'Neem jezelf niet serieus'

In gesprek met voormalig ambassadeur C.J. Schneider, schrijversnaam F. Springer, over zijn langverbeide Oost-Berlijnse roman: 'Afstand houden is mijn methode.'

Er kwam wat tussen, een ernstige ziekte, maar het is hem toch gelukt: de roman die F. Springer (Batavia, 1932) in het vooruitzicht had gesteld over de laatste jaren van zijn werkzame leven als ambassadeur, 1986-1989 in Oost-Berlijn, is voltooid. Quadriga - Een eindspel.


Zijn flat in Den Haag kijkt uit op Madurodam, met in de diepte krioelende kinderen en hun ouders. 'Overzichtelijk landje, hè'. In de boekenkast staat een ingelijste foto waarop Hans van den Broek, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken, de hand schudt van Carel Jan Schneider, zoals hij voor de burgerlijke stand heet.


'Toen kreeg ik een lintje. Voorjaar 1989. Ik kon de dienst vervroegd verlaten vanwege mijn tropenjaren die dubbel telden. Een paar maanden later viel de Muur. Daar heb ik hier op de tv naar zitten kijken. Ineens was het afgelopen, in een paar dagen, en zonder bloedvergieten. Die slaan erop, dacht ik, daar wordt geléld. Maar nee: feestelijk zelfs. Niemand die dit had zien aankomen.


'Toen ik wegging, had ik nog een gesprek met Egon Krenz van het Politbureau, die even later staats- en partijleider werd. 'Het zal niet lang meer duren', zei ik hem. Waarom niet, dacht ik; ik ga tóch weg, ik zeg het gewoon. 'Wat bedoel je', vroeg Krenz. 'Nou, in het corps diplomatique hoor je speculeren: die Muur valt over drie of vijf jaar.' 'Honderd jaar', antwoordde Krenz. Een keiharde. Drie maanden later was het zo ver!'


Over die periode wilde hij graag een verhaal schrijven. Die vreemde tijd in de nadagen van de communistische dictatuur, met spionnen en dubbelspionnen, afluisteren, gesmiespel achter de schermen en showgesprekken met Partei-Genossen ervóór. Geen memoires van meneer Schneider, maar fictie van Springer; het moet bij hem altijd in de vorm van een verhaal. 'Dat heeft niks met beroepsgeheim te maken, maar alles met het verwerken van ervaringen. Afstand houden. Daar heb ik dat pseudoniem voor gekozen. Vaak hebben mensen zich herkend in die verhalen, soms ten onrechte, maar dat heb ik nooit gecorrigeerd. Vond ik veel te leuk.


'Ik heb wel eens een chef van mij beschreven op een wat grappige manier. Na jaren sta ik op een ministerie ineens met hem in de lift. Zegt hij tegen me: 'Die vent in dat boek van jou, ben ik dat?' Jezus, dacht ik, nou komt het. 'Ja, ik kan het niet ontkennen,' zei ik. Weet je wat hij riep? 'Dat vond ik nou toch zó aardig!'


Quadriga is genoemd naar het vierspan bovenop de Brandenburger Tor - de adelaar, de vier paarden en de Siegesgöttin.


Vervolg op p3


'Geen gloedvolle ik-ik-betogen'

Vervolg van p1


De Siegesgöttin, die 'alles wat er in diepte is gebeurd en gebeurt, met een vaag sardonisch glimlachje gadeslaat. Of is dat verbeelding', vraagt de verteller zich af. Robert Somers is zijn naam, een weduwnaar en Nederlandse journalist die voor zijn reiskronieken ook Oost-Berlijn aandoet, op uitnodiging.


De mooie en getrouwde Monika Rittner van het Presseamt (Somers: 'Ik kan haar niet beschrijven, ik kan haar niet schilderen, en ook Vermeer was dat niet gelukt, wat een troostrijke gedachte is') leidt hem rond.


Somers wordt besprongen door verliefdheid, hij wil Monika redden, maar hoewel hij op zijn hotelkamer roekeloze plannen maakt, ontbreekt het hem als het erop aankomt aan daadkracht.


Hij reist terug naar Berlijn, in 1998 en 2000, mijmerend of hij nog iets van haar zal horen of zien. Zijn aantekeningen vormen deze melancholische en soms wanhopige roman, een verhaal dat door de nodige godverdommes, what the hell, verdomd en klootzak is doorschoten, want Springer blijft de meester die in het oog houdt dat een gevoelig thema nooit larmoyant mag worden.


'These fragments I have shored against my ruins', is de regel van T. S. Eliot die de auteur als motto koos. Die slaat niet alleen op de hoofdpersoon. 'Natuurlijk gaat dat ook over mijzelf. Ik heb daar langzamerhand de leeftijd voor. Dat 'eindspel' slaat op de teloorgang van zo'n regime, maar ook van het leven en de liefde. Of ik er lang aan heb gewerkt? O jongen! Misschien wel vijf keer ben ik er opnieuw aan begonnen. Toen ik ziek werd in 2006 had ik eenderde geschreven. Niks kon ik meer.


'Wel bleef ik er steeds aan denken. Eindelijk ging het weer, maar toen heb ik alles wat ik had, weer weggeflikkerd. Vorig jaar had ik de goede ingang: ik moest minder over de DDR vertellen, en meer over die ik-figuur en de mensen rondom hem.


'Het moet altijd met mijn eigen ervaringen te maken hebben. Ik heb niet zo'n dikke duim. Veel van mijn standplaatsen tussen 1958 en 1989 zijn in boeken terechtgekomen - dit moest nog. Het werd me ook vaak gevraagd: 'Wanneer komt je boek over Berlijn?' Je kunt je voorstellen hoe blij ik ben dat het af is.' Zelf zat hij daar toen, op de ambassade. Maar de hoofdpersoon in Quadriga is een bezoeker, iemand die even in Oost-Berlijn komt kijken. 'Een waarnemer. Die zit altijd in mijn verhalen - iemand die komt, en toekijkt. Een land op zijn laatste benen, en daarin een man aan het eind van zijn carrière, juist dat maakt hem vatbaar voor zoiets roekeloos als die liefde, voor een getrouwde vrouw en moeder die waarschijnlijk zelf ook een informante is van de Stasi.'


Bovendien is hij van de kaart door Het leven van Arsenjev (1927-1933), de roman van Ivan Boenin, met name het stuk over Lika, de grote jeugdliefde die Arsenjev door zijn jaloezie zelf om zeep heeft geholpen.


Een roman, 'maar het kon godbetert alleen maar de gloeiende waarheid zijn', denkt Somers, die zijn Monika als de Lika van Boenin gaat beschouwen - de vrouw om wie hij alleen maar kan treuren als het te laat is. Springer: 'Boenins werk heb ik zelf in Luanda leren kennen. Groot schrijver; Quadriga is deels een hommage aan hem.


'Somers is hardnekkig, gaat steeds terug naar Berlijn om haar te zoeken, terwijl hij tegelijk bang is om haar te vinden. Hij deinst toch ook weer lullig terug voor de werkelijkheid, die misschien tegenvalt. Niet makkelijk om te schrijven: die man kan sentimenteel zwelgen, en toch wil ik hem niet zielig laten zijn.


Voor het houvast heb ik daarom die vriend opgevoerd, bijgenaamd Raaf, die dan Nederlands ambassadeur in de DDR is. Kranige kerel, die Robert dóór heeft. Met zijn ironische instelling - goedmoedig een Schnaps drinken met een apparatsjik maar intussen alles met een lodderoog bekijken - houdt hij zijn vriendje overeind.'


Is Springer zelf soms Raaf? 'In die zin dat ik die positie daar toen had. Sure. Maar ik heb Raaf óók geportretteerd naar iemand die ik heb gekend. Sommigen zullen hem herkennen. Who cares. Hij is dood.


'Raaf en Somers zijn de tegenvoeters die iets aan elkaar hebben. Ze zijn allebei alleen. Die diplomatieke houding van maak-je-niet-druk, ik heb alles wel gezien, dat is het gevaar van die baan. Anderzijds is het een manier van overleven. Je moet jezelf vooral niet te serieus nemen. Dat heb ik moeten leren. Wanneer je als ambassadeur in een auto met een vlag rijdt, iedereen salueert, en het Wilhelmus speelt - dan is dat niet voor jou. Dat is voor je lánd! Maar je hebt mensen die denken dat het voor hen is. Dat heb ik altijd willen doorprikken.


'En het kort houden, hè. Geen gloedvolle ik-ik-ik-betogen opstellen voor het ministerie. Ik heb daar zelf gewerkt, en dan kwam er zo'n pak binnen: 'Ah, daar heb je Pieterse uit Addis Abeba: niet lezen, gelul!'


'Daarin komen de ambtenaar en de schrijver in mij overeen; wil je iets teweegbrengen bij de lezer, draai er dan niet omheen, en relativeer je eigen rol.


'Die hele liefde tussen Robert en Monika, één nacht samen, is vooral suggestief. Hij weet niet wat zij denkt. Doet zij soms alles in opdracht? Die geheimzinnigheid is voor mij echt Oost-Berlijns. Voordat ik naar de DDR ging, zat ik voor de Raad van Europa in Straatsburg.'


Met een lachje: 'Heel interessant, maar niet om spanning te ondergaan. Toen Van den Broek mij in 1985 Oost-Berlijn voorstelde, heb ik meteen ja gezegd. Ga maar na: snijpunt van twee systemen, gebeurt altijd wat, literair-historisch interessant. En ik zat niet in een kooi, zoals de DDR-burgers, maar kon vrijelijk naar West-Berlijn.'


Door het hele boek heen nam Springer fotootjes op, snapshots van het decor en van figuranten, die de sfeer tekenen. Zoals de besneeuwde zerk aan de Kleine Wannsee van Heinrich von Kleist, de schrijver die in 1811 met zijn geliefde zelfmoord pleegde. Robert maakt een bedevaart naar de zerk van zijn favoriete Duitse schrijver. Springer: 'Zeker, Kleist is ook van míj een held. Kleist pak ik nog vaak uit de kast. Op de oorspronkelijke foto sta ik zelf naast die zerk; voor het boek heb ik mezelf er maar afgeknipt.'


Als Robert daar heen gaat, krijgt hij van een Marokkaanse taxichauffeur het advies om kranten in je onderbroek je stoppen. Helpt goed tegen de ergste kou. Springer: 'Dat is wáár, joh! Helemaal autobiografisch. Het was verdomde koud! Ik heb daar veel plezier van gehad, de Tagesspiegel in m'n broek.'


Maar in deze roman, als advies aan een journalist - zeggen dat kranten nuttig kunnen zijn omdat je ze in je onderbroek kunt stoppen- is dat niet alleen anekdotisch. Het is ronduit wrang. 'Wat leuk!', roept hij uit. 'Niet eens aan gedacht.'


Cetera desunt, zijn de laatste woorden, ofwel: 'De rest ontbreekt.' Komt uit de Camera obscura van Hildebrand. 'Dat staat daar omdat ik toch op een iets hoopvolle toon wilde eindigen.' Maar eerst is alle hoop wel finaal de grond in geboord. Dat maakt zo'n slotzin haast gemeen. Alsof er voor Robert Somers hierna heus nog een nieuwe teleurstelling in het vat zit.


En dat noemt hij hoop?


Springers antwoord is een tevreden grijns.



CV


1932


geboren op 15 januari in Batavia1946


naar Nederland, studie rechten 1958-1962


ambtenaar Nederlands-Nieuw-Guinea; verhalendebuut Bericht uit Hollandia1966-1989


diplomatieke dienst in o.a. New York, Bangkok, Teheran, Luanda, Oost-Berlijn1981


Bougainville - Een gedenkschrift1985


Quissama - Een relaas1990


Sterremeer (Boekenweekgeschenk)1991


Teheran, een zwanezang1993


Bandoeng-Bandung - Een novelle1998


Kandy - Een terugtocht 2001


Verzameld werk2002


Allemaal gelogen (verspreide verhalen)2007


De verhalen2010


Quadriga - Een eindspel


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden