Nederlandse aangifte tegen Egyptische minister wegens 'buitensporig geweld'

Vier Egyptische Nederlanders hebben vandaag bij het Team Internationale Misdrijven van het landelijk parket in Rotterdam een aanklacht wegens misdaden tegen de menselijkheid ingediend tegen de Egyptische minister van Binnenlandse Zaken, Mohamed Ibrahim. De mannen beschouwen zich slachtoffer van het buitensporig geweld waarmee politie en leger vorig jaar in Caïro demonstraties neersloegen tegen het afzetten van president Mohamed Morsi.

Een vrouw probeert een bulldozer tegen te houden op het Rabaa-plein, in augustus vorig jaar. Beeld afp

Hun advocaat, André Seebregts, denkt dat de zaak goede kans maakt in behandeling te worden genomen. Hij ziet voldoende grond voor vervolging en veroordeling. De door Seebregts verzamelde bewijzen zijn opgenomen in de stukken die hij gisteren in Rotterdam heeft ingeleverd. Hij zegt geen details te kunnen vrijgeven.

Details staan echter al volop in het vorige maand door Human Rights Watch (HRW) gepubliceerde rapport 'All According to Plan', over het bloedbad 14 augustus vorig jaar op het Rabaa-plein in Caïro, waar minstens duizend aanhangers van Morsi en zijn Moslimbroederschap werden doodgeschoten. Bij diverse andere betogingen in de maanden juli en augustus kwamen nog enkele honderden mensen om.

'Misdaden tegen de menselijkheid'
De mensenrechtenorganisatie zegt dat het optreden van leger en politie 'waarschijnlijk neerkomt op misdaden tegen de menselijkheid'. Er lijkt sprake te zijn geweest van een vooropgezet plan en een 'beleid om ongewapende personen aan te vallen'. De autoriteiten zouden zelfs hebben gerekend op een dodental van 3.500. Na afloop van het bloedbad op het Rabaa-plein zei minister Ibrahim dat 'alles volgens plan' was verlopen.

Volgens Human Rights Watch was het neerslaan van het protest 'voorbereid op het hoogste regeringsniveau'. Ibrahim en de toenmalige minister van Defensie Abdelfattah al-Sisi, nu president van Egypte, vormden de spil van de voorbereiding. HRW riep alle VN-lidstaten vorige maand op de daders te vervolgen. 'Velen zijn nog steeds aan de macht en hebben veel om zich voor te verantwoorden', zei directeur Kenneth Roth.

Een gewond lid van de Moslimbroederschap wordt door leden van de oproerpolitie van het Rabaa-plein gedragen, in augustus vorig jaar. Beeld reuters

Mogelijk is daarin nu een rol weggelegd voor Nederland. Als justitie de aanklacht in behandeling neemt, zal het onderzoek in handen komen van het Team Internationale Misdrijven van de landelijke recherche, in samenwerking met het landelijk parket. Team en parket hebben sinds de invoering van de Wet Internationale Misdrijven (WIM) in 2003 een groot aantal zaken op zich genomen tegen mensen die werden verdacht van oorlogsmisdrijven, genocide of misdaden tegen de menselijkheid.

Meestal waren dat buitenlanders (vaak asielzoekers) die zich in Nederland bevonden. Maar ook Nederlanders zijn vervolgd, zoals de zakenman Frans van Anraat, die grondstoffen voor chemische wapens had geleverd aan de Iraakse dictator Saddam Hussein. Daarmee werd genocide gepleegd op de Koerden.

Universaliteitsbeginsel
De Wet Internationale Misdrijven gaat uit van het universaliteitsbeginsel (misdaden tegen de menselijkheid, waar dan ook gepleegd, kunnen door elk land worden bestraft), maar er moet wel een link zijn met Nederland: de dader moet Nederlander zijn dan wel zich in Nederland bevinden, of de slachtoffers zijn Nederlanders.
De vier indieners van de aanklacht zijn in Nederland wonende Egyptenaren met de Nederlandse nationaliteit. Een van hen was aanwezig toen de bezetting door betogers van het Rabaaplein met geweld werd beëindigd. De anderen namen deel aan demonstraties op 8 en 27 juli in Caïro.

Volgens advocaat Seebregts raakte een van de vier daarbij gewond. De anderen 'stonden midden in een kogelregen'. Hun identiteit wil hij niet bekendmaken, vanwege hun veiligheid en vooral die van hun familie in Egypte.

Het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag kan geen rol spelen in de zaak, omdat Egypte niet is aangesloten bij het hof. 'Maar de wereldgemeenschap vindt dat dit soort misdrijven niet ongestraft kan blijven. Daarom is het nu aan ons om de handschoen op te pakken', aldus Seebregts.

Nederland als voorbeeld
Nederland is een voorbeeld voor alle landen die werk willen maken van het vervolgen van elders gepleegde oorlogsmisdrijven, genocide en misdaden tegen de menselijkheid. De speciale eenheden daarvoor bij politie en justitie, zoals het Team Internationale Misdrijven, doen geweldig werk en hebben de afgelopen tien jaar een enorme ervaring opgebouwd. Human Rights Watch (HRW) schrijft dat in een gisteren verschenen rapport.

De mensenrechtenorganisatie onderzocht hoe de vervolging van internationale misdrijven wordt aangepakt in Nederland, Duitsland en Frankrijk. Ook in de twee andere landen is die goed op gang gekomen, maar nergens zijn politie en justitie zo actief en zo vakkundig als in Nederland, nergens is zo veel kennis opgebouwd, aldus HRW.

Het rapport bestaat voor een belangrijk deel uit loftuitingen aan het adres van Nederland, dat ‘de meest robuuste’ eenheid voor internationale misdrijven heeft, die in staat is zaken effectief af te handelen. ‘Het resultaat is beter en meer gericht onderzoek.’ Inmiddels zijn de medewerkers in staat ‘een grote hoeveelheid werk sneller af te ronden’.
Lof is er voor het feit dat Nederland speciale eenheden voor internationale misdrijven heef bij politie, justitie, Openbaar Ministerie en immigratiedienst.

Reële kans op veroordeling
In de richtlijnen van het Openbaar Ministerie heeft de advocaat geen redenen kunnen ontdekken voor het parket om af te zien van vervolging. Drie jaar geleden stelde het OM een zogeheten 'aanwijzing' op voor hoofden van parketten die te maken krijgen met internationale misdrijven. Daarin staat dat een zaak alleen wordt geopend bij 'voldoende reëel perspectief op succesvolle opsporing en vervolging binnen een redelijke termijn'. Ook moeten 'andere staten bereid of bij machte zijn aan een eventueel rechtshulpverzoek te voldoen'.

Met 'succesvolle opsporing' wordt volgens Seebregts niet bedoeld dat de verdachte daadwerkelijk in de kraag moet worden gevat. 'Er moet een reële kans op veroordeling zijn, eventueel in absentie.' Wel geeft hij toe dat Egypte waarschijnlijk niet zal meewerken aan onderzoek ter plekke van Nederlandse rechercheurs. Er is echter, zegt hij, 'nu al voldoende bewijs tegen deze verdachte'.

Tegen president Al-Sisi is geen aanklacht ingediend, omdat volgens de WIM staatshoofden, regeringsleiders en ministers van Buitenlandse Zaken niet kunnen worden vervolgd zolang ze in functie zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.