'Nederland, je kunst alle noden lenigen..!'

De jaren zestig en zeventig mogen zicht verheugen in hernieuwde belangstelling. Men is het over bijna niets eens, behalve dan over het ingrijpende verschil tussen de twee decennia....

ER IS VEEL niet doorgegaan in de jaren zeventig. In 1973 huurde de goeroe Maharaji Ji de Astrodome in Houston af voor een massale meditatiebijeenkomst en gelastte extra parkeerruimte voor vliegende schotels. Dat laatste bleek een onnodige voorzorgsmaatregel; tot overmaat van ramp kwam driekwart van de verwachte honderdduizend aardse bezoekers ook niet opdagen.

Evenmin brak in de jaren zeventig het Eurocommunisme door. En Nederland bleef verstoken van het tweede kabinet-Den Uyl. Toen The Washington Post in 1980 de balans opmaakte, vielen er termen als 'verloren decennium', ja zelfs 'un-decade'. Hier te lande proclameerde H.J.A. Hofland reeds in 1974 in de Haagse Post de nieuwe saaiheid, klaarblijkelijk in contrast tot de zo avontuurlijke jaren zestig.

Dat denigrerende oordeel heeft echter geen stand gehouden. Begrijpelijk, want er is ook een heleboel wel doorgegaan in de jaren zeventig. Via een aantal wapenbeheersingsverdragen werd de Oost-West-tegenstelling ontdaan van haar scherpste kantjes. Er kwam een einde aan de Amerikaanse interventie in Vietnam. President Nixon reisde naar China en president Sadat maakte zijn opwachting in Israël. De westerse wereld werd overspoeld door de tweede feministische golf, die het privé-leven ingrijpend zou veranderen. De personal computer deed zijn intrede. En hoewel in Nederland het tweede kabinet-Den Uyl inderdaad niet doorging, raasde gedurende vier jaar het eerste kabinet van die naam door Den Haag. Het liet zich erop voorstaan de 'meest progressieve regering aller tijden' te zijn, die met veel tamtam de spreiding van macht, kennis en inkomen op de nationale agenda plaatste.

In sommige opzichten waren de jaren zeventig beslist heftiger dan het voorafgaande tijdvak, dat zich de laatste tijd in zoveel herzienende aandacht mag verheugen. Sterker, veel van de zaken die we achteraf als zo typisch van de jaren zestig karakteriseren, hebben zich feitelijk een decennium later afgespeeld.

De waardering van de twee decennia loopt echter opmerkelijk uiteen. Behoudens een enkeling ter hoogte van Nunspeet, die zich nog steeds opwindt over de leegloop van de kerken of de lengte van de rokken, stemt iedereen in met de opvatting dat de turbulente sixties het land ingrijpend èn heilzaam hebben veranderd. Als het over de jaren zeventig gaat, ontbreekt die minimale overeenstemming. Het tijdvak wordt door de een bewierookt, door de ander verguisd, en door een derde als irrelevant terzijde geschoven.

De seventies 'zullen binnenkort massaal worden herontdekt als de mooiste jaren van ons leven', verkondigde het Vlaamse dagblad De Morgen enkele maanden geleden. In het themanummer dat De Groene Amsterdammer onlangs aan 'het gouden decennium' wijdde, lag de weemoed eveneens hoog opgestapeld. In een Ten Geleide - over tijdgeest gesproken: dit was gedurende vier decennia de naar wijwater riekende naam van de commentaarrubriek van de Volkskrant - sprak redacteur René Zwaap van 'een eerbetoon aan een hoogtepunt in de menselijke beschaving, een laatste saluut aan een paradijs dat ons op brute wijze opeens werd onthouden'.

Dergelijke sentimenten zijn historicus Hans Righart, schrijver van De eindeloze jaren zestig, vreemd. Na de 'glanzende fata morgana' van de sixties 'waren de jaren zeventig en tachtig van een verpletterende business as usual: crisis, werkloosheid, nucleaire dreiging, van alles en nog wat aan de macht, behalve de verbeelding', schrijft hij in het slothoofdstuk. Tegenover de euforie van de jaren zestig plaatst hij de 'verkramping, gelatenheid en teleurstelling van de jaren zeventig'.

De verwarring over de jaren zeventig begint eigenlijk al bij het markeren van de periode. Het historische begrip jaren zeventig is immers wat anders dan het feitelijke tijdvak, dat domweg van 1971 tot 1980 loopt. In de ogen van Righart hoort de tweede helft van de jaren zestig eigenlijk al bij de jaren zeventig. Zijn jaren zestig staan vooral in het teken van het generatieconflict, het ludieke protest, de afbraak van de regentencultuur en de opmars van de jeugdcultuur. Het hoogtepunt daarvan lag in 1965-1967.

Eigenlijk, zo argumenteert Righart, waren de jaren zestig over hun hoogtepunt heen toen de protestbeweging werd gepolitiseerd. Dat gebeurde in 1966, met de opkomst van Nieuw Links in de Partij van de Arbeid, de oprichting van D'66, en niet te vergeten de verovering van een zetel in de Amsterdamse gemeenteraad door Provo. De beweging had zich, in de termen van die jaren, laten 'inkapselen'. Righart ziet reeds vanaf 1968 'een grimmige somberheid' de kop opsteken.

Deze indeling zegt uiteraard veel over de betrokken historicus, zoals periodisering in het algemeen meer zegt over de boodschapper dan over de boodschap. Maar in het geval van zestig en zeventig springt de samenhang tussen de betrokkenheid van de geschiedschrijvers en de manier waarop ze het tijdvak in stukjes delen, wel heel opzichtig in het oog. De emoties liggen nog altijd voor het oprapen.

Wie tegen de jaren zestig is, begint met de vaststelling dat de ingrijpende veranderingen hun wortels diep in de jaren vijftig hadden. Zo schrijft Herman Wigbold in zijn boze pamflet Bezwaren tegen de ondergang van Nederland dat 'voor zover de protestgeneratie iets ten goede veranderde dit eerder het gevolg was van ontwikkelingen die een andere generatie al in gang had gezet dan van eigen strijden'. Volgens Wigbold was de seksuele bevrijding al goeddeels bevochten in het kielzog van Kinsey-rapport van 1950 (Sexual behavior of the human male). 'Even later werd Marilyn Monroe het sex-idool van de massa.' Wat nou jaren zestig?

Voor Nederland valt met terugwerkende kracht een soortgelijke continuïteit te construeren. Dan wordt het mandement van de bisschoppen van 1954 een laatste wanhopige poging de katholieke rijen gesloten te houden, is reeds in 1956 glashelder dat de rooms-rode coalitie op haar eind loopt, en geldt de staking in de Limburgse mijnen, het jaar daarop, als het eerste teken van verzet tegen de bestedingsbeperking. Zo bezien kondigden de jaren zestig zich reeds lang tevoren aan en hoefde de protestgeneratie slechts te oogsten.

Wie daarentegen terugblikt met heimwee naar de eigen jeugd in de jaren zestig, begint bij voorkeur met de vaststelling dat in het voorafgaande decennium weinig tot niets gebeurde. Nederland zat vast in de kluisters van zuilen en autoriteiten. En aangezien veel van de huidige opinieleiders hun positie danken aan de lange mars die in de jaren zestig begon, hangt die grauwsluier nog altijd over de voorafgaande periode. In hun ogen is de modernisering van Nederland bij uitstek de vrucht van de jaren zestig. Toen werd voorkomen dat deze moerasdelta zou verworden tot het Jutland van West-Europa.

Maar niet alleen in de jaren vijftig gebeurden er lelijke dingen. De liefhebber van de jaren zestig moet ook de jaren zeventig onschadelijk maken. Ook toen gebeurden er dingen die weinig met de bloemetjes en de bijtjes van doen hadden. Zestig is liberaal, mooi, flower power; zeventig is CPN, vormingstoneel, Pol Pot.

Het is echter de vraag of die scheiding is vol te houden. Misschien is het spitsvondige begrippenpaar van Roel van Duijn toepasselijker: waar men in de jaren zestig 'liever evolutie' zag (ontzuiling, dekolonisatie van de burger, sociaal-culturele modernisering), ging in de jaren zeventig de voorkeur uit naar de 'lieve revolutie' - die al spoedig niet zo lief meer was. De twee begrippen leken verschillend, maar ze scheelden slechts één letter, en de revolutie van zeventig kwam evolutionair uit zestig voort. Anders gezegd: de verbeelding van zestig kwam in zeventig wel degelijk aan de macht.

Neem de carrière van André van der Louw. Eind jaren vijftig richtte hij het 'blad voor jonge mensen' Twen op, waarin werd geschreven over thema's als 'Wat mankeert onze ouders?', over sex, mode, drugs, Jack Kerouac. Enkele jaren later verhuisde Van der Louw naar de 'underground'-pers in de vorm van Hitweek/Aloha. Intussen werkte hij als perschef bij de VARA en hij behoorde in 1966 tot de oprichters van Nieuw Links. In 1971 nam hij de voorzittershamer van de PvdA over. In het hart van de macht aangekomen, droeg hij de typische jaren-zestig-attitudes van polarisatie, compromisloosheid en morele verontwaardiging uit.

En Van der Louw was niet de enige. Nieuw Links (Lammers, Meijer, Ter Beek, Van der Zwan) veroverde rond 1970 de PvdA stormenderhand. Aan de universiteiten gebeurde na de Maagdenhuisbezetting (1969) iets soortgelijks. Mede als gevolg van de enorme toestroom van studenten groeide de alma mater begin jaren zeventig als kool. Vele leerstoelen en docentschappen kwamen vrij, die gretig werden bezet door stafleden die hun inspiratie in de jaren zestig hadden opgedaan.

Hetzelfde patroon deed zich voor in de journalistiek. Een nieuwe generatie kon aan het werk, ook doordat de televisie een groot aantal nieuwe banen opleverde. De toneelwereld werd na de Actie Tomaat (1969) verjongd en vertimmerd. De zachte sector, personele neerslag van de verzorgingsstaat die in de WAO (1967) zijn voltooiing had gekregen, was jarenlang de sterkst groeiende bedrijfstak. De leiding kon in handen komen van de vers afgestudeerden van de Sociale Academie.

En ze werden hartelijk welkom geheten, de baby boomers. James C. Kennedy schrijft in Nieuw Babylon in aanbouw dat Nederland in de jaren zestig uniek was omdat de elites de 'onwaarschijnlijke rol van progressieven op zich namen'. Wat in de PvdA gebeurde met Nieuw Links, deed zich in de samenleving in den brede voor: de oude elite vond zèlf dat ze ouderwets was geworden, en deed een stapje opzij.

De politicoloog Hans Daudt, een van de hoogleraren die zich wel verzetten tegen de ombouw van zijn studie in 'antikapitalistiese' richting, sprak in dat verband van 'rubberen benen'. Regeerders en bestuurders werden bevangen door een urgent gevoel van verandering. Nota bene het VVD-programma van 1971 maakte melding van een razendsnel veranderende wereld, en voegde eraan toe: 'We moeten alles meteen verwerken, ons aanpassen aan nieuwe situaties.'

De verklaring voor dit opmerkelijke fenomeen zoekt Kennedy in een lange Nederlandse traditie bij het oplossen van conflicten. De samenleving was vanouds verdeeld in geloven, regio's en belangen; daarom overheerste de neiging conflicten te dempen door erkenning van het andere, het zoeken naar overeenstemming, en het opnemen van de afwijkeling. Kennedy: 'Er werd een grote mate van vrijheid toegestaan, opdat de orde kon worden gehandhaafd.'

Het gunstige gevolg van deze 'repressief tolerante' houding is geweest dat we hier nooit een terreurbeweging hebben gehad als de Baader-Meinhofgroep, Action Directe of de Brigate Rosse. Daar staat tegenover dat in Nederland radicale opvattingen of gebruiken, die een perifeer leven bleven leiden in landen waar tegenstellingen wèl werden uitgevochten op basis van machtsposities, tot het centrum van de macht konden doordringen. Hier kon het gebeuren dat de voorzitter van een regeringspartij uitriep dat 'het radicaalste nu nog niet radicaal genoeg is'. De Partij van de Arbeid werd actiepartij en in zekere zin werd de Nederlandse regering onder Den Uyl actieregering.

De inspiratie van de jaren zestig kan worden teruggebracht tot twee woorden: moralisme en maakbaarheid. De oerprovo met de langste adem was niet anti-rookmagiër Robert Jasper Grootveld, maar Roel van Duijn. Deze was allesbehalve de vrolijke Frans die doorgaans van hem werd gemaakt. Zijn programma behelsde 'een politieke, ekonomische, sociale, edukatieve, technologische en morele revolutie'.

Zijn beweging inspireerde zeventigers als Carel Muller, op 32-jarige leeftijd directeur van de zwakzinnigen-inrichting Dennendal, die tot uitdrukking wilde brengen dat 'het verschil tussen zwakzinnig en normaal maar een dunne streep was'.

Ook iemand als de psycholoog Jaap van Ginneken vond zijn eerste inspiratie bij Provo. Van Ginneken raakte in de jaren zeventig bevlogen door de Derde Wereld. Zowel Cuba, Noord-Korea als het China van Mao droeg hij een warm hart toe. De redenering was: hoe egalitairder, hoe beter, en wat Mao betreft: tweederde goed, eenderde fout. Achteraf zegt Van Ginneken: 'We whipped ourselves into a moral frenzy' - en weliswaar was hij daarin verder doorgeschoten dan menigeen, maar precies daardoor ook illustratief voor de staat waarin half Nederland in die dagen verkeerde.

Een relatief hoge mate van moralisme heeft de Nederlandse politiek - zeker de buitenlandse politiek - eigenlijk sinds Hugo de Groot gekenmerkt. Een klein land kan nu eenmaal geen gebruik maken van machtspolitiek en moet het dus zoeken in het recht. De strijd om Indonesië en Nieuw-Guinea werd mede op morele termen uitgevochten.

En ook de maakbaarheidsgedachte was geen vinding van de jaren zestig. De wederopbouw van Nederland uit de puinhopen van oorlog en bezetting had een sterk planmatig karakter. De oprichting van het Centraal Planbureau en de Sociaal-Economische Raad legde de basis voor het 'ingenieurssocialisme', dat in de jaren veertig en vijftig door veel jonge intellectuelen, ook buiten de PvdA, werd omhelsd.

Maar de apocalyptische opvattingen van onrecht en ongelijkheid die in de jaren zestig in zwang raakten, vielen moeilijk te verenigen met het geduldige handwerk der ingenieurs. De maakbaarheidsgedachte nam dan ook aanzienlijk dirigistischer vormen aan. De lust tot politieke inschikkelijkheid verminderde navenant. Zo eindigden voor de PvdA de jaren zestig met de anti-KVP-resolutie van Marcel van Dam en de jaren zeventig met de ononderhandelbare strijdpunten van het verkiezingsprogramma Weerwerk.

Het activisme werd gevoed door de overtuiging dat Nederland een bijzondere roeping had. De dichter Simon Vinkenoog schreef eind jaren zestig:

Zeg Nederland, weet je eigenlijk wel waarover ik het heb,

zeg Nederland, heb je je geweten nog behouden,

en doe je er iets aan,

of heb je je ziel verpand aan 't gemak, je natje en je droogje

en de koninklijke nutteloze goudgerande papierbedrukte miljoenen?

Nederland, je kunt alle noden lenigen,

Nederland, er bestaan geen problemen,

ze kunnen alle uit de wereld geholpen worden,

Nederland, maak je nuttig, Nederland,

de wereld wacht op bevrijding.

Nederland, ga vóór...

Met het kabinet-Den Uyl (1973-1977) kregen de idealen van de jaren zestig hun bekroning. Minister Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking (33) gaf tijdens de ministerraad college over hoe de wereld in elkaar zat. Nederland moest 'gidsland' worden. Nederland moest een leidende rol spelen bij het veranderen van de wereld, en politici werden voorhoede-activisten. Premier Den Uyl klom op een auto bij het protest tegen de doodstraf voor Baskische terroristen (toen nog verzetsstrijders), en maakte - tot ontsteltenis van zijn minister van Buitenlandse Zaken - gewag van 'de bevrijding van Saigon' toen de Vietcong-troepen in 1975 de stad binnentrokken.

Ongeveer gelijktijdig met de wisseling van de macht tussen Den Uyl en Van Agt kwam de kraakbeweging op. Ook die wortelde in morele verontwaardiging (woningnood) en maakbaarheidspretenties (jongerenhuisvesting). Tegelijk was ze voor velen een aangenaam alternatief voor de scholastieke haarkloverijen waarin met name de studentenbeweging verzeild was geraakt.

Aanvankelijk hadden de krakers de wind mee, onder meer dank zij het door Van Dam uitgesproken recht op zelfstandig wonen vanaf achttien jaar. Dat krediet werd snel minder toen de verontwaardiging sterk bleek gekoppeld aan het eigen voordeel: het op een koopje krijgen van een door de gemeente aangekochte woning en het eigenhandig woningen verdelen die aan de gemeentevoorraad werden onttrokken. Deze praktijken werden gerechtvaardigd met het adagium: 'Jullie rechtsstaat is de onze niet'. Met de sympathie voor de kraakbeweging was het definitief gedaan na de rellen tijdens de inhuldiging van koningin Beatrix in 1980 ('Geen woning, geen kroning').

Destijds was dat nog niet meteen voor iedereen zichtbaar. De kroningsrellen brachten de Volkskrant er bijvoorbeeld toe 'de beweging tachtig' te proclameren. Dat bleek een misvatting. De rellen waren, integendeel, de luidruchtige apotheose van een tijdperk waarin veel hervormingen stukliepen op de weerbarstige werkelijkheid en veel hervormers ten prooi vielen aan de totalitaire verleiding.

Veel is niet doorgegaan in de jaren zeventig, en veel is er ook niet van overgebleven. We weten nauwelijks nog waar de afkortingen VAD, WIR en WOR - ooit de visitekaartjes van het kabinet-Den Uyl - voor staan. Zelfs de Berlijnse Muur bleek niet de historische noodzaak die PvdA-voorzitter Ien van den Heuvel er na een bezoek aan de DDR publiekelijk in zag. We hoeven er geen traan om te laten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden