Nederland zat op z'n praatstoel

De jaren rond 1800, ze vormden geen grote tijd. Huizinga had het over 'armoede op de straten van Amsterdam en armoede in geestelijke beschaving'....

door Jan Blokker

DE BALANS is nog niet opgemaakt. Aan het interdisciplinaire onderzoeksprogramma 'Nederlandse cultuur in Europese context' dat voorzag in de uitgave van vijf 'synthetiserende studies' over de Nederlandse samenleving van de afgelopen drieënhalve eeuw, ontbreekt nog het laatste deel, dat eind dit jaar zal verschijnen onder de titel Rekenschap. Maar de vier delen waarover straks rekenschap zal worden afgelegd, zijn intussen voltooid, en als lezer ben je geneigd alvast een lekenvoorschot te nemen op de wetenschappelijke eindverantwoording.

Vier oogstrelende boeken, laat dat eerst nog maar eens gezegd wezen. Gewichtig in de hand, royaal van bladspiegel, helder van typografie, fraai van verluchting - een boekenkast vol scheefgegroeide paperbackruggen kan er weer een beetje gezag aan ontlenen.

Ze zijn zoals bekend geordend naar vier historische 'ijkpunten': dwarsdoorsneden van het Nederlandse culturele leven in en rond de jaren 1650, 1800, 1900 en 1950. Een voorwoord van de voorzitter van de stuurgroep (in elk deel letterlijk herdrukt, alsof het om een foldertekst ging) licht de keuze summier toe: 1650 als het hoogtij van de politieke, economische en culturele macht van de Republiek, 1800 vanwege de oriëntatie op de (kleine en tamelijk onmachtige) nationale eenheidsstaat, 1900 als startpunt van een 'tweede gouden eeuw', en 1950 ten slotte als het moment waarop het koninkrijk zich opmaakt om uit de misère van een meedogenloze oorlog te herrijzen tot een welvarend en niet langer afzijdig lid van de internationale volkerenfamilie.

Over die keuze valt uiteraard te twisten, en we mogen aannemen dat daar in het slotdeel nog het nodige over toegelicht en verantwoord zal worden. Maar los daarvan: in hoeverre kun je de gekozen peiljaren werkelijk beschouwen als keer- of omslagpunten in de Nederlandse geschiedenis - om het door Jan Romein gemonopoliseerde begrip breukvlak nog maar te vermijden? Wat precies veranderde in die jaren, of wat gistte er, welke nieuwe samenlevingsdromen werden er gedroomd, welke nieuwe perspectieven geopend, welke daden gesteld om de steven te wenden?

'Eén ding is zeker', besluit de stuurgroepvoorzitter zijn tot vier keer toe herhaald woordje vooraf, 'in driehonderdvijftig jaar is meer veranderd dan men zich doorgaans realiseert. Misschien is ook meer hetzelfde gebleven dan men vermoedt.'

Dat klinkt schaapachtiger dan waarschijnlijk werd bedoeld, maar het dekt in zoverre de inhoudelijke lading van de vier ijkpuntendelen, dat daarin de continuïteit in meer dan drie eeuwen Nederlands samenleven het glansrijk wint van de politieke, economische, technologische, culturele en religieuze (aard)verschuivingen waaraan volk en vaderland zich in al die tijd toch ook hebben moeten aanpassen.

In hun aflevering over 1650 somden Willem Frijhoff en Marijke Spies de ideale voorwaarden op waaronder de Verenigde Nederlanden na de Westfaalse vrede aan hun ongekende bloei;jaren konden beginnen, en ze concludeerden: 'Kortom, een samenleving waarin de horizontale bindingen, de deling van macht, belangrijker waren dan de verticale, de monopolisering van macht. Waarin niet bevel, maar onderhandeling de dominante vorm van omgang tussen belanghebbenden was.'

Een overlegcultuur, met andere woorden. Of een discussiecultuur, naar een woord dat ook in de delen over 1800, 1900 en 1950 bij herhaling opduikt. Ofwel, met het drassige woord dat inmiddels de halve wereld heeft bereikt: het poldermodel.

Aan de waardevastheid van dat (door Huizinga enigszins vergeten) Nederlandse geestesmerk hoeft misschien niet getwijfeld te worden. Maar je kunt je afvragen wat er met het toverwoord wordt miskend, wat er mee wordt gecamoufleerd of veronachtzaamd. Het beeld dat de tot dusver verschenen peiljaar-delen van de Nederlandse samenlevingscultuur opriep, was dat van een gemeenschap waarbinnen elk mogelijk conflict uitgediscussieerd, uitonderhandeld of uitgeruild werd alvorens überhaupt de kans te krijgen een keer uit te barsten.

Maar was er dan in 1650 - begin van het stadhouderloze tijdperk-De Witt - geen sprake van een heftige richtingenstrijd tussen 'kleine' Oranjeklanten en arrogante 'staatse' regenten, of van een kerkelijke controverse tussen de gereformeerde meerderheid en een iets vrijzinniger minderheid, om nog maar te zwijgen over de discriminatie van een groot, rooms volksdeel?

Woedde er rond 1900 geen klassenstrijd, die nog tot ver in de 'tweede gouden eeuw' voor stakingen, muiterij, verzet en oproer zou zorgen? En tekende zich na 1950 - de verwerking van de oorlog nog op geen stukken na begonnen, de desillusies en de frustraties over het verloren Indië nauwelijks te boven - niet een scheiding der geesten af tegen het decor van de koude titanenoorlog tussen het vrije Westen en het communistische Oosten?

Je moet die dingen, zolang je het over de Nederlandse cultuur hebt, misschien niet overdrijven - maar je zou ze toch op z'n minst voortdurend op de achtergrond willen vermoeden. En dat is - afgezien van de onmiskenbare afzonderlijke merites van de boeken - het meest opvallende aan de ijkpunten 1650, 1900 en 1950: de permanente afwezigheid van donkere wolken boven hetzij de Noordzee, hetzij de landsgrenzen tussen Nieuweschans en Wuustwezel. Of om het polderachtige slotdansje uit Vondels Leeuwendalers te citeren: 'De heemraad leit den Haat aan toom, de koeien geven melk en room, het is al boter tot den boom, men zingt al pays en vree.' Maar de Leewendalers waren ook bedoeld om het einde van de Tachtigjarige Oorlog te vieren.

Voor het recent verschenen vierde deel in de reeks - 1800: Blauwdrukken voor een samenleving - geldt een en ander a fortiori. Bij Joost Kloek (hoogleraar sociale geschiedenis in Utrecht) en Wijnand Mijnhardt (hoogleraar cultuurgeschiedenis aan dezelfde universiteit) heeft de vreedzame overlegtraditie het zelfs gebracht tot 'contouren van een communicatiegemeenschap', wat haast het toppunt van conflictloosheid voorspelt.

MET DE geschiedschrijving van Nederland op het breukvlak van de achttiende en negentiende eeuw is het, naar een bekende klacht van E.H. Kossmann, al tweehonderd jaar lang 'tobben' geweest voor historici die er maar niet in slaagden 'de patriottenstrijd in een coherente interpretatie en een meeslepende vertelling samen te vatten', dus ook nooit méér op tafel wisten te brengen dan 'een flauw gerecht.'

Bij gebrek aan drama?

Dat is natuurlijk één ding. Wel een 'revolutie' - zelfs ruim vóór de Parijse Bastille werd bestormd! - maar eentje die in geen enkel opzicht in de schaduw kon staan van de Franse, en de heroïek miste van de Amerikaanse opstand, dus zeker die van onze eigen tegen Spanje, en die bovendien geen druppel bloed kostte; zodra de koning van Pruisen zijn stadhouderlijke zwager Willem met grof geschut te hulp was geschoten, hadden de rebellen hun excercitiekorpsjes verlaten om de grens over te vluchten.

Dat was dus geen omwenteling die tot de verbeelding kon spreken, of ooit tot heldendichten, opera's, schilderijen of monumentale gedenktekens had kunnen inspireren. Ze liet zegge en schrijve één inmiddels verschoten schoolplaat na: prinses Wilhelmina, aangehouden (en ook niet meer dan dat) bij Goejanverwellesluis.

Maar welke Nederlander, patriot of niet, had het drama in 's hemelsnaam moeten ontketenen?

Busken Huet koesterde ook op dat punt geen illusies:

'Het heeft Nederland', schreef hij in 1881, 'zeer benadeeld dat het in den overgangstijd van de achttiende op de negentiende eeuw, terwijl de engelsche vijand en de fransche bondgenoot onder het plegen der lakenswaardigste handelingen, eene onstuimige geest- en veerkracht ontwikkelden, uit ons midden niemand is voortgekomen die gezegd kan worden tegen de omstandigheden opgewassen te zijn. Pieter Paulus, generaal Daendels, Rutger Jan Schimmelpenninck, Gijsbert Karel van Hogendorp, Anton Reinhard Falck, Joan Melchior Kemper, Johannes Kinker, waren geen mannen van den eersten rang. Ook koning Willem I niet. Met uitzondering van Van Goens en Bilderdijk zijn alle Nederlanders dier dagen middelmatig geweest. Eene oude vrouwezamenleving, en eene opeenvolging van oude vrouwegouvernementen, moesten het hoofd bieden aan gebeurtenissen die voor een klein volk naauwlijks te staan geweest waren door een onverschrokken en vindingrijk heldegeslacht.'

Vijftig jaar na Huet zou Huizinga het hem in iets bredere en omzwachtelder bewoordingen nazeggen.

Bij een toespraak ter gelegenheid van honderd jaar koninkrijk deed hij z'n publiek van 1913 een bekentenis. 'Ik begrijp den Nederlandschen mensch van 1813 toch eigenlijk niet', zei hij. 'De Bataaf van 1795 is mij een marionet, en de man der restauratie een Chineesche schim, en ver naar beide kanten breidt zich de mist van mijn onwetendheid uit.'

En op de retorische vraag naar 'grooten' uit het tijdperk, verzekerde hij: 'Ze zijn er niet. Het is armoede op de straten van Amsterdam en armoede in de geestelijke beschaving. Naar zuiver verstandelijk-geestelijke maatstaven gemeten, gelijk men in den tijd der Verlichting zelf deed, beduidt de 18de eeuw in Nederland zoo goed als elders vooruitgang op de 17de. Wij willen het gaarne als vooruitgang waardeeren, maar ons hart vraagt naar iets anders.'

Tegen het imago van zoveel lauw- en flauwheid lijkt nauwelijks op te boksen. Ook de meest recente publicaties over het Nederland van rond 1800 beginnen als het ware nog altijd met een handicap, nog steeds vanuit het defensief. Dezelfde Kossmann van hierboven besprak in 1981 een heruitgave van het beroemde anti-Oranje-pamflet dat de patriotse jonker Derk van der Capellen tot den Poll twee eeuwen eerder 'Aan het Volk van Nederland' had gericht, en verzuchtte:

'Ondanks het vele en voortreffelijke onderzoek over dit hele tijdvak dat de laatste decennia is gedaan, is het ons nog steeds zeer vreemd. We horen de mensen die erin optreden wel luid en schel en verschrikkelijk veel praten, we zien hen heftig ruzie maken, maar zijn wij werkelijk in staat de diepte van hun politieke hartstochten, de omvang van hun politieke idealen, de nauwkeurigheid van hun politieke fantasie te schatten?'

Luid en schel en verschrikkelijk veel praten: poldermodel, discussiemaatschappij, communicatiegemeenschap - en schimmigheid over wat een politieke cultuur zou zijn geweest, als die er al is geweest.

Kloek en Mijnhardt geven op die laatste vraag geen antwoord. Na een bondig 'panorama' over de staatkundige en diplomatieke ontwikkelingen in de Republiek tussen de glorietijd van de zeventiende eeuw, en het definitieve einde in 1810 toen het land door Napoleon werd ingelijfd, is in de resterende 550 bladzijden van hun boek niet of nauwelijks meer sprake van politieke ontwikkelingen. De mannen van onze eerste grondwet (1798) komen twintig maal zo weinig voor als Justus van Effen die in 1800 al meer dan zestig jaar dood was, Schimmelpenninck lijkt een quantité négligeable vergeleken met Betje Wolff en Agatha Deken, Daendels (die op gezag van Napoleon tenslotte nog een blauwe maandag gouverneur-generaal van Indië is geweest) wordt één keer genoemd, en niet eens in relatie tot onze kolonie, die tijdelijk niet schijnt te hebben bestaan. De niet geringe Gogel, die in 1809 een belastingstelsel ontwierp dat tot in de twintigste eeuw vigeerde, komt alleen maar terloops ter sprake, want ook de (droevige) Bataafse economie laten de auteurs nogal links liggen.

HET ZIJN keuzes, en die mogen op zichzelf gerespecteerd worden: je schrijft onleesbare geschiedenis als je niet kunt kiezen.

Maar als je in een reeks over de Nederlandse cultuur in Europese context kiest voor een begrensd cultuurbegrip waarin bovenal onderwijs en wetenschap, religie en filosofie, en kunst en letteren aan bod komen, moeten onze voorouders van 1800, omringd als ze waren door het Engeland van Watt, Rutherford, Goldsmith, Locke en Walter Scott, het Frankrijk van Voltaire, Rousseau, Montesquieu, Diderot en De Laclos, en het Duitsland van Goethe, Schiller, Herder en Fichte, er wel ontzettend bekaaid afkomen.

'Wij vragen bij de schatting van een historisch cultuur tijdperk', zei Huizinga in z'n eerder geciteerde jubileumtoespraak, 'wat uit die cultuur voor ons thans nog onmiddellijke levenswaarde heeft behouden' - en je kunt hoog springen of laag springen, maar noch de spectatoriale geschriften van Van Effen, noch de satires van de 'verlichte' journalist Gerrit Paape, noch de geschriften van de Kantiaan Johannes Kinker, noch de verzen van onze enige echte romanticus Rhijnvis Feith, noch zelfs de charmante brievenroman Sara Burgerhart kunnen in gemoede worden gerekend tot cultuurgoederen die ook nu nog 'onmiddellijke levenswaarde' zouden hebben.

Kloek en Mijnhardt willen dat niet verhelen. Des te dapperder, zou je kunnen zeggen, dat ze de 'eer' van hun tijdperk tegen de verdrukking in hoog hebben willen houden. Dat is niet ironisch bedoeld. Bij alle kritiek die op hun aanpak en hun keuzes denkbaar is, mag hun studie geprezen worden om de indrukwekkende hoeveelheid feiten en wetenswaardigheden die ze hebben aangedragen over een samenleving die aan de ene kant - waar het om de instituties van de oude Republiek ging - in staat van ontbinding verkeerde, maar waar aan de andere kant van alles en nog wat in 'aantocht' was.

Aan uitwisseling van ideeën - discussiecultuur tenslotte - heeft het in die jaren niet ontbroken, aan vruchtdragende invloeden van buiten evenmin. Nieuwe gedachten over de plaats van de burger (in 'morele' zowel als in juridische zin), over het onderwijs, over het informatieverkeer, over de nationale eenheidsstaat of over de betekenis van de nationale taal krijgen in het boek - dat een bewonderenswaardige informatiedichtheid kent - elk hun plaats.

Maar op geen enkel van die terreinen speelde Nederland een andere rol dan die van geïnteresseerde 'ontvanger', en de blauwdrukken die waarschijnlijk bij tientallen werden bedroomd, bepraat en bezongen in al die Nutsgezelschappen, leesgenootschappen en dichterssociëteiten die het land rijk was, kwamen nooit en nergens van de tekentafel, zetten ogenschijnlijk niemand ooit in vuur en vlam en zouden in feite pas in de jaren dertig van de negentiende eeuw de fase bereiken van uitvoerbare so;ciaal-politieke (lees liberale) hervormingsplannen.

Rond 1800, terwijl de wereld op haar kop stond, zat Nederland op z'n praatstoel. Het is in hun ogen misschien een heidens, revisionistisch beeld, maar ondanks al hun nijvere pogingen krijgen Kloek en Mijnhardt het niet geretoucheerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden