Nederlanders op de Goudkust

PRINSES MÁXIMA en prins Willem-Alexander traden de afgelopen week in het voetspoor van David van Nyendael, die in 1701-1702 een diplomatiek bezoek bracht aan de koning van Ashanti....

Bijna vergeten, waarom? Uit schaamte, lijkt het. De Nederlandse handel in Afrikaanse slaven van de zeventiende tot de negentiende eeuw besmeurt immers het beeld van de Gouden Eeuw en de glorie van Nederland als zeevarende natie. Pas eind vorig jaar wijdde het Scheepvaartmuseum in Amsterdam een tentoonstelling aan de slavenhandel, 'Slaven en schepen'. Het sprak van een 'zwart hoofdstuk' dat tot dan toe ten onrechte was veronachtzaamd.

De Nederlandse aanwezigheid op de Goudkust (zoals Ghana toen werd aangeduid) is veel minder bekend dan die in Zuid-Afrika, vanwege het verzwijgen van de slavenhandel en omdat zich in het ongezonde West-Afrika geen kolonisten vestigden. Toch waren de Nederlanders hier maar liefst 260 jaar (van 1612 tot 1872) aanwezig. Het fort Elmina, in 1637 veroverd op de Portugezen, werd het centrum van de Nederlandse handel. Veel verder kwamen de Nederlanders in al die jaren niet.

De viering van de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), in 1602, leidde dit jaar tot een controverse met Indonesië, de voormalige kolonie. De West-Indische Compagnie (WIC) - de club van de slavenhalers - heeft nooit mogen delen in de aura van trots dat de VOC lang omgaf. De jongere compagnie ging de geschiedenis in als sukkelig en economisch mislukt.

De 'viering' van het gezamenlijke Ghanees-Nederlandse verleden heeft dus iets ongemakkelijks. Van Nyendael bezocht koning Osei Tutu van Ashanti om de handel met het Afrikaanse binnenland op de Goudkust veilig te stellen. Die handel bestond uit goud, ivoor en voor een belangrijk deel uit slaven. Het was een contact tussen de slavenleverancier en de opkoper. Daar is niets feestelijks aan.

Wat wel te vieren valt, is dat het taboe op de Nederlandse geschiedenis in West-Afrika wordt doorbroken. Pas de afgelopen jaren verschenen er studies in het Nederlands, die een breder publiek bereikten, zoals De Nederlandse slavenhandel van P.C. Emmer en Goud, ivoor en slaven van Henk den Heijer.

Daar is nu het rijk geïllustreerde jubileumboek Merchants, Missionaries & Migrants - 300 years of Dutch-Ghanaian relations (alleen in het Engels) bijgekomen. Het biedt een staalkaart van onderwerpen over Ghanezen en Nederlanders door de eeuwen heen.

De inhoud bestaat uit lezingen die vorig jaar in het Afrika Studie Centrum in Leiden werd gehouden. Er wordt verhaald over de geschiedenis van de slavenhandel, maar ook over de invloed van de cultuur van het Ghanese Akan-volk in Suriname. Er is eveneens aandacht voor de kleine gemeenschap van Ghanese soldaten uit het KNIL en hun nazaten in Indonesië.

Hoe die daar kwamen is een eigenaardige geschiedenis. Ineke van Kessel, samenstelster van de bundel, vertelt erover. Na de afschaffing van de slavernij in de negentiende eeuw ronselde Nederland KNIL-soldaten aan het hof van de koning van Ashanti: slaven werden 'vrijgekocht' maar moesten naar Indië. Het was een moeizame operatie, die in veertig jaar tijd ongeveer drieduizend soldaten opleverde. Het Britse verwijt dat Nederland verkapt de slavenhandel voortzette, hielp verder bij het besluit er maar mee te stoppen.

Er staan meer van zulke verrassende stukken in het boek, zoals dat van Emmanuel Akyeampong, die vertelt hoe de Hollandse jenever in Ghana een 'koningsdrank' werd om bij rituelen te plengen. Nog steeds is Nederlandse 'schnapps' een begrip in Ghana. De Duitse naam stamt uit de tijd dat de kerken campagne voerden tegen het drankmisbruik, toen het bier de jenever nog niet had verdrongen, schrijft Akyeampong.

Algauw bleek de campagne een averechts effect te hebben: de illegaal gestookte, spotgoedkope en gevaarlijke sterke drank deed zijn intrede in Ghana. De Nederlandse jeneverproducenten verkozen de schuilnaam 'schnapps'. Schiedam Schnapps van De Kuyper of Henkes was een echt Hollands begrip, dachten de Ghanezen, maar het merk was in Nederland zelf niet te krijgen, totdat het in 1994 ook hier verkrijgbaar werd, vooral bestemd voor de vele Ghanese immigranten.

De bloeiende Ghanese gemeenschap in Nederland kwam voor het eerst volop in de schijnwerpers bij de Bijlmerramp. Hadden de Nederlanders in voorbije eeuwen hun best gedaan om de Ghanezen uit hun land te slepen, nu waren ze uit eigener beweging naar Nederland gekomen. Vooral om het fortuin te zoeken en Daniel Kojo Arhinful beschrijft hoe dit redelijk lukt en hoe Ghana flink profiteert van het geld en de goederen die de Ghanezen in Nederland naar de familie thuis sturen.

Niet dat de Nederlandse overheid nu zo blij is met deze succesvolle vorm van eigen ontwikkelingshulp. De toestroom van Ghanezen, legaal of illegaal, wordt als een probleem gezien. De integratie van de Ghanezen in Nederland wordt ernstig gehinderd doordat de Nederlandse overheid Ghanese documenten (zoals geboortebewijzen en huwelijks akten) niet vertrouwt. Nederland heeft een heel systeem in Ghana opgezet met rechercheurs om de echtheid na te trekken. Volgens onderzoeker Rijk van Dijk heeft dit tot grote verontwaardiging en gekrenktheid in de Ghanese gemeenschap geleid. Die boosheid brengt de Ghanezen tot elkaar, net als hun sterke christelijke geloof.

De geschiedenis van de slavenhandel speelt veel minder een rol bij de verhouding tussen de Ghanezen en Nederland nu. De Ghanese historica Akusua Perbi geeft daar een verklaring voor: de slavenhandel in het binnenland werd grotendeels door Afrikanen bedreven. Er bestond een klasse van tussenhandelaren, vaak invloedrijke kinderen van Europese mannen en Afrikaanse vrouwen. De Europeanen kwamen hun forten weinig uit. Sommige Afrikaanse volkeren leden zwaar onder de transatlantische slavenhandel, maar andere, zoals de Ashanti, profiteerden ervan.

In de bundel ontbreekt een artikel over de volken in Ghana die slachtoffer werden van de vraag naar slaven aan de kust. In Ghana zelf is dit nog steeds een zeer beladen onderwerp, omdat oude wonden opengereten kunnen worden. De gidsen die in Elmina Ghanese kinderen rondleiden, brengen dit heel voorzichtig naar voren, vertelde het hoofd van de onderwijsprogramma's vorig jaar.

Die worsteling is al oud. In de bundel staan twee artikelen over de gewezen Ghanese slaaf Jacobus Capitein, die in het achttiende-eeuwse Nederland dominee werd en promoveerde op een proefschrift waarin hij de slavenhandel in het reine probeerde te brengen met het christelijk geloof. Hij ging terug naar Elmina om het geloof te verbreiden. Hij pleegde daar (vermoedelijk) zelfmoord, wellicht omdat hij de ellende van de slaven in het fort voor het eerst dagelijks meemaakte.

Het is vreemd dat het woord 'slaven' in de titel van het boek ontbreekt. Het lijkt op een nieuw verdoezelen en dat staat haaks op de artikelen binnenin. De bedoeling van het weglaten is waarschijnlijk te laten te zien dat er veel meer was en is tussen Ghana en Nederland dan de slavenhandel. De organisatoren van '300 betrekkingen tussen Ghana en Nederland' hadden dat beter kunnen doen door te beginnen bij het echte eerste contact, in 1602 met het kleine kustkoninkrijk Esebu. De slavenhandel begon pas een halve eeuw later. Maar het fort Nassau, gebouwd in 1612, is geen Elmina, het is slechts een ruïne midden in het vissersplaatsje Mori met open riolen. Niet echt iets voor een prinselijk bezoek.

Toch hoort de geschiedenis van de slavenhandel centraal te staan bij de 'viering' van de betrekkingen tussen Ghana en Nederland. Willem-Alexander en Máxima bezochten Elmina en de asantehene (koning van Ashanti). Ze stonden stil bij de gruwelijke mensenhandel en betuigden spijt. Een mooi vervolg zou zijn: een prinselijk bezoek aan de Ghanese gemeenschap in de Bijlmer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden