Nerveus, op het hysterische af

Alleen wie dom is of gek, denkt het Midden-Oosten te kunnen veranderen, vindt Etgar Keret. De 39-jarige Israëlische schrijver geeft als een van de weinigen zijn generatie een stem....

Tekst Alex Burghoorn

Foto Stephan Vanfleteren

Als het Eurovisie Songfestival op televisie was, keek hij. ‘Dat was vaste prik. Samen met mijn broer en zus op de bank. Het ging ons niet om de liedjes, daar gaven we niets om. Het ging om de uitslag. We wilden zien welke landen ons het meest haatten. Als de Fransen ons drie punten gaven, zeiden we: ooh!, wat is er nog veel antisemitisme in Frankrijk. Het idee dat ons liedje misschien niet zo goed was, kwam niet in ons op.

‘Het is een karakteristieke reflex. We bouwen een checkpoint, we doden tien Palestijnen, we bombarderen Libanon en als een buitenlander vraagt waarom we al die mensen hebben gedood, is hij natuurlijk antisemiet en wil hij ons land het liefst vernietigd zien. Wie geen vragen stelt, die deugt.

‘Als we Jenin op de Westoever in puin gooien en uit Europa komt kritiek, dan is het: wie zijn uitgerekend jullie om ons de les te lezen? Voor het gemak is iedereen hier dan een Holocaust-overlevende, is iedereen ternauwernood ontsnapt aan de gaskamers. Ook als ze oorspronkelijk komen uit de diaspora van Marokko, Irak of Jemen. We proberen ons slachtofferschap uit te buiten.

‘Ik schreef er ooit een sketch over voor een satirisch televisieprogramma. Het speelt zich af in Duitsland, tijdens een wereldkampioenschap atletiek.

‘De starter staat klaar om het startschot voor de 100 meter te geven. Ineens komen er twee mannen op hem af: hallo, wij zijn van de Israëlische delegatie en willen u een kleine gunst vragen. Ziet u, een van de deelnemers is een Israëli en hij is niet zo’n door anabole steroïden opgepompte atleet. Hij is klein en gaat hoe dan ook verliezen. We willen u vragen of hij misschien 90 meter mag lopen, in plaats van 100.

‘De Duitse starter kan daar natuurlijk niet aan beginnen. Maar zijn moeder is een Holocaust-overlevende en zit op de tribune, zeggen ze. Het is de eerste keer dat ze terug is in Duitsland en we willen de vernedering iets kleiner maken. Het zijn speciale omstandigheden, kunt u niet iets soepeler zijn?

‘De starter weigert toe te geven en hoe vaker hij nee zegt, hoe agressiever de twee worden. Heb je Schindler’s List niet gezien, stuk Eichmann dat je d’r bent! Een van de twee pakt het pistool af, zet het tegen zijn eigen keel en zegt: kom dan, maak het werk maar af! Toe dan, kom maar op, ik ben ook een Jood!

‘De man wordt bang en geeft toe – de Israëli mag tien meter minder lopen. Op dat moment vallen ze hem om de hals: jij bent een grote vriend van het Joodse volk! We planten een boom voor je in de chassidische tuin! En als je naar Israël wilt komen, koop dan geen kaartjes voor Yad Vashem, we geven je gratis kaartjes. We houden van je!’

‘Die sketch heeft tot een debat in de Knesset geleid. Sommige parlementariërs wilden de show verbieden. De ethicus die de gedragscode voor Israëlische soldaten heeft geschreven, noemde me verdorven en immoreel. Overal gingen ze tekeer.

‘Totdat ik zei dat je me moeilijk kunt betichten van gebrek aan respect voor de Holocaust. Mijn beide ouders hebben in Polen de oorlog overleefd, mijn grootouders zijn gestorven in het getto van Warschau. Toen was het ineens: jij mag zeggen wat je zegt.

Op de herdenkingsdag van de Holocaust gingen we met juffrouw Sara met lijn 57 naar het Museum van het Wolynische Jodendom, en ik voelde me ontzettend belangrijk. Alle kinderen in de klas waren Iraaks, behalve ik, een neefje van me en nog eentje, Druckmann, en van de hele klas was ik de enige met een opa die in de Holocaust was omgekomen. Het Wolynische museum was prachtig mooi, helemaal van zwart marmer van miljonairs. Binnen hingen een hoop trieste zwart-witfoto’s en lijsten van mensen en landen en doden. We liepen twee aan twee tussen alle foto’s door en de juffrouw zei dat we nergens aan mochten komen. Maar ik raakte er een aan, een van karton, een magere, bleke man die huilde en een boterham in zijn hand had. De tranen liepen over zijn wangen als strepen die op een weg zijn geverfd, en het meisje naast me, Oriet Salem, zei dat ze aan de juf zou vertellen dat ik er met mijn vingers aan had gezeten. En ik zei dat ze dat voor mijn part kon vertellen aan wie ze maar wilde, al was het aan het hoofd van de school, het kon me niet schelen. Het was mijn opa en ik raakte aan wat ik wilde.Fragment uit ‘Schoenen’, uit de bundel Gaza Blues, Anthos, 2006.

Zijn ochtendcappuccino drinkt Etgar Keret als altijd aan het kruispunt van de straten Dizengoff en Jabotinsky. In Café Michal. Het is vrijdag, en de terrassen van Tel Aviv zitten voor de laatste keer vol mooie zomerhemdjes. De weersvoorspellers zien de eerste najaarsstorm naderen en de dertigers nemen het er nog even van, met jus d’orange, croissants en een fruitontbijt. Hun peuters zijn alleen in de ochtend op de crèche; straks begint de sabbat.

De voorbijgangers overtreffen elkaar in de maat van hun zonnebril. Aan de overkant van Café Michal zet een Aziatische thuishulp een bejaarde met zijn rolstoel in de schaduw. Wie niet beter weet, denkt dat premier Olmert zijn voornemen van Israël een land te maken ‘waar het lekker leven is’, al heeft uitgevoerd.

Etgar Keret is geboren in 1967, het jaar van de Zesdaagse Oorlog, toen Israël in 144 uur de legers van de Arabische buurlanden versloeg en de Sinaï-woestijn, de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en de Golan-hoogvlakte bezette. Het maakte de Israëli’s dronken van geluk en de Arabieren giftig van vernedering. De betekenis ervan is met geen boekenkast te omvatten – het Midden-Oosten is er simpelweg nog niet van bekomen.

Het is alsof die Israëlische Blitz in eigen land de ‘naoorlogse’ generaties met stomheid heeft geslagen. De twintigers en dertigers zijn afwezig in de rumoerige debatten over de landsbelangen. Zelfs in het turbulente jaar van het coma van Ariel Sharon, de opkomst van Hamas, de ontvoeringen van drie soldaten, de invasie van Gaza, de bombardementen op Beiroet, de raketten van Hezbollah en de dreigementen van Iran.

Als een van de weinigen geeft Etgar Keret zijn generatie een stem. Kritisch, en moeilijk grijpbaar. Tastend in de chaos. Hij predikt niet de vrede. Hij zoekt naar de Israëlische identiteit: wie zijn wij? Een ijzingwekkend moeilijke vraag, waarop hij in zijn bundels met absurdistische, korte verhalen terloops antwoorden geeft.

‘De jongere generaties leven totaal gescheiden van de Israëlische staat. Het zijn verschillende werelden. We zijn opgegroeid met de clichés van de politici: ‘We zijn bereid alles te offeren voor vrede’ en ‘Ik zie een nieuwe horizon’. Maar niemand gelooft die clichés nog. Met de moord op Yitzhak Rabin, elf jaar geleden, kwamen de twee werelden even samen. Hij zong daar dat lied voor vrede en even later ging er een kogel door zijn hart. De boodschap was niet: en nu moeten we ons allemaal inzetten voor verandering. De boodschap was: verandering is onmogelijk.

‘De Libanon-oorlog heeft die mentaliteit weer zichtbaar gemaakt. Israëlische jongeren houden van elkaar, houden van de taal, houden van het strand en de bergen hier. Maar ze haten de staat, ze haten het leger, ze haten de media.

‘Het voelt alsof je in een gevangenis zit waarvan je de bewakers haat, omdat jouw lot in hun handen is. Ze sturen je naar een checkpoint in de Palestijnse gebieden, maar je wilt daar helemaal niet zijn. Van de andere gevangenen houd je, omdat zij er ook niets aan kunnen doen.

‘Het fatalisme viert hoogtij. Je kunt allerlei mooie ideeën hebben over waar het heen moet, maar diep van binnen voelt het alsof je er toch geen greep op krijgt. Het is alsof we in een auto zonder remmen de berg af gaan. Iemand kijkt op de kaart en zegt, het zou mooi zijn als we hier links kunnen, maar ja, we kunnen niet links, dus zullen we wel in het ravijn storten.

‘De grote verandering kwam in 1977, toen de Likud-partij voor het eerst aan de macht kwam en het land na dertig jaar van socialisme overging op het kapitalisme. In de eerste decennia van Israël was het Wij belangrijker dan het Ik. Dat is veranderd. Als ideaal om je gezamenlijk voor in te spannen is de staat Israël prachtig. Maar voor een individu is het een gestoorde plaats om te leven. Op de crèche kunnen je kinderen uiteengereten worden in duizend stukjes. Investeer je al je geld in een huis in Jeruzalem, is het twee jaar later niets meer waard omdat Palestijnen er raketten op afschieten.

‘Niemand heeft nog een geloofwaardig toekomstperspectief. Twee jaar vooruitdenken is het maximum – ik bedoel, wie weet heeft Iran dan een atoombom. De samenleving is gebaseerd op overleven, ieder voor zich. Anders niets.

‘Het zionisme en het socialisme waren de ideologische bases van Israël. Maar dat fundament is na de bezetting van de Palestijnse gebieden in 1967 en de introductie van het kapitalisme in 1977 gebarsten. Wat er over is noem ik het bagel-model: iedereen staat in een kring naar het midden te kijken – en het midden is leeg.

‘Ik deel veel met mijn generatiegenoten. We spreken dezelfde taal, we zijn in hetzelfde land geboren, we hebben dezelfde geschiedenis, we hebben allemaal De Man van zes miljoen op televisie gezien. Maar we hebben geen gemeenschappelijke ideeën over wat we met Israël aanmoeten.

‘Het maakt ons nerveus, op het hysterische af. Wij hebben niet, zoals andere landen, een geschiedenis die honderden jaren teruggaat. We zijn hier nog niet lang genoeg om nonchalant te kunnen zijn over onze identiteit. Wanneer de president van Iran zegt dat Israël een mislukt experiment is, reageren wij daar zo hevig op, omdat we vrezen dat hij gelijk heeft. Angst is de enige werkelijk bindende kracht.

‘Wanneer je bang bent, word je gewelddadig. En als je heel erg bang bent, word je heel erg gewelddadig. De toespraak van de Egyptische president Nasser, waarin hij aankondigde ons in de zee te drijven, joeg Israël de Zesdaagse Oorlog in. Als je een ontspannen Nederlander bent, denk je: die man is gek. Maar als je een hysterische Jood bent, zeg je: geef me een geweer! Laten we hem doodschieten voor hij ons de zee indrijft.

‘De geschiedenis van de Holocaust en andere jodenvervolgingen zijn constructieve middelen geweest bij het bouwen van een Israëlische identiteit. Tegenwoordig brengen veel middelbare scholieren vlak voor ze het leger ingaan een bezoek aan Auschwitz. In mijn tijd was dat nog niet, omdat Polen nog communistisch was. Die reis vertelt je impliciet dat je het leger ingaat opdat Joden nooit meer naar Auschwitz worden gestuurd.

‘In Israël leren ze je altijd hoe Joden in Europa zijn gestorven. Nooit leren ze je hoe Joden hebben geleefd in Europa, want dat zou betekenen dat je ook kunt kiezen voor de diaspora, voor een leven buiten Israël. Zoals de Joden tweeduizend jaar lang hebben gedaan, nadat ze uit het bijbelse land waren verdreven.

‘Als je alle jaartallen leert van de pogroms, van de gaskamers en de getto’s en van de jodenvervolging in Arabische landen, dan versterkt dat de overtuiging dat je geen andere mogelijkheid hebt dan hier te blijven en te vechten om te overleven. Als Jood assimileren in Frankrijk of Nederland heeft geen zin, je wordt toch gevonden. Dat is de les. Israël is het alternatief voor genocide.

‘Dat is overigens niet een compleet belachelijk idee. Ik bedoel, als alle Israëli’s morgen willen vertrekken, is er geen land dat ze zou willen opnemen. Het is niet zo dat ze dan in Nederland zeggen: kom binnen, we vinden die broodjes falafel van jullie zo lekker.

‘Maar we zijn te veel van de Joodse culturele waarden van de diaspora vergeten. We hebben de ruimte over onszelf na te denken beperkt. Zelfkritiek was een van de kenmerken van de diaspora. Joodse humor is Joden die grappen maken over Joden. De kunst grappen over jezelf te maken, betekent dat je jezelf van een afstand kunt aanschouwen.

‘Israëli’s maken geen grappen over Israëli’s. Ik denk dat wij in veel opzichten de anti-Joden proberen te zijn. De gedachte is dit: we waren Joden, ze hebben geprobeerd ons te vermoorden, toen kwamen we naar Israël en daar zouden we worden genezen, zoals Theodor Herzl zei. Als we maar zouden ophouden Jood te zijn, kwam alles goed.

‘Israëli’s lezen niet graag boeken van Joodse schrijvers. Mijn uitgever vertegenwoordigt ook de Amerikaan Philip Roth – hij verkoopt hier niets. Jonathan Safran Foer is overal populair, maar niet hier. Hoeveel echt Joodse restaurants ken jij in Israël? Wij eten niet Joods. Op het moment dat ik dat doe, zegt mijn instinct dat elk moment een dronken Kozak kan binnenstormen die de tafel omver trapt en mijn vrouw verkracht. Herinneringen aan de diaspora maken een Israëli bang.

‘Kijk waar Israëli’s wel trots op zijn: we hebben het beste leger ter wereld en de beste high-techbedrijven – en vroeger waren we trots op de kibboets. Soldaten, techneuten en boeren, dat zijn allemaal geen typische Joden.

‘In de diaspora stonden we aan de top als schrijvers, musici, wetenschappers en filosofen. Maar intellectuelen zijn in Israël verdacht. Die zijn te Joods. Wij Israëli’s hielden zoveel van Ariel Sharon, omdat hij een legendarische generaal was én omdat hij op vijf manieren een schaap kon scheren.

‘Toen mijn ouders begin jaren vijftig naar Israël kwamen, werden ze als alle Holocaust-overlevenden uitgescholden voor stuk zeep – afgeleid van de mythe dat de Duitsers van lijken uit de concentratiekampen zeep zouden hebben gemaakt. De Israëli’s verweten de Europese Joden dat ze zich in de oorlog niet hadden verzet. Nog steeds is stuk zeep een scheldwoord voor slappeling.

‘Ook in Polen en Rusland vochten we honderd jaar geleden niet tegen pogroms, maar Isaak Babel schreef er wel indringende boeken over. Zelfverdediging is de obsessie van Israël. We zijn doeners geworden, in plaats van de denkers die we waren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden