Nederland is toe aan Amerikaanse toestanden

Voorverkiezingen maken een eind aan de misstand dat partijtijgers de macht onderling verdelen, menen Andor Admiraal en Jan Paternotte...

Vanuit Nederland gezien zijn de Amerikaanse voorverkiezingen een rare vertoning: al die partijgenoten die zich tegenover elkaar proberen te bewijzen. Maar is het niet veel eigenaardiger dat wij in Nederland toestaan dat een handjevol partijtijgers de macht onderling verdeelt? Ook in Nederland zijn personen en politiek niet van elkaar te scheiden.

Officieel wordt de Amerikaanse president gekozen op 4 november. Maar wellicht was gisteren al de belangrijkste verkiezingsdag; bijna de helft van de Amerikaanse staten stemde over de vraag wie namens de Democraten en Republikeinen opgaan voor het hoogste ambt. De verschillen tussen de kandidaten zijn substantieel: Romney, Huckabee en McCain zouden in Nederland misschien Roel Pieper, André Rouvoet en Jozias van Aartsen heten. Het politieke verschil tussen Hillary Clinton en Barack Obama is vergelijkbaar met dat tussen Femke Halsema en de Wouter Bos uit de tijd dat die zijn partij nog wilde moderniseren.

Misschien lijken voorverkiezingen hier minder noodzakelijk: de genoemde mensen zitten immers allemaal in andere partijen. Wij zijn er echter van overtuigd dat de verschillen binnen partijen zeker zo groot zijn als die tussen partijen en dat die dus in het stemhokje horen te worden uitgevochten. Bovendien knaagt het feit dat Nederlandse politici afhankelijker zijn van partijrelaties dan van tevreden kiezers voortdurend aan hun geloofwaardigheid.

Toen VVD en D66 zo’n twee jaar geleden met lijsttrekkersverkiezingen even het deksel van de pan lichtten, werd zichtbaar hoeveel er eigenlijk borrelt binnen de partijen. Het partijestablishment koos voor Rutte, de kiezer voor Verdonk. Daarmee had Rutte de formele, maar Verdonk de morele macht veroverd. Toen Al Gore in 2000 meer stemmen kreeg dan Bush, maar die laatste president werd, deed heel Nederland smalend over de Amerikaanse democratie. Maar toen Rutte nota bene de persoon met de meeste stemmen uit haar partij zette, werd dat al snel afgedaan als een karakterkwestie.

Dat had Lousewies van der Laan beter ingeschat; nadat zij de verkiezingen van Alexander Pechtold nipt had verloren, dacht zij niet geloofwaardig in D66 te kunnen functioneren en trok zij zich terug. Verdonk behaalde een verkiezingsoverwinning en zocht de randen op van de smalle marges die Rutte haar toebedeelde. Maar met die poging haar kiezers goed te vertegenwoordigen, stak ze haar kop te ver boven het maaiveld uit.

Voor het Haagse establishment was dit alles aanleiding het deksel weer stevig op de pan te doen. Maar wat de grote landelijke betrokkenheid bij de lijsttrekkersverkiezingen juist bewees, is dat het openbreken van de macht aansluit bij een grote behoefte. In plaats van de regels van de democratie in dienst te stellen van de macht van de zittende partijleiders, is het beter de macht van het establishment te laten controleren door de kiezer. Dat zou ruimte vrijmaken voor het debat, die nu wordt opgeslokt door zaken als fractiediscipline, vuistdikke verkiezingsprogramma’s en een pers die politici aanspreekt op partijbeloften in plaats van op hun eigen ideeën; allemaal bedoeld om de façade van totale eenheid op te houden.

Het systeem houdt zichzelf in stand, want iedereen die wat voorstelt in de politiek heeft er belang bij. Uiteraard geldt dat voor wie Kamerlid of minister wil worden, maar ook daarna is het belangrijker bevriend te zijn met de partijleiding dan tevreden kiezers achter te laten. De kiezers gaan immers niet over de Kamerlijst of over de verdeling van nieuwe ministersposten of burgemeesterschappen.

In Amerika gaat dat anders; kandidaten worden vanaf het begin gedwongen door het land te reizen en in huiskamers en gymzalen kiezers te woord te staan. Als hun verhaal oppervlakkig is, wordt daar op een goed moment doorheen geprikt. Zijn ze niet bereid te vechten voor hun idealen, dan gaan ze roemloos ten onder. Maar een kandidaat kan ook uitgroeien tot succesvol president, al begint hij onbekend en zonder vrienden in de partijleiding; Bill Clinton is daar een goed voorbeeld van. Amerikanen zoeken the best man for the job; in Nederland zijn wij inmiddels bij het vierde kabinet-Balkenende aangeland. Als overigens in 2003 niet het CDA, maar de PvdA als grootste was geëindigd, dan had die partij Job Cohen premier gemaakt – iemand die nooit de steun van ook maar één kiezer heeft gevraagd of gekregen. In het land van de onbegrensde mogelijkheden zou zoiets onmogelijk zijn.

Maar de Nederlandse marges zijn smal en de politiek is weinig inspirerend, terwijl een keus voor Romney, Huckabee of McCain, voor Clinton of Obama, meteen de koers en het karakter van de partij bepaalt. Nederlandse partijen stellen beginselcommissies in met partijleden die eerst en vooral zichzelf vertegenwoordigen, niet de kiezer.

Het partijsysteem ondermijnt ook de geloofwaardigheid van zijn leiders. Kijk naar Rutte die nu opeens allerlei rechtse plannetjes moet lanceren, of Bos die juist ineens een ruk naar links maakt. Niet omdat de kiezer daarom vraagt, maar omdat de partij bij elkaar gehouden moet worden.

Personen en politiek zijn op papier misschien goed te scheiden, in de praktijk vallen ze samen. In Nederland proberen we dat tot dusver te verbloemen, maar wat ons betreft is de tijd rijp voor Amerikaanse toestanden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden