Nederland kijkt weg van Europa

Nederland heeft zich buiten spel gezet in het debat over de toekomst van de EU en een Europese Conventie, menen J.Q.Th....

Vorige week presenteerde de voorzitter van de Europese Conventie, de Franse ex-president Giscard d'Estaing, het voorontwerp van een constitutioneel verdrag voor de EU. Daarmee is het debat over de toekomst van Europa op scherp gezet. Het woord is nu aan de voltallige Conventie en daarna aan de lidstaten om zich over de inrichting van een Unie met steeds meer lidstaten uit te spreken.

Oppervlakkig beschouwd zou deze exercitie moeten resulteren in een meer federaal Europa. Werd de Conventie immers niet in gang gezet vanwege de teleurstellende resultaten van het Verdrag van Nice? Door nu de voorbereiding van een nieuw verdrag aan de lidstaten te onttrekken zou de Europese eenwording beslissend kunnen worden voortgestuwd.

Het voorontwerp van Giscard lijkt ook in deze richting te wijzen. Europa zou een constitutie moeten krijgen: een grondwettelijk verdrag met zowel een nationaal als Europees burgerschap. Hij suggereert om voortaan over de Verenigde Staten van Europa te spreken. De Conventie zou dan ook dezelfde rol moeten spelen als de grondwetgevende vergadering die tot de Verenigde Staten van Amerika leidde. Wie deze geluiden combineert met voorstellen voor een Europese president en een Europees Congres zou allicht kunnen concluderen dat de Europese Unie op de drempel staat haar federale roeping te vervullen.

Niets is minder waar. Waar federale retoriek wordt gebezigd lijkt deze toch vooral een sterker wordende intergouvernementele tendens te verhullen. Dit laatste blijkt uit de vele voorstellen van de kant van de grote lidstaten om de positie van de raad van ministers en bovenal van de Europese Raad te versterken. Het huidige roulerend voorzitterschap zou moeten worden afgeschaft, waarbij de Europese Raad zou moeten worden voorgezeten door een Europese president, gekozen door de lidstaten. Frankrijk, Spanje en Groot-Brittannië steunen dit idee. Duitsland zit, zoals gewoonlijk, op de wip.

Invoering ervan zou de positie van de (grote) lidstaten versterken en de Europese Commissie, overeenkomstig een aloude Franse wens, tot een uitvoerend orgaan degraderen. De teksten die tot nu toe zijn verschenen lijken bovendien vooral te benadrukken wat de EU niet is: geen federatie, maar een samenwerkingsverband van soevereine staten. Ook het document van Giscard heeft vooral tot doel de plaats van de lidstaten in de Unie te verzekeren door grenzen te stellen aan de bevoegdheden van Brussel.

Deze intergouvernementele tendens mag niet verbazen. Die is al langere tijd gaande. En vanuit een deel van de lidstaten werd de behoefte aan een toekomstdebat over de EU toch vooral gevoed door onvrede over het weglekken van soevereiniteit naar Brussel. Die onvrede kan in hun ogen alleen ongedaan worden gemaakt door de lidstaten een grotere stem te geven in Brussel, al was het maar omdat in hun visie het vraagstuk van democratische legitimiteit alleen in het kader van de natiestaat kan worden opgelost.

Daarmee dreigt de Conventie uit te draaien op de klassieke tegenstelling die ook in het verleden pogingen tot hervorming van de Unie heeft gefrustreerd: de tegenstelling tussen de voorstanders van een intergouvernementele benadering en zij die voor een Communautaire Unie zijn. In het eerste kamp spelen Groot-Brittannië en Frankrijk een hoofdrol. In het tweede kamp zitten de kleine lidstaten. Het eerste kamp is aan de winnende hand.

Nederland is van oudsher voorstander geweest van de communautaire aanpak. Natuurlijk bestaan er terecht geen illusies over het verdwijnen van de Europese natiestaat. Maar tegelijkertijd was er de overtuiging dat de Nederlandse belangen het best gewaarborgd zijn in een Europa dat samenwerkt op basis van rechtsregels en afspraken die bewaakt worden door sterke Europese instellingen, de Europese Commissie voorop. Juist dit aspect van de Europese integratie staat zwaar onder druk.

Zo bezien is het pijnlijk dat Nederland zichzelf buiten spel heeft gemanoeuvreerd in het toekomstdebat. Dit zou op het conto van het kabinet-Balkenende kunnen worden geschreven. Immers, een instabiel kabinet met een Europees onervaren premier. Het LPF-smaldeel stond bovendien garant voor de nodige Euro-scepsis. De demissionaire status deed de rest. Toch lijkt er meer aan de hand. Zo heeft Nederland zich reeds onder Paars II op achterstand geplaatst door het toekomstdebat en de Conventie ernstig te onderschatten. Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen deed dit debat af als luchtfietserij. Waar andere landen beseften dat de toekomstige machtsverdeling in de Unie op het spel stond, keek Nederland de andere kant op. Een houding die de positie van Hans van Mierlo als regeringsvertegenwoordiger in de Conventie bij voorbaat tot een onmogelijke maakte.

Nederland heeft daarnaast het afgelopen decennium grote moeite gehad om hoe dan ook tot een heldere Europa-politiek te komen. Ook hier is Paars II illustratief. Voor dat kabinet was Europa toch vooral een kwestie van geld: Nederland als netto-betaler. Voor het overige ontliep Paars II de echte keuzes door zich voor versterking van zowel de Raad van Ministers, de Europese Raad, de Europese Commissie als het Europese Parlement uit te spreken. Waar blijkbaar alles kan, is consistentie en geloofwaardigheid meestal ver te zoeken. Nu kan ook dit uit de samenstelling van de coalitie worden verklaard. Een meer Europese, communautaire benadering vond ook toen al weinig gehoor bij de VVD. En ook Kok en Benschop zochten het niet echt in een sterker Communautair Europa.

Maar ook deze verklaring gaat voorbij aan de werkelijke oorzaak. Die is welbeschouwd gelegen in een Nederlands onvermogen om Europa als politiek project serieus te nemen. Voor Nederland was de integratie een economische onderneming, met de financiële balans als belangrijkste maat der dingen. Nationale politiek en samenleving werden tot voor enige jaren niet werkelijk door Europa beroerd. Veilig achter de dijken kon de illusie worden gekoesterd de enige echte Europeanen te zijn en wentelde men zich in de politieke pacificatie van het poldermodel. Maar steeds meer is de Europese integratie een politiek project, met een politisering van de verhoudingen in de Unie als onvermijdelijk neveneffect. Founding father Nederland, dat nu een van de vele is, heeft op deze uitdaging tot op heden geen antwoord weten te vinden.

Dat antwoord zou vooralsnog moet worden gezocht in een herwaardering van het oude communautaire uitgangspunt van het Nederlandse Europa-beleid. Op korte termijn, omdat alleen zo een tegenwicht tegen de intergouvernementele tendens kan worden gevormd. Sterke Europese instellingen ter bezwering van de nukken en grillen van vooral grote lidstaten zijn nog steeds een Nederlands belang. Op lange termijn ook kan alleen in een evenwichtige verhouding tussen lidstaten en Europese instellingen het vraagstuk van de gebrekkige legitimiteit van Europa worden opgelost.

De ironie wil nu dat juist het kabinet-Balkende in zijn laatste Europa-notitie sterker dan voorheen naar dit uitgangspunt leek terug te keren. Zo had Gijs de Vries als opvolger van Van Mierlo tenminste een helder mandaat. Maar de van weinig realiteitszin getuigende opstelling in het uitbreidingsdebat en de demissionaire status van het kabinet doen vrezen dat Nederland in het toekomstdebat nog steeds op grote achterstand staat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.