Neemt de ongelijkheid al tienduizend jaar toe?

De kwestie

Sinds de mens besloot een hek om een stukje grond te zetten en zich daarbinnen de opbrengst toe-eigende, is al sprake van groeiende ongelijkheid.

Groeiende inkomens- en vermogensongelijkheid is al veel ouder dan econoom Thomas Piketty aantoonde in zijn bestseller Le Capital au XXIe siècle (Kapitaal in de 21ste eeuw).

Piketty verkocht 1,5 miljoen exemplaren van een boek vol dorre data over de groeiende ongelijkheid in de laatste 250 jaar. Hij concludeerde dat het rendement op vermogen gemiddeld genomen groter was dan de economische groei. Rijken zouden almaar rijker worden als de overheden het niet voortdurend zouden corrigeren.

Een groep archeologen en antropologen van zeventien instituten onder leiding van Tim Kohler van Washington State University heeft nu geprobeerd aan te tonen dat die ongelijkheid al tienduizend jaar groeit. Zij hebben daarvoor onderzoek gedaan op 63 archeologische plekken in de wereld: van Aztekenruïnes in Mexico tot het ooit door de as van de Vesuvius bedekte Pompeï.

Het begin van de landbouweconomie tienduizend jaar geleden leidde tot een dramatische verandering in de organisatie van het menselijk leven. Daarvoor waren mensen jager-verzamelaars. Nadat mensen zelf planten waren gaan kweken en vee waren gaan houden, ontstond een nieuwe samenleving waarin overschotten werden verhandeld, land werd gecontroleerd en vrije tijd ontstond voor religie, politiek en kunst. Er kwamen standen, slavernij, belastingen - en oorlog.

De mate van ongelijkheid is berekend met behulp van de zogenoemde Ginicoëfficiënt voor vermogensverdeling, zoals die wordt berekend door Allianz.

Als iedereen evenveel heeft, zou die 0 zijn. Als slechts één iemand alles heeft en de rest niets, is die 1. Kohler heeft dit tot in de prehistorie teruggerekend. Omdat er geen Quote 500 of andere vermogensgegevens van de hunebedbouwers bestaan, zijn de berekeningen gebaseerd op de huizengrootte.

Het verschil in de grootte van woningen nam toe nadat nederzettingen waren geëvolueerd tot natiestaten. Als gemeenschappen grotere overschotten creëren, stijgt ook de ongelijkheid. In het stenen tijdperk was de Ginicoëfficiënt slechts 0,17, omdat mensen rondtrokken en geen welvaart op één plek konden opbouwen en vererven. In de kleinschalige landbouwsamenleving steeg die door tot 0,25.

Afbeelding uit 1850 van de Romeinse keizer Nero. Paarden maakten het ontstaan mogelijk van een elite van strijders. Beeld © Print Collector/Getty Images

Toen ook grotere veestapels zoals koeien, paarden en waterbuffels in particuliere handen kwamen, was de coëfficient 0,35. In de Middeleeuwen met een klasse van landloze boeren (pachters, horigen en lijfeigenen) groeide die tot 0,56 - iets hoger dan die van Zuid-Korea op dit moment (0,54) en iets lager van die van Griekenland en Spanje (0,58).

Maar Nederland (0,64), China (0,70) en vooral de VS (0,81) hebben nu een veel hogere Ginicoëfficiënt.

Tienduizend jaar beschaving heeft de wereldgemeenschap heel veel ongelijker gemaakt.

Reageren? p.dewaard@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.