NEDERLANDSE ATLETES STALEN SHOW IN AMSTERDAM MET GEBREIDE ORANJE

Vreemd keken veel Nederlanders op toen zij hoorden dat niet koningin Wilhelmina, maar prins Hendrik de opening van de Olympische Spelen 1928 in Amsterdam zou verrichten....

Waarom gaf Wilhelmina de voorkeur aan een vakantiereisje boven een koninklijk optreden? Daarover is lang gespeculeerd. 'De oorzaak van Wilhelmina's afwezigheid, zo blijkt uit de inmiddels openbare stukken van het kabinet van de koningin, was een bijzondere', onthult Parool-journalist Paul Arnoldussen in Amsterdam 1928 - Het verhaal van de IXe Olympiade, een nieuw deel in de vruchtbare Nederlandse Sportbibliotheek van uitgeverij Thomas Rap (¿ 27,50). 'De koningin was boos en mokte. Wilhelmina was er ontstemd over dat de openingsdatum niet in overleg met haar was vastgesteld.' Dus moesten de Olympische heren het verder zelf maar uitzoeken.

Arnoldussen vertelt in Amsterdam 1928 met veel aandacht voor details en anekdotiek het hele verhaal van de Spelen, van alle organisatorische toestanden tot en met het slotnummer in het fonkelnieuwe Olympisch Stadion, de karakteristieke schepping van architect Jan Wils waarvan juist deze week bekend werd dat het bestuur van het stadsdeel Zuid de sloopplannen wil doorzetten - in weerwil van de monumentenliefhebbers die erop hameren dat het om 'een uniek cultuurgoed' gaat. Ook gaat Arnoldussen uitvoerig in op de begeleidende taferelen: de exotische sfeer in de stad, de speciale culturele manifestaties en de commerciële poespas.

De Olympische Spelen van Amsterdam brachten een paar aardige primeurs. De belangrijkste was de deelname van vrouwen bij atletiek en turnen. Tot dan toe konden vrouwen alleen deelnemen bij schermen, zwemmen en tennis. Pierre de Coubertin, de militaristische grondlegger van de moderne Spelen, moest niets hebben van vrouwen in de sport, maar de emancipatiebeweging was niet te stuiten. Vrouwen organiseerden in 1922 in Parijs en vier jaar later in Göteborg eigen 'Olympische Spelen', en dat konden de heren die hun mond vol hadden van 'verbroedering van de sport', niet op zijn beloop laten.

Vooral de deelname van vrouwen aan atletieknummers veroorzaakte nogal wat commotie. De toch niet helemaal achterlijke sportjournalist Joris van den Bergh (Temidden der kampioenen, Mysterieuze krachten in de sport) was zonder meer tegen ('Een vrouw op de spelen is een slak die een zoutkeet binnenkruipt'), terwijl ook kritische geluiden kwamen uit de mond van de atleet Jan Blankers, die later zou trouwen met de atlete Fanny Koen, fiere winnares van vier gouden medailles op de Olympische Spelen van Londen in 1948. In het bijzonder vreesde men ongelukken op de 800 meter, het nummer waarop Ellen van Langen in Barcelona in 1992 triomfeerde. Nadat drie meisjes na afloop van de race inderdaad als 'doode musschen' waren neergevallen, werd het nummer schielijk weer van de lijst afgevoerd, om er pas in 1960 weer op terug te keren. Overigens stalen de Nederlandse atletes in de series van de 100 meter de show met hun korte gebreide oranje broekjes. Dat werd door de toenmalige bobo's niet gewaardeerd, reden waarom het verdere optreden plaatsvond in langere katoenen broeken.

Een tweede noviteit was het Olympisch vuur. Jan Wils had als blikvanger van het stadion een toren (de Marathontoren) ontworpen, waarop hij een schaal plaatste bestemd voor een gloedvol symbool van de Spelen. 'Het was een mager vuurtje, ooggetuigen repten vrijwel de hele spelen door meer over de rook dan over het vuur, maar een traditie was geboren', schrijft Arnoldussen. 'Vanaf 1936 (bij de Spelen in Berlijn, hvg) zou dat vuur via de meest ingewikkelde wegen worden aangevoerd, in Amsterdam was het nog gewoon een ambtenaar van het GEB die vanuit de toren voor de ontsteking zorgde.' Een derde nieuwtje was de uit volle borst gescandeerde leuze 'H-o-l-l-a-n-d, Holland spreekt een woordje mee', vooral populair op hockey- en zwemtribunes. 'Het sportblad De Corinthian dateert de geboorte van de kreet zeer precies op zondag vijf augustus, toen Lien Gisolf zilver won bij het hoogspringen.'

En een laatste primeur: bij de stalletjes rond het stadion begon het flesje Coca-Cola zijn zegetocht over het vasteland van Europa, nadat de Britten al eerder op de Amerikaanse vinding waren getrakteerd.

Na afloop van de Spelen overheerste voldaanheid: het waren mooie Spelen geweest. Vergeten waren de bange dagen in 1925, toen de Haagse politiek bijna roet in het eten had gegooid. Smakelijk vertelt Arnoldussen het verhaal van de hoog oplopende debatten rond de kwestie of subsidie gegeven kon worden aan het spektakel. De regering was enthousiast voor, maar tijdens een emotionele stemming werd het subsidievoorstel uiteindelijk met 48 tegen 36 stemmen verworpen. Als 'het volk' niet zelf royaal over de brug was gekomen, opgepord door kranten en sportverenigingen, zouden de Spelen alsnog naar Amerika zijn gegaan.

De scheidslijnen die door de politieke partijen trokken, laten fraai zien hoe de wereld er in de 'gelukkige jaren twintig' in Nederland uitzag. De antirevolutionairen zagen één onoverkomelijk bezwaar: 'Het bezwaar, dat zijn grond vindt in de te verwachten ontheiliging van de Dag des Heeren', zoals De Standaard het verwoordde. De katholieken hadden minder moeite met de verstoring van de zondagsrust als wel met het wel erg wereldse karakter van de manifestatie; zij vonden dat de organisatoren hun eigen boontjes moesten doppen.

De sociaal-democraten waren verdeeld. Troelstra hield het oog pragmatisch gericht op een versterking van de internationale positie van Nederland en een impuls voor de vaderlandse economie. Maar hij werd onder vuur genomen door een groep die een jaar later de Nederlandse Arbeiders Sportbond zou oprichten. Deze groep had het over 'sportverdwazing' en meende dat de sport was 'vergiftigd met een prestatie verheerlijkend kapitalistisch waardepatroon en was doordrenkt met nationalistische en militaristische gevoelens'. Alleen de liberalen waren volmondig voor. Zij wezen er bij herhaling op hoe belachelijk Nederland zich zou maken als het op het laatste moment een streep door de Spelen zou halen.

NOC-voorzitter Schimmelpenninck sabelde het 'noodlottig' kamerbesluit in weinig malse bewoordingen neer: 'Sinds 1896 zijn we om de vier jaar te gast geweest in diverse landen. (. . .) Nederland heeft zich door het kamerbesluit verlaagd tot de klasse van internationale klaplopers.'

Han van Gessel

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden