Nederlandsche Bank bewaarde goud uit nazibuit

De Nederlandsche Bank heeft aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog besmet nazigoud in bewaring genomen. Zes dagen nadat Duitsland op 15 maart 1939 Praag had bezet, namen de nazi's het goud van de Tsjechische bank in beslag. De week daarna wisten de Duitsers met hulp van de Britse centrale bank deze goudvoorraad naar de Nederlandse en Belgische centrale banken te verplaatsen.

De Nederlandsche Bank in Amsterdam. Foto ANP

Dit blijkt uit een tot voor kort geheim rapport uit 1950, dat de Britse centrale bank deze week heeft gepubliceerd. Hoewel de Britse regering had geëist dat de Duitse oorlogsbuit 'bevroren' werd, hielpen de Britse bankiers de Duitse Reichsbank met de verkoop en verplaatsing van het geroofde goud.

De Tsjechische nationale bank had uit vrees voor een Duitse inval haar goudvoorraad ondergebracht bij de Bank of England. Maar na een verzoek droeg de Britse centrale bank op 21 maart 1939 het eigendom van dit goud over aan de Duitse Reichsbank. 5,6 miljoen pond aan goud (huidige waarde: 843 miljoen euro) kwam zo als oorlogsbuit in Duitse handen. Na enkele dagen verdween het goud weer van de Duitse rekening. De Duitsers brachten tussen 21 en 31 maart 1939 voor ongeveer 4 miljoen pond aan goud (nu: 602 miljoen euro) over naar de kluizen van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Nationale Bank in België.

DNB bevestigt dat zij in 1939 vanuit Londen Duits goud in bewaring kreeg. DNB kreeg van de Bank of International Settlements die opdracht. Duitsland was in maart 1939 nog niet in oorlog met Groot-Brittannië. Vermoedelijk vreesden de nazi's dat de Britten het goud in beslag zouden nemen zodra dat wel het geval zou zijn. In september dat jaar verklaarde Groot-Brittannië de oorlog aan Duitsland nadat Hitler Polen was binnengevallen. Nederland bleef toen nog neutraal.

Economische oorlogsvoering
Historicus Gerard Aalders, gespecialiseerd in economische oorlogsvoering, zegt dat het goud in eerste instantie gemakkelijk van de Tsjechen geroofd kon worden. 'De Duitsers deden bij invallen altijd een beroep op de Conventie van Den Haag, waarin staat dat de bezettende de macht het recht heeft wetten te maken. Vermoedelijk ging het net zo als in Nederland en kreeg Tsjechië de bezettingskosten opgelegd, wat volgens de conventie mag.'

Die bezettingskosten konden dan net zo hoog zijn als de waarde van het goud. Zo kon het goud worden overgeschreven naar de Duitse Reichsbank en daarna aan Nederland overgedragen.

Goud in de kluis van de Nederlandsche Bank Foto ANP