnen. Zo stuurt de ene mislukking de andere aan. Een Sisyfusonderneming die een lach teweegbrengt die in de slappe knieën gaat zitten - néé, niet wéér. Het doet te veel aan het echte leven denken, die vruchteloze reeks pogingen om vooruit te komen. En hoe we dat, terwijl iedereen online openbaarder leeft dan ooit, angstvallig camoufleren. Allemaal gevangen in de grote dik-voor-mekaar-show, crisis of niet.


Falen is het grote moderne taboe, volgens de Britse socioloog Richard Sennett. Failure zal in onze maatschappij steeds minder getolereerd worden terwijl - en daar ging het Sennett om - het tegelijkertijd hand over hand zal gaan toenemen. Ziedaar het recept voor de crisis die inderdaad tien jaar na zijn opmerking (in The Corrosion of Character, 1999) kwam.


Sennett had het vooral over de flexibele markteconomie, waar grote groepen (hoogopgeleide) mensen steeds grotere risico's moeten nemen om bij de afkalvende elite te horen -de winner-takes-all-structuur. In zo'n structuur moet de falende mens vooral zwijgen en dóórgaan, anders zijn z'n kansen écht verkeken. Dus de falende handelaar, bankier, bestuurder, belegger, topadvocaat of naar het buitenland gevluchte neuroloog knippert niet met zijn ogen. Problemen blijven zo extreem lang onder de pet. Falen, dat doen de anderen.


Rond dezelfde tijd als Sennetts boek werd in Duitsland door een kunstenaar een politieke partij opgericht die juist het falen tot programmapunt maakte. 'Chance 2000' heette de partij en de motor erachter was Christoph Schlingensief, de in 2010 vroeg overleden theaterregisseur. In Hamburg wordt naar hem verwezen met een kleine video die in de lift geplaatst is waar waarschijnlijk maar weinig bezoekers hem zullen ontdekken. Toepasselijk. 'Scheitern als Chance' ('falen als kans') luidde de leus van zijn partij, die behalve in ludieke acties ook uitblonk in financiële wanorde.


Kort na de oprichting in 1998 riep Schlingensiefs partij zes miljoen werklozen op om gelijktijdig te komen zwemmen in de Wolfgangsee, waar het vakantiehuis van de gewezen bondskanselier Helmut Kohl aan de oever stond. De stijging van de waterspiegel zou dusdanig zijn dat het vakantiehuis zou overstromen.


Natuurlijk mislukte de actie - nog geen honderd mensen kwamen erop af. Pre-Facebook, pre-Twitter, pre-project-X en gelukkig maar. Het echec was echter ingebouwd in het gedachtengoed, van falen als kans. Kohl had gefaald, de politiek had gefaald en Schlingensiefs eigen politieke partij zou ook grandioos falen - maar je stem laten horen, tenminste een poging doen, dáár ging het om.


'Machen Sie mal was!', spoorde Schlingensief de burger aan. 'Was, ist egal!' Al was het maar een mail sturen - dóe iets! Tegen het falen van bestuurders of het falen van de moraal, bijvoorbeeld. Twee jaar na de Wolfgangsee-actie bedacht Schlingensief het kunstproject en de televisieshow Ausländer raus tijdens de Wiener Festwochen. In het Big Brother-achtige programma konden buitenlanders 'het land uit' gestemd worden. De server van de bijbehorende website bezweek in de eerste week al onder de aanmeldingen. Woest scheldende burgers verzamelden zich rond de containers waar de 'buitenlanders' in verbleven. Wat geen politicus zei - dat de xenofobie welig tierde in Oostenrijk en elders in de wereld, dat ook hier het integratiebeleid volledig gefaald had - kwam genadeloos aan de oppervlakte.


Niet veel later kreeg Schlingensief, een niet-roker, terminale longkanker. Aan opbeurende praat, aan 'Durchhalteparolen' ('volhoud-geklets') had hij niets, schreef hij in een genadeloos openhartig laatste boekje. 'Iedereen heeft toch zijn wonden, waarom laten we die niet aan elkaar zien?'...'Wie zich verbergt, kan niet genezen'.


De maakster van de tentoonstelling in Hamburg, Brigitte Kölle is - los van de verwijzing naar Schlingensief - niet zo'n radicale. Ze neemt geen politiek standpunt in en écht falen (ziekte, maatschappelijke Absturz, natuurrampen, de dood) zijn alleen verdekt aanwezig. Maar de oproep om het falen op alle niveaus in ieder geval onder ogen te zien, te accepteren als een onderdeel van het leven, is in alle zalen hoorbaar en zichtbaar.


Voor journalisten die vastlopen in het bijzonder valt er nog wel wat te leren van de Hamburgse kunstenares Jeanne Faust. In haar korte film Interview (2003) gebeurt het volgende. Een kunstenares belt op afspraak aan bij een van haar helden, de acteur Lou Castel. Ze wil een portret van hem maken.


Het wordt een ramp. Castel, een - inmiddels wat verlopen - ster uit beroemde jaren zeventigfilms van Fassbinder en Pasolini, gedraagt zich tegenover de jonge Duitse vrouw als een hork tout court. Hij ontvangt haar in een piepklein appartementje, rotzooi overal. Hij bekritiseert haar Frans, herhaalt als een pestend kind haar uitspraken en vragen op dreinende toon. Hij laat haar schrikken, lacht dan bulderend. Echt naar wordt het ook nog, als hij zich met zijn dikke buik achter haar langs wringt in de gang. Voor het interview begonnen is, verklaart hij het voorbij. Ware ik de interviewster geweest, dan was ik in het café om de hoek gaan zitten grienen.


Zo niet Jeanne Faust. Ze schreef de ontmoeting uit, belde Castel opnieuw en vroeg hem het hele mislukte gesprek na te spelen met een actrice in haar rol. En dat is de film. Jeanne Faust zet haar bangige zelf zonder genade neer - wat een tut. Lou Castel dikt zijn hatelijke gedrag nog even lekker aan - wat een eikel.


Het wordt een briljant werkje waarin die hele iebelige machtsconstructie, die een interview nu eenmaal is, op de ontleedtafel ligt. Wat wil jij van mij? Wat wil ik van jou? Hoe verbloemen we dit fiasco? Faust (die gelijk kreeg: ze zou nog twee films met Castel maken) rukt de pleister er in één keer af: laten zien, opnieuw beginnen op het gevaar af weer onderuit te gaan. Mens, durf te falen.


De meest hopeloze onderneming uit de tentoonstelling Besser Scheitern komt op conto van John Baldessari. In de video Teaching a Plant the Alphabet uit 1972 houdt hij letterkaarten op voor een kamerplant en herhaalt onvermoeibaar: 'A.A.A.'. 'B.B.B'...


Eeuwig falende beeldhouwer


'Men komt de waarheid alleen door het falen nader' was één van zijn uitspraken: de kunstenaar Alberto Giacometti maakte van de mislukking zijn hoofdthema. In Hamburg zijn tegelijk met Besser Scheitern twee overzichtstentoonstellingen te zien van de meester van de draaddunne figuren en tekeningen van mensen die in rook lijken op te gaan. 'Natuurlijk begin ik aan een sculptuur met de bedoeling hem af te maken' zei Giacometti (1901-1966) in 1965, in één van de vele interviews-op-film die hij door de jaren heen gaf. 'Maar het is nog nooit gelukt. Ik begin aan een beeld omdat het me compleet ontglipt. En dan verlaat ik het op een kwart, op de helft of misschien op driekwart.' Het is allemaal rotzooi, vond hij dan. Maar erg was dat niet, want voor de beschouwer waren ze klaar. 'Mijn wens is eigenlijk altijd om zo snel mogelijk weer aan iets nieuws te beginnen.'


Het is mooi Giacometti onderwijl aan het werk te zien, zijn figuren op een dunne stok knedend. Terwijl hij praat en rookt gaan zijn handen op en neer, neer en op, eindeloos peuterend en duwend aan de klei. Steeds iets verder wegnemend tot er weer zo'n bijna opgeloste dame staat, alleen maar op haar plaats gehouden door buitenmaatse voeten.


In de tentoonstelling zijn ook veel foto's van Giacometti's Parijse atelier te zien aan de rue Hippolyte Maindron, waar hij veertig jaar werkte. Een piepklein hokje, meer een grot, in de tijd nog kleiner wordend door de vele lagen klein en gips die zich op de wanden en de vloer afzetten. 'Het atelier bestaat uit stof, grijze stof', beschreef dichter Jean Genet. 'En in dit atelier sterft langzaam een mens, verbruikt zich en verandert voor onze ogen in godinnen.'


Giacometti. Die Spielfelder (beeldenensembles, films en foto-documentatie) Kunsthalle Hamburg, t/m 19/5.


Alberto Giacometti. Begegnungen (portretten) Bucerius Kunstforum in Hamburg, t/m 20/5


.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden