Nederland op zoek naar zijn plaats in Europa

Onder het motto 'herijking van het buitenlands beleid' is Nederland onder leiding van het paarse kabinet begonnen aan een zoektocht naar zijn plaats in een veranderde wereld, Europa in het bijzonder....

TIJDENS de kabinetsformatie van vorig jaar konden de onderhandelaars het niet eens worden over de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking en defensie. In een onbewaakt ogenblik besloten ze toen tot een 'herijking' van het gehele buitenlandse beleid. Uit die herijking zouden de prioriteiten (en dus de verdeling van het geld) als logische conclusies voortvloeien.

Het leek eenvoudiger dan het was. Minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken erkende onlangs dat 'de herijking is voortgekomen uit onmacht'. Of de herijking die onmacht zal opheffen, valt ook nu nog niet te voorspellen.

Wat begon als een conflict over de centen groeide uit tot veel meer. Op de achtergrond staat de onzekerheid over de manier waarop Nederland zich in Europa en de wereld moet opstellen. Dat de wereld en Europa grondig zijn veranderd - daarover is iedereen het eens. Over de consequenties nog niet.

Politiek is er een dubbel probleem. De elite die op het terrein van de buitenlandse politiek de dienst placht uit te maken, is verdeeld over de vraag hoe het verder moet. Tegelijkertijd is er een kloof ontstaan tussen deze elite en een publiek dat zich ongerust begint te maken over de toekomst van het land.

Een van de oorzaken van die dubbele problematiek is een erfenis die nog steeds niet geheel is opgeruimd. Die erfenis is de Europa-retoriek waarvan Nederland zich tientallen jaren bediende. Het Nederlandse ideaal was een supranationaal Europa: Europa als federale superstaat waarin de afzonderlijke landen niet meer zouden zijn dan provincies of deelstaten. Geregeerd door een Europese regering, waarvan de Europese Commissie de voorloper was.

Aan de conclusie dat het veelbezongen Nederlandse 'europroject' is mislukt, valt niet meer te ontkomen. Met het Verdrag van Maastricht werden aan de 'oude' Europese Gemeenschap nieuwe beleidsterreinen toegevoegd die niet op federale leest zijn geschoeid, maar intergouvernementeel worden georganiseerd. In plaats van het, door Nederland gewenste, supranationale Europa het gesmade 'Europa der Staten'.

Over de Nederlandse Europa-erfenis is een belangwekkend debat gaande. Want was de Nederlandse opstelling wel echt zo idealistisch en zelf-opofferend als het leek, of dienden de hooggestemde Europese idealen als de gepaste omschrijving voor een nationale belangenpolitiek?

Sommigen beweren dat Nederland voor de supranationale gedachte koos als middel om de Europese politieke integratie juist te kunnen frustreren. In ieder geval gold ook hier dat niet alles goud is wat er blinkt. Van de pragmaticus Van Mierlo stamt (uit december 1991, toen hij nog lang geen minister van Buitenlandse Zaken was) de uitspraak: 'Ik moet ook zeggen dat ik altijd vraagtekens heb gezet achter de oprechtheid van velen in het Nederlandse streven naar een supranationaal Europa. Ik heb het wel eens zo geformuleerd: de meest ideale vorm van Europa nastreven, is ook de beste manier om het tegen te houden.'

De suggestie van VVD-leider Bolkestein dat Nederland geen oog had voor het eigen belang, moet met een lepeltje zout worden geconsumeerd.

OP de publieke opinie in eigen land werkte de officiële propaganda intussen fnuikend. De pleidooien van Dankert en andere Europese geloofsijveraars wekten de indruk dat de Nederlandse politici streefden naar een zo snel mogelijke opheffing van het eigen land. Toen na 'Maastricht' plotseling duidelijk werd dat er belangrijke zaken aan de orde waren, werd een onderstroom van wantrouwen tegen de Europese eenmaking merkbaar. In korte tijd werd Nederland van het meest pro-Europese land tot het land met de laagste opkomst bij de Europese verkiezingen: 35 procent in 1994.

De eerste reactie op dit fenomeen - dat zich niet tot Nederland beperkte - luidde dat de politici hadden vergeten de burgers voldoende in te lichten. Voortaan moest het debat vóóraf worden gevoerd, en niet pas nadat de verdragen waren getekend. Sindsdien is gebleken dat er meer aan de orde is dan een tekort aan voorlichting.

In laatste instantie gaat het debat om de vraag: Nederland, wat willen we ermee? Niet voor niets kwam in het lopende debat allereerst de kwestie van de Nederlandse natiestaat aan de orde. De natiestaat is de historische context waarbinnen de politieke democratie en de sociale verzorgingsstaat groeiden en in stand worden gehouden. Een prangende vraag is of er op Europees niveau structuren - met voldoende legitimiteit en draagvlak - in het verschiet liggen die deze functie kunnen overnemen. Voorlopig ziet het daar niet naar uit.

Als dit juist is, dan zal de Nederlandse staat ook in de toekomst een onmisbaar instrument blijven voor het inbrengen van de belangen van de open Nederlandse samenleving in de noodzakelijke Europese samenwerking. Welke zijn die belangen?

In feite komt de herijking erop neer dat Nederland - zoals op eerdere momenten in zijn geschiedenis - zichzelf ertoe dwingt de eigen identiteit opnieuw te formuleren. Sommigen schrikken daarvan en vrezen dat de deur wordt opengezet voor een golf van nationalisme. Dat hoeft echter niet het geval te zijn. Waarschijnlijk was de Nederlandse identiteit lange tijd gewoon zo vanzelfsprekend dat het niet nodig was erover te spreken, en was dat de essentie van die identiteit. In tijden van grote verschuivingen valt die stilzwijgende vanzelfsprekendheid weg.

Aan grote verschuivingen is nu geen gebrek, extern zowel als intern. Internationaal schuift Amerika van Europa weg en is het verenigde Duitsland bezig de dominante macht op het Europese continent te worden, al is dat deels tegen wil en dank.

INTERN is Nederland van een verzuild, maar juist daardoor gepacificeerd en homogeen land een geïndividualiseerd, ontkerkelijkt en multi-etnisch geheel geworden: heftig op zoek naar nieuwe samenhangen en een stevig fundament voor een moderne multiculturele samenleving. Het binnenlandse en het buitenlandse debat grijpen daarmee onvermijdelijk in elkaar.

De nieuwe omstandigheden maken dat Nederland er niet aan ontkomt eigen plaats en ambities opnieuw te formuleren en zowel de problemen als zijn nieuwe kansen in kaart te brengen. Een paar kwesties laten zich daarbij onderscheiden. We noemen er drie.

De eerste is de anti-continentale traditie. Nederland was lang een handeldrijvende, koloniale en maritieme mogendheid, die naar zee keek en zich op het continent zoveel mogelijk poogde af te schermen. In die positie is een niet-volledige, maar wel belangrijke wijziging gekomen.

Nederland is geen koloniale en ook geen maritieme mogendheid meer, nog wel een handeldrijvende. Nederland is een continentaal Europees land geworden, zij het met een bijzondere positie: de gouden aanlegsteiger van Europa. Dit vereist grote aanpassingen. Om de kansen die er liggen uit te buiten, zal Nederland zichzelf moeten reorganiseren en zijn anti-continentale gevoelens moeten overwinnen.

Een ander probleem is hoe Nederland compensatie kan vinden voor zijn afnemende invloed binnen een steeds grotere Europese Unie. Toen de naoorlogse Europese samenwerking van start ging, was Nederland een van de zes deelnemers en bovendien mede-initiatiefnemer. Inmiddels omvat de Unie vijftien leden, en dat worden er nog meer.

Tezelfdertijd blijkt echter dat de destijds ontworpen organen (Europese Commissie, Europese ministerraad, Europees Parlement) met iedere uitbreiding moeizamer gaan functioneren. Vandaar dat steeds meer de idee opkomt binnen de EU een kopgroep (eventueel zelfs meerdere kopgroepen) te vormen van landen die verder willen gaan dan de andere willen of kunnen.

Het dilemma voor Nederland is hier dat zijn gewicht in een kleiner kern-Europa waarschijnlijk groter zal zijn, maar de vorming van een kopgroep ook kan leiden tot het uiteenvallen van de thans bestaande Unie en daarmee van de voor ons belangrijke, interne Europese markt.

Een derde hamvraag is de verhouding tot Duitsland. Op welke voorwaarden, en in welke mate, moet Nederland een Duits leiderschap in Europa aanvaarden? Moet Nederland Duitsland aanmoedigen zijn aarzelingen op dit punt te overwinnen?

In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de Frans-Duitse samenwerking de drijvende kracht bij de Europese integratie zal blijven en ook de as zal vormen van een eventueel kern-Europa. Helemaal zeker is dit echter niet. Door het toegenomen gewicht van Duitsland is de relatie tussen Parijs en Bonn (straks Berlijn) nauwelijks nog gelijkwaardig te noemen. Duitsers en Fransen hebben niet dezelfde prioriteiten en zijn het vooralsnog niet eens over de renovatie van het Europese bouwwerk.

Wat wordt de situatie als die overeenstemming uitblijft? Moet Nederland dan met alleen Duitsland in zee en omvat dat dan meer dan een koppeling van de gulden aan de DM?

Ervan uitgaande dat de democratische ontwikkeling ook na de Duitse hereniging onomkeerbaar is, zal het antwoord in een dergelijke situatie waarschijnlijk mede afhangen van de toekomstige verhouding van Duitsland met Amerika. Het slechtst denkbare scenario houdt in dat Duitsland, in het geval van een uitblijven van een richtinggevend akkoord met Frankrijk, zich niet oriënteert op Amerika (het partnership in leadership) maar afglijdt naar een Europese rolverdeling met Moskou.

ALLES bijeen genomen komt het erop neer dat de Nederlandse herijking zich in een fluïde situatie voltrekt. De herijking was bij de kabinetsformatie niet meer dan een procedurele noodsprong. Maar sinds het woord viel, is de geest uit de fles en staat bijna alles ter discussie. Trouwens, wanneer moeten de grote besluiten genomen worden? Nu al, of kunnen we beter nog even de kat uit de boom kijken? Geen eenvoudige kwestie.

Geen wonder dat de bewindslieden menige poging hebben gedaan de verwachtingen te temperen en de geest weer in de fles te krijgen. Dat is begrijpelijk. Ministers kunnen geen bordje 'wegens herijking gesloten' op de deur van hun departement hangen en nieuwe definities van de Nederlandse identiteit komen niet via moties in de Tweede Kamer tot stand.

Toch zou het jammer zijn als het kabinet het debat over de 'filosofische' grondslag van het beleid uit de weg zou gaan. Zo'n debat is onontkoombaar en noodzakelijk. Al is het maar omdat er anders voor geen enkel beleid ooit een draagvlak zal zijn.

Paul Brill en André Roelofs zijn redacteuren van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.