Net als in de musical

Andrew Lloyd Webber, componist van musicals als 'Jesus Christ Superstar' en 'Cats', is ook een fervent verzamelaar van prerafaëlitische schilderijen....

Het begon al op jonge leeftijd. Toen zijn vader, zelf organist, hem door de straten van Londen sleurde, langs alle neogotische kerken die de stad rijk was. Veertien jaar was hij, bezeten van alles wat de negentiende eeuw aan Victoriaanse kunst had voortgebracht. Van gebouwen tot meubilair, van serviesgoed tot de schilderijen die hij als middelbare scholier in de Tate Gallery had bewonderd. 'Tegen de tijd dat ik naar Oxford ging, was ik absoluut overweldigd door dat spul', zou hij later vertellen.

Het is niet het eerste waar je aan denkt bij het horen van de naam Andrew Lloyd Webber (55), of beter Lord Lloyd Webber, sinds hij in 1997 tot de adelstand werd verheven. Zijn naam is toch vooral verbonden met musicals als Jesus Christ Superstar, Evita, Cats en The Phantom of the Opera. Kaskrakers die hem niet alleen puissant rijk hebben gemaakt, maar hem ook in de gelegenheid stelden kunst te kopen. Véél kunst, blijkens de tentoonstelling Pre-Raphaelite and Other Masters, die nu in de Royal Academy in Londen te zien is. Alle ruim driehonderd geëxposeerde werken zijn afkomstig uit de privéverzameling van het componerende hogerhuislid.

Het is een rijke collectie. Met schilderijen van Picasso en Sir Joshua Reynolds (de eerste directeur van de Royal Academy), de Venetiaan Canaletto en de Hollander Sir Lawrence Alma-Tadema, tapijtontwerpen van William Morris, tientallen vazen en schalen van William De Morgan, tafels van Augustus Welby Northmore Pugin en stoelen van Philip Speakman Webb.

Maar wat de verzameling écht bijzonder maakt, is de grote hoeveelheid prerafaëlieten. In de Royal Academy hangen maar liefst 150 exemplaren, in een kleine veertig jaar bij elkaar gekocht. Er is zelden zo'n volledig overzicht te zien geweest als nu in Londen.

Een opmerkelijk verzameling, want ja, prerafaëlieten, wie kocht die nu? Door de opkomst van de moderne, abstracte kunst waren ze in de twintigste eeuw helemaal uit de gratie geraakt. Op hun best waren het voorlopers van de surrealisten. Pas in de jaren vijftig kwam er in de waardering een kleine kentering. Vooral dankzij Evelyn Waugh. De schrijver van Brideshead Revisted en voorvechter van de katholieke literatuur moet zich in het moralisme van de prerafaëlieten hebben herkend en begon ze energiek te verzamelen. Aanvankelijk zonder al te veel navolging.

Voor de meeste Engelsen bleef de kunst uit de eeuw van Victoria toch verbonden met muffigheid en een gebrek aan liberalisme. Toen de jonge Andrew zijn grootmoeder vroeg hem vijftig pond te lenen voor het kopen van het schilderij Flaming June van de negentiende-eeuwse schilder Lord Leighton, zei zij: 'I will not have Victorian junk in my flat.'

Die reactie heeft Lloyd Webber niet weerhouden. Juist niet. Prerafaëlitische schilderijen waren in de jaren zestig niet alleen spotgoedkoop, ze waren ook 'desperately unfashionable'.

Wat een verschil met de negentiende eeuw zelf. Door zeven kunstenaars opgericht in 1848, als de Pre-Raphaelite Brotherhood, kregen drie van hen vrijwel onmiddellijk daarna groot succes: Dante Gabriel Rossetti, John Everett Millais en William Holman Hunt. Zij waren de eerste artistieke grootverdieners, zonder een vast dienstverband aan het hof of een verbintenis aan de academie.

Nu had de negentiende eeuw iets met helden. Door het ontluikende nationalisme zocht elk land naar zijn eigen illustere voorgangers. Ook in de kunst. Nederland ontdekte de erfenis van Rembrandt, zoals Italië Michelangelo begon te vereren en Spanje Velasquez. Ze werden beschouwd als de nieuwe heiligen. Niet voor niets zijn hun namen uitgebeiteld aan de buitenzijde van menig museum, gebouwd in de negentiende eeuw, zoals het Prado in Madrid en het Rijksmuseum in Amsterdam.

In Engeland vond een vergelijkbare zoektocht plaats. Maar bij gebrek aan eigen, spraakmakende grootheden kreeg men daar oog voor kunstenaars uit het buitenland, zoals de Italiaanse architect Palladio en Rafaël. De Renaissance-schilder werd verafgood en zijn schilderijen werden gezien als het 'meest spirituele en pure' dat er was.

Het past in de grote gedachte van idealisering. In dit geval de idealisering van het verleden. Nu was die negentiende eeuw al een vergaarbak van het verleden. Maar de prerafaëlieten slaan werkelijk alles. De volheid van hun schilderijen is synoniem voor de veelheid aan invloeden die ze hebben ondergaan. Geen beweging zo hybride als die van de prerafaëlieten. Zowat alles wat historisch voor handen was pakten ze op: het academisme van Reynolds, het classicisme van de Romeinen, de literatuur van Shakespeare, de religiositeit van de bijbel.

Maar de grootste invloed had wel John Ruskin, door zijn interesse in wetenschap, literatuur, kunst en economie ook wel de Engelse Goethe genoemd. Ruskin was de voorman van de Gothic Revival. Reden waarom hij Franse kathedralen waardeerde boven de St. Pieter in Rome, en gebrandschilderde ramen boven Rafaël.

In alles wilde de belangrijkste kunstcriticus van zijn tijd terug naar de oorsprong. En die lag volgens hem niet in de Renaissance, maar in kunst die zo sterk mogelijk een uitdrukking gaf van de natuur. Kunstenaars moesten 'onderdanig en eerlijk de stappen volgen van de natuur, om daarin de vinger van God te kunnen traceren', zoals Ruskin schreef in zijn bestseller Modern Painters (1843).

Dat Rossetti, Millais en Holman Hunt hun beweging de pre-rafaëlieten noemden, lag dus helemaal in de lijn van Ruskin. Ook door hun voorliefde voor tapijtontwerpen, de uitbeelding van Middeleeuwse klassiekers als de zoektocht naar de Heilige Graal of de aankleding van de hoofdpersonen in hun schilderijen als ridders en hofdames. In de Royal Academy zijn een paar landschappen te zien. Ze passen in de Amerikaanse traditie van het sublieme landschap, waarin de Goddelijke grootsheid tussen bergen en bomen voelbaar is, precies zoals Ruskin voor ogen had. Kitscherige vergezichten waaruit je met enig kunst- en vliegwerk ook een schitterende puzzel kan figuurzagen.

Ware kunst draaide om zuiverheid en puurheid. Zo zocht Rossetti naar de ideale lijn, de ideale contour en de ideale schoonheid. Om die uiteindelijk te vinden in een aantal vrouwen die hij keer op keer voor zijn schilderijen liet poseren. In de Royal Academy hangen enkele van deze dames naast elkaar: Marie Stillman-Spartali, Alexa Willing en Jane Morris. Rossetti portretteerde ze als Penelope en Desdemona, afgebeeld tussen vogels of met sneeuwklokjes in de hand. Wie precies wie is, is af te leiden aan de onderschriften, maar niet aan het uiterlijk zelf. Het zijn eigenlijk variaties op één hoofd. Een gezicht met volle krullende lippen en grote ogen die onder donkere wenkbrauwen geëxalteerd de verte in turen.

Hoe groot soms de onderlinge verschillen binnen de prerafaëlieten ook zijn, en het onderscheid met de tweede generatie van de beweging (zoals John William Waterhouse, Arthur Hughes, Edward Frampton), in heroïek en thematische overdaad zijn ze allemaal vergelijkbaar. En in hun conventionele schilderstijl die volledig detoneert met wat er buiten Engeland aan schilderkunstige vooruitgang werd geboekt, met name wat de Franse impressionisten lieten zien. Want hoewel destijds prijswinnaars aan de academie, is het werk van Rossetti, Millais en Holman Hunt in vergelijking met Manet, Monet, Pissarro, Degas en (zelfs) Renoir uitermate schools geschilderd.

Nee, stilistisch gezien is de schilderkunst er door de prerafaëlieten geen millimeter op vooruit gegaan. Het was eerder een terugval. En precies dat typeert hen. Hun hunkering naar het pure is ook een anti-houding. Ze wilden zich tegen de verworvenheden van het eigentijdse afzetten. De sfeer is landelijk en dorps en afzijdig van het grootsteedse bestaan. Alsof het leven voor eeuwen heeft stilgestaan. Nergens een verwijzing naar de voorspoed van de opkomende industrialisatie of de keerzijde daarvan: armoede, honger, kinderarbeid. De prerafaëlieten keken bewust de andere kant op, terug de geschiedenis in. Het werk is een hymne op het goede dat eens was. Alles is aangeharkt en aangeveegd. Vrouwen borduren en spelen piano. Mannen hangen de held uit en zitten verkleed als Ivanhoe op een paard.

Maar in weerwil van de nostalgische sentimenten die hun werk anno 2003 uitstraalt, probeerden de prerafaëlieten eigenlijk heel eigentijds te zijn. De neogotische opleving was meer dan enkel een stijlenkwestie of een romantische hunkering naar oude sagen. Op de achtergrond speelde het belang van de deugdzaamheid van een harmonische familieleven, huwelijkstrouw, de zelfopoffering van de vrouw en het arbeidsmoraal van de werkende man. CDA-schilderkunst met oog voor een ethisch reveil, waarin het gezin als hoeksteen in zijn volle omvang wordt neergezet.

Waarom die moralistische boodschap in zulke zwijmelende koektrommelschilderijen verbeeld moest worden, blijft een raadsel. Of het moet zijn dat het een hyperreactie was van een groep schilders, die er zelf een verre van onbesproken levenswandel op na hielden. Richard Dadd, bekend als de 'fairy painter', vermoordde zijn vader, in de veronderstelling daartoe te zijn opgedragen door de Egyptische god Osiris. Boegbeeld van de prerafaëlieten, Rossetti, was een drank- en drugsverslaafde die frequent achter de vrouwen aanzat. Net als Holman Hunt, die verliefd werd op de vrouw van Ruskin en uiteindelijk met haar trouwde. Reden waarom Ruskin na verloop van tijd iets minder enthousiast over de prerafaëlieten schreef.

In sommige scènes voel je de onderhuidse erotiek, andere zijn overgoten met een scheutje christelijke moraal. In de beste gevallen komen de twee bij elkaar, zoals op het schilderij van Holman Hunt, The Shadow of Death. Daarop is het interieur te zien van een timmerwerkplaats, waarin te midden van de houtkrullen een half ontklede Christus zich uitrekt in het schijnsel van een ondergaande zon. Sensualiteit werd gekoppeld aan religiositeit, en dat maakte het veelal verteerbaar voor de Victoriaanse smaakpolitie. Een blote borst, een heimelijke kus, een zwoele mond en lonkende ogen - zolang het om functioneel naakt ging kon het door de beugel.

Wat Holman Hunts schilderij bovendien aardig maakt, is dat het geen bijbelse afbeelding is, maar een scène had kunnen zijn uit Lloyd Webbers eigen musical Jesus Christ Superstar. Het geldt voor het merendeel van het werk op de tentoonstelling. Dat Lloyd Webber ze heeft verzameld, werpt een heel ander licht op de prerafaëlieten. Dit zijn geen schilderijen, maar fotostills uit een groter verhaal. Duetten en massascénes die op de bühne niet zouden misstaan. De zedenschetsen van Millais, Holman Hunt en Waterhouse als musicals over de overspelige vrouw, de vroeg gestorven held, de blinde mandenvlechter met zijn kind of de ontluikende liefde in een treincoupé.

Schilderijen die ook een ander beeld geven van Lloyd Webber zelf. Niet de jongeling die componist werd door zijn orgel spelende vader, maar de ensceneur die als kind bedwelmd raakte door de zoetsappigheid van de negentiende-eeuwse schilderkunst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden