Nederland legt eer in met idee voor VN-brigade

Er is geen sprake van dat de Veiligheidsraad het Nederlandse idee voor een VN-brigade zou hebben afgewezen. Volgens N.H. Biegman hebben ideeën als deze tijd nodig om te rijpen....

MET de korzeligheid die mij van het begin af aan heeft verwonderd in het Nederlandse debat over Van Mierlo's gedachten over een snel-inzetbare VN-brigade, kopt de Volkskrant op 24 februari dat dit idee door een recent besluit van de Veiligheidsraad 'nog minder reëel' is geworden. Vorming van een snelle interventiemacht zou door de Veiligheidsraad zijn afgewezen.

De Veiligheidsraad heeft echter nog niets afgewezen. In de verklaring in kwestie van de voorzitter van de raad waarin wordt gereageerd op een recent supplement van secretaris-generaal Boutros-Ghali op zijn 'Agenda for Peace', staat eerder het omgekeerde: de Veiligheidsraad herhaalt het belang van de verbetering van de capaciteit van de VN voor snelle inzet en versterking van vredesoperaties.

'Daartoe moedigt zij de secretaris-generaal aan om voort te gaan met zijn bestudering van opties die gericht zijn op het verbeteren van de capaciteit tot zo'n snelle inzet', waarbij dan als eerste prioriteit - maar niet als enige oplossing - wordt genoemd de versterking van de bestaande regelingen voor 'stand-by forces'.

In de slotparagraaf wordt zelfs een oproep gericht aan landen om mee te werken aan dit denkproces: 'De Raad nodigt alle geïnteresseerde lidstaten uit om nadere overwegingen over VN-vredesoperaties in te brengen, en met name inzake middelen om de capaciteit van de VN voor snelle inzet te verbeteren.'

Ik zou hier niet over zijn gevallen als het bericht van 24 februari niet symptomatisch was geweest voor een breder misverstand dat ten grondslag ligt aan een goed deel van de Nederlandse (niet de internationale) discussie over dit onderwerp.

Het probleem is dat er noodsituaties voorkomen waarbij ook de landen die troepen hebben beloofd aan de VN onder 'stand-by arrangements' ten slotte niet bereid blijken om deze in te zetten: te gevaarlijk, te ver weg, of hoe of wat ook. Dat gebeurde vorig jaar in Ruanda, en het resultaat hebben we gezien.

Er is daarom behoefte aan een bescheiden troepenmacht waarmee de VN zo'n crisis tijdig de kop kan indrukken, en waarvan onmiddellijke inzet, direct na een besluit van de Veiligheidsraad, gegarandeerd is. Voor de inzet van 'stand-by' eenheden is nog steeds de toestemming nodig van het land dat ze ter beschikking moet stellen, en die toestemming wordt dus wel eens geweigerd met alle gevolgen van dien.

Daarom heeft Nederland de suggestie gedaan een VN-brigade in het leven te roepen die bestaat uit militairen die individueel een contract aangaan met de Verenigde Naties, op dezelfde voet als het personeel van het secretariaat. Alleen op zo'n brigade zouden we onder alle omstandigheden kunnen rekenen.

Aan de uitvoering van dit idee zitten natuurlijk talloze technische en financiële haken en ogen, al is het ook niet goedkoop om een crisis op zijn beloop te laten. Zie opnieuw Ruanda. Het is ten slotte mogelijk dat de wereldgemeenschap vindt dat in de noodzakelijke gegarandeerde inzet op een andere manier kan worden voorzien, of dat het voorkomen van een nieuw 'Ruanda' al deze moeite niet waard is. Maar zo ver zijn we nog niet, en wat op dit ogenblik gebeurt is dat de gedachte in internationaal verband wordt uitgewerkt en getoetst.

Hoe gaat dat in deze organisatie van 185 landen: de gedachte wordt gelanceerd, uitgewerkt met andere geïnteresseerde landen, gecombineerd met gedachten die elders leven, waar mogelijk aangepast aan de wensen van een meerderheid, nog eens opgekookt, ingedikt, omgeroerd. Zoiets duurt hier altijd jaren, en wat irreëel zou zijn, is niet het idee zelf maar de verwachting dat het binnen een half jaar zou kunnen worden gerealiseerd.

Hoe staat het er nu precies mee? Om te beginnen is het idee door Van Mierlo's eigen ambtenaren en die van Defensie, in contact met medewerkers van de VN-missie in New York, uitgewerkt tot een discussiestuk dat als basis kon dienen voor het peilen van de gevoelens van een aantal andere VN-delegaties: de partners in de Europese Unie, andere belangrijke westelijke landen, landen uit de Derde Wereld en Oost-Europa.

Met hen zijn twee discussieronden gehouden: een in november, en een, op basis van een nader uitgewerkt stuk, in februari. Tegelijkertijd zijn er besprekingen geweest met Canada, dat bezig is met een wat bredere studie over 'rapid deployment' voor de VN, waar de Nederlandse geachten een onderdeel van zouden kunnen vormen.

In maart volgt een seminar met een wat meer wetenschappelijk karakter in Clingendael. Daarna wordt bezien wat de beste manier is om de discussie VN-breed, in de Algemene Vergadering dus, op gang te brengen.

De reacties zijn als volgt. Om te beginnen lijkt het erop dat wij met Canada tot zaken kunnen komen, in die zin dat in de loop van het jaar sprake zou kunnen zijn van een gezamenlijk initiatief. De Canadezen - geen irreële dromers - zijn zeer geïnteresseerd in de VN-brigade als een van de opties. Wij zijn niet vastgebakken aan alleen ons idee maar doen ook graag mee aan de discussie over andere mogelijkheden die VN-troepen snel ter plaatse kunnen brengen. Het een versterkt het ander.

Een aanmerkelijk aantal landen, met inbegrip van enkele permanente leden van de Veiligheidsraad, is geïnteresseerd en bereid om mee te denken bij de verdere uitwerking. Hun opstelling is min of meer: jullie hebben een reëel probleem bij de kop. Of jullie suggestie ook de beste oplossing is kunnen we nog niet zeggen, maar ga vooral door. Deze landen zullen hier dan ook nadrukkelijk bij betrokken blijven.

Groot enthousiasme is gebleken bij de kleine eilandstaten in het Caribische gebied; een formaat landen waar inzet van een brigade (van ongeveer vijfduizend man) inderdaad van doorslaggevende betekenis zou kunnen zijn. Zij stellen dat het gezien hun enorme kwetsbaarheid van groot belang zou zijn dat als zij in nood komen hier op de vereiste korte termijn iets aan kan worden gedaan. Het zou hun een veilig gevoel geven. Ik vond dat prettig om te horen, en om bevestigd te zien dat wij met iets zinvols bezig zijn in de ogen van degenen die er iets aan kunnen hebben.

Veel landen beginnen zich nu pas te realiseren waar het allemaal over gaat - er is nogal wat gaande in New York, en de gedachtenvorming komt hier altijd geleidelijk op gang. Deze landen verzetten zich niet tegen het idee, maar ze hebben andere dingen aan hun hoofd. Over het algemeen moedigen zij ons aan om voort te gaan met de uitwerking.

DAN zijn er inderdaad een paar landen die van de VN-brigade vooralsnog niet veel moeten hebben. Dat zijn om te beginnen enkele van de grotere ontwikkelingslanden. Ik heb de indruk dat dit veel te maken heeft met hun kritiek op samenstelling, reilen en zeilen van de Veiligheidsraad, die zij zien als een door het geïndustrialiseerde Westen beheerst instrument dat de neiging heeft om zich hinderlijk bezig te houden met hun binnenlandse aangelegenheden.

Alles wat deze Veiligheidsraad extra tanden geeft, wordt met wantrouwen bekeken, en eigenlijk benaderen zij bijna alle nieuwe ideeën in de VN, ook op niet-veiligheidsgebied, vanuit een negatieve grondhouding. Dat wil niet zeggen dat er niet met ze te praten valt, maar het begin is altijd moeilijk.

En tenslotte, om toch één land met name te noemen, de VS. Het mag niemand verwonderen dat de Amerikanen, zeker in de eerste honderd dagen van het nieuwe Congres dat de VN in de kern van zijn vijandbeeld heeft opgenomen, niet staan te springen om een nieuwe VN-activiteit die geld kost. Hier is de conjunctuur op het ogenblik ronduit slecht. Dat is vervelend, maar hoeft niet rampzalig te zijn voor een gedachte die hoe dan ook nog enige tijd op het vuur zal staan.

Alles bij elkaar heb ik de stellige indruk dat Nederland met zijn bijdrage aan de gedachtenvorming binnen de VN eer heeft ingelegd, en dat onze actie door het merendeel van de lidstaten wordt gewaardeerd.

Dr N.H. Biegman is ambassadeur bij de Verenigde Naties in New York.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.