Nederland moet poot stijf houden

Bij de onderhandelingen over de Europese Conventie moet Nederland vasthouden aan één eurocommissaris per land, zegt Frits Bolkestein. Helaas stelt de Nederlandse regering zich te slap op....

De Europese Conventie is in de beslissende fase beland. De Nederlandse regering heeft deze grondwetgevende vergadering lange tijd onderschat. De institutionele kaart van Europa zou niet door een werkgroep van 105 politici uit 25 landen kunnen worden veranderd. Toch gebeurt dat nu. Maar na de monkelende ontkenningsfase is Den Haag nu gehypnotiseerd. Voor het welslagen van de onderneming is men plots bereid door de knieën te gaan.

In drie weken is veel gebeurd. Op 16 april kwamen de 25 regeringsleiders van de (uitgebreide) Europese Unie bijeen in Athene. Zeventien van hen maakten daar diets aan Conventievoorzitter Giscard d'Estaing wat hun wensen waren: ten eerste geen vaste president van de Europese Raad, ten tweede ook in de toekomst één eurocommissaris per lidstaat. Maar dit pleidooi kwam van zeventien kleine landen. En Giscard luistert liever naar de zes groten (Frankrijk, Duitsland, Engeland, Italië, Spanje en binnenkort Polen).

Zo bleek een week later. Op 22 april presenteerde Giscard zijn plannen. Prominent daarin waren de instelling van een vaste voorzitter van de Europese Raad en de verkleining van de Europese Commissie tot vijftien leden: precies wat de groten wilden. Met deze compromisloze opstelling speelde de voormalig Franse president hoog spel; hem werd zelfs 'autisme' verweten. Maar een dag later hadden de critici hun stoom afgeblazen, had de twaalfkoppige stuurgroep van de Conventie de plannen marginaal bijgesteld en kostte het Giscard weinig moeite om, vooruitlopend op het plenaire debat half mei, de overige Conventieleden te charmeren.

Nederland, dat het Atheense kleine-landen-front zelf had opgebouwd, is er inmiddels met België als eerste bij om dat front weer te slopen. De Benelux heeft op 5 mei een alternatief voorstel gepresenteerd, bedoeld als compromis. De premiers Balkenende, Verhofstadt en Juncker blijven zich verzetten tegen het vaste Raadsvoorzitterschap (het speeltje van de groten), maar zien nu af van het beginsel van één commissaris per lidstaat (waar de kleinen aan gehecht zijn) door in te stemmen met een Commissie van vijftien leden, als zoethoudertje aangevuld met vijftien commissarissen zonder stemrecht.

Momenteel hebben de vijf grote landen twee eurocommissarissen en de tien kleinen één. Eerder is afgesproken dat na de aanstaande uitbreiding alle lidstaten één commissaris krijgen. Maar Giscard d'Estaing wil niet dat Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië vanaf november 2004 op dezelfde voet vertegenwoordigd zijn in de Commissie als Luxemburg, Letland of Malta. Hij bepleit daarom dat vanaf 2009 de Commissievoorzitter veertien commissarissen kiest uit 25 (of meer) nationale kandidatenlijstjes, 'rekening houdend met politieke en geografische evenwichten.' In de praktijk zou dit betekenen dat de grote landen altijd een commissaris hebben en de kleine landen slechts een deel van de tijd.

De Conventie dreigde al het overwicht van grote landen in de Raad te versterken (met het vaste Voorzitterschap), maar deze hervorming zou dat overwicht verdubbelen in de commissie. De groten zouden hun oude droom van een 'directoraat' over de kleinen verwezenlijken op twee plaatsen tegelijk.

De Europese Commissie heeft vorige week scherp stelling genomen tegen deze plannen. Mijn collega's en ik hebben bepleit liefst het roulerende Raadsvoorzitterschap te handhaven en hoe dan ook het principe van één commissaris per lidstaat. De Nederlandse regering zou de Commissie hierin moeten volgen.

Waarom schopt Den Haag de bal in plaats daarvan in eigen doel, door een compromis voor te stellen dat ongunstig uitpakt voor de kleine landen? Ik zie twee redenen: onbegrip en angst.

De Europese Commissie, ten eerste, is een eigenaardig orgaan. Ze ziet als 'Hoedster van het Verdrag' toe op naleving van het Europese recht. Ze is tevens de instelling die het 'Europese algemene belang' definieert. Bijvoorbeeld door na uitgebreide Europabrede consultatie van burgers en stakeholders zo evenwichtig mogelijke wetsvoorstellen te doen, die vervolgens door Raad en Parlement worden aangenomen, verworpen of gewijzigd.

Dit is een ingewikkeld proces. Dat Europese algemene belang vinden mijn collega's en ik niet door te staren naar een onpartijdige eurohemel. Het ontstaat in een confrontatie van juridische beginselen, politieke perspectieven en sectorale of nationale deelbelangen. Wie wil dat zijn belang wordt meegewogen, heeft een vertegenwoordiger nodig in het College van commissarissen. Nu gebeurt het dat een commissaris stemt tegen het belang van zijn eigen lidstaat. Dat is de winst van het systeem. Maar het gebeurt ook dat hij of zij dat niet doet. Dat is onvermijdelijk.

Waarschijnlijk redeneert Den Haag: de Commissie is onze vriend, hoe kleiner de Commissie des te sterker (ook dit is overigens onjuist), dus een kleinere Commissie is onze betere vriend - zelfs als we niet meestemmen. Hoe het Nederlands belang wordt meegewogen met een spek-en-bonen-commissaris blijft onduidelijk. Zonder morren gaat men vijf jaar in de wachtkamer zitten kijken hoe anderen hun (en onze!) zaken regelen, in stille hoop dat de God van het Europese algemene belang het beste met ons voorheeft... Tot zover het onbegrip.

Op de angst, ten tweede, stuit men bij de ideeën over verkleining van de Commissie. De Benelux-regeringen zelf houden in hun voorstel van 5 mei nog dapper vast aan egalitaire rotatie (iedereen staat even vaak buiten). Maar dat is onaanvaardbaar voor de grote landen. Een Commissie zonder Frankrijk of Duitsland is ondenkbaar. Als de grote landen hier toch mee instemmen, is dat een teken dat ze de Commissie definitief als quantité négligeable beschouwen. Daar zijn de kleine landen niet bij gebaat.

Vanuit die zorg prijst de Belgische vice-voorzitter van de Conventie Jean-Luc Dehaene het 'VN-model' aan, een onderscheid tussen permanente en roulerende Commissieleden. Ook in Nederland heeft dat aanhangers. Op 22 april adviseerde de prestigieuze Adviesraad Internationale Vraagstukken om de grote lidstaten vaker in de Commissie te laten zitten dan de kleine, omdat 'daardoor de grote lidstaten de Europese Commissie serieus zullen blijven nemen en niet zullen proberen via andere wegen hun invloed veilig te stellen.' Uit angst onbeleefd over te komen geeft men de Commissie weg. Ik kan de AIV verzekeren dat de groten heel goed voor zichzelf kunnen zorgen, ook als negentien kleintjes ze op de vingers kijken.

Er is geen reden de Europese Commissie te verkleinen. Dat is noch in het belang van de Unie noch in dat van Nederland. Doelmatigheid in de besluitvorming kan op andere manieren worden gewaarborgd; zie hoe nationale regeringen dat doen met vaak dertig of meer ministers. In het huidige krachtenveld dient een Europese instelling die beslissingen neemt die alle burgers aangaan, een commissaris te hebben uit elke lidstaat om herkenbaar en geloofwaardig te zijn. Om een sterke supranationale uitvoerende macht te blijven, moet de Europese Commissie alle nationale publieke opinies aanspreken. Het wordt tijd dat Den Haag dit inziet.

Wil de Benelux in het Endspiel van de Conventie kans hebben gelijk te maken, stem dan in laatste instantie in met een Raadsvoorzitter voor de groten, in ruil voor een eurocommissaris voor alle kleinen. Maar het is nu nog veel te vroeg om een dergelijke concessie te doen. Nederland moet eerst nog langdurig de hakken in de klei zetten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden