Nederland wintersportland

De Winterspelen bestaan uit vijftien sporten: acht op ijs, zeven op sneeuw. Voor Nederland telde er de laatste decennia maar één: schaatsen.


De hardrijders waren vanaf 1952 verantwoordelijk voor 82 van de 86 medailles. Geen land veroverde meer eremetaal op de langebaan. Alleen de VS hebben meer gouden medailles gewonnen dan Nederland: 29 om 27.


Dat kan in Sotsji veranderen. Sven Kramer en Ireen Wüst lijken van plan een Nederlandse gold rush te ontketenen. Het record van elf medailles uit Nagano, in 1998, kan worden verbeterd. Maar langebaanschaatsen is niet de enige sport die eremetaal kan opleveren. Voor het eerst heeft Nederland ook kanshebbers in drie andere sporten: shorttrack, snowboarden en bobsleeën.


De onverwachte gouden medaille van snowboardster Nicolien Sauerbreij, vier jaar geleden, blijkt geen incident. Nooit eerder deden zo veel Nederlandse sporters mee aan de Winterspelen als in Sotsji: 41.


Het heeft er alle schijn van dat Nederland een wintersportnatie aan het worden is, ondanks de karige medaillescore in andere sporten. Voor de zege van Sauerbreij werd alleen in het kunstrijden driemaal eremetaal veroverd: in 1960, 1964 en 1976.


Dat is minder gek dan het klinkt. Winterse kou is al lang niet meer nodig om te kunnen schaatsen. Sterker nog: het langebaansucces van Nederland is pas op gang gekomen na de introductie van het kunstijs, ruim vijftig jaar geleden. Door de groei van het aantal overdekte banen nam het succes ook toe.


Voor sneeuw lijkt hetzelfde op te gaan. Nederland heeft altijd veel ski- en snowboardliefhebbers geteld: jaarlijks gaan een miljoen mensen op wintersport. Maar de afgelopen vijftien jaar is het aantal kunstbanen fors gegroeid. Zowel binnen als buiten kan worden geoefend op borstel-, rol-, plastic- en kunstsneeuwbanen. De sneeuwhal Snowworld in Landgraaf trekt 's zomers zelfs buitenlandse topskiërs, omdat ze de sneeuw er beter vinden dan die op Alpengletsjers.


Dat de nabijheid van goede faciliteiten van doorslaggevend belang is voor de ontwikkeling van sporttalent, staat voor veel trainers vast. Veel topschaatsers zijn in de buurt van een ijsbaan opgegroeid: Sven Kramer (Thialf), Ireen Wüst (Tilburg), Mark Tuitert (Deventer), Jorien ter Mors (Enschede). Voor shorttrackers geldt hetzelfde: Zoetermeer en Heerenveen brengen verhoudingsgewijs veel talent voort. In het snowboarden valt die trend ook op.


Het is niet meer dan logisch volgens Jeroen Otter, de shorttrackbondscoach die bij zijn zevende Winterspelen tien schaatsers begeleidt, bijna een kwart van de Nederlandse ploeg. 'Usain Bolt was ook nooit een topsprinter geweest als hij in Amerika was geboren. Dan had hij ergens American football gespeeld. En als Sven Kramer in Lutjebroek was geboren, had niemand van hem gehoord. Daar is geen ijs.'


De nabijheid van faciliteiten is een belangrijke voorwaarde om talent te laten kennismaken met een sport, maar het is niet de enige voorwaarde voor succes in de topsport. Er is ook geld voor nodig: van de overheid, het bedrijfsleven, de Lotto of de sportbonden.


Het shorttrack heeft kunnen profiteren van de successen op de langebaan, die vele miljoenen sponsorgeld hebben opgeleverd. De schaatsbond KNSB heeft acht jaar geleden doelbewust ingezet op olympisch succes in de tweede schaatssport door in Heerenveen een voltijdsprogramma met een fors budget te creëren voor toptalenten.


Het snowboarden heeft veel te danken aan eigenzinnige ondernemers als Koos Hendriks. Die weet skihallen te exploiteren zonder torenhoge subsidies te ontvangen. Dat lukt ijsbanen niet. De snowboarders hebben hun talent ook tot wasdom kunnen brengen dankzij het geld dat de Nederlandse skivereniging en sportkoepel NOC*NSF hebben vrijgemaakt voor topsportprogramma's.


Dat laatste geldt ook voor het bobsleeën, de kleinste van alle wintersporten. Een bobbaan heeft Nederland niet, maar de laatste vijftien jaar is wel een bobcultuurtje ontstaan rondom (voormalige) baanatleten. Sinds 2005 ligt er een startbaan in Harderwijk, waarop de cruciale eerste meters van een afdaling eindeloos kunnen worden geoefend. Bedrijven als Eurotech en DSM houden zich sinds 2008 bezig met de ontwikkeling van snel materiaal.


Zal Nederland verder groeien als wintersportland? Gemakkelijk is dat niet. Voor langlaufen blijft veel natuurlijke sneeuw nodig, voor alpineskiën is behoefte aan hoge bergen, voor ijshockey is een sterke competitie noodzakelijk en voor kunstrijden een streng trainingsregime vanaf jonge leeftijd. Na de medailles van Sjoukje Dijkstra, in 1960 en 1964, en Dianne de Leeuw, in 1976, bleek de wereldtop op kunstschaatsen onhaalbaar.


Toch is het niet onmogelijk dat Nederlanders in de toekomst ook in de meest prestigieuze wintersporten uitblinken. Sommige Nederlanders groeien op in de bergen. De beste skiër ter wereld, de Oostenrijker Marcel Hirscher, had kunnen uitkomen voor het geboorteland van zijn moeder Sylvia. Hij beschikt over een Nederlands paspoort, maar koos voor Oostenrijk.


Marvin van Heek maakte een andere keuze. Hij groeide op in het Franse skigebied Val Thorens, maar komt uit voor Nederland. Hij staat te boek als een van de grootste talenten op de afdaling, het koningsnummer van het alpineskiën. Hij wordt financieel al fors ondersteund door de skibond. In Sotsji mag hij nog niet meedoen, maar over vier jaar heeft Nederland wellicht ook medaillekansen op de gevaarlijkste piste.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden