GastcolumnThomas van der Meer

Nederland is een rijk land, maar verpleeghuizen staan afgezonderd op een armoedig eiland

‘Hier zou ik mijn ouders niet naartoe brengen’, zegt de manager over zijn eigen verpleeghuis. ‘Zelfs mijn schoonouders niet.’

‘Mooie boel’, zeg ik. Dit is een sollicitatiegesprek, maar het verpleeghuis heeft een groot personeelstekort. Ik kan me wel een paar sociaal onwenselijke antwoorden permitteren.

Het gebouw is verouderd, vertelt hij. Dat is een probleem waar veel verpleeghuizen mee kampen. ‘Sommige afdelingen hebben zelfs nog een gedeelde badkamer. Moet je op je 85ste elke ochtend met je toilettas onder de arm in de rij staan.’

‘Nou, doe er wat aan’, zeg ik.

De manager schudt zijn hoofd en wrijft met zijn duim langs zijn wijsvinger. Geld.

Ik word aangenomen. Op mijn eerste werkdag sta ik een bed op te maken en komt meneer Van der Willigen (86) eraan geschuifeld. Hij bekijkt me van top tot teen. ‘Over je deskundigheid valt nog geen zinnig woord te zeggen, maar je hebt in elk geval je opgewekte uitstraling mee’, zegt hij.

Meneer Van der Willigen heeft vergevorderde dementie. In zijn werkzame leven was hij directeur van een verpleeghuis en hij denkt dat dit zijn verpleeghuis is. Tijdens de lunch tikt hij tegen zijn glas karnemelk en steekt een onverstaanbare speech af. Hij heeft een heel zacht, hoog stemmetje.

‘Wat zegt-ie? Versta jij het?’, vragen de andere bewoners elkaar.

Verpleeghuizen zijn kennelijk altijd al armoedig geweest, want meneer Van der Willigen heeft het continu over geld, net als mijn echte manager. Als ik hem uit bed haal, informeert hij eerst naar de boekhouding.

‘Daar heb ik toevallig net over vergaderd’, zeg ik dan. ‘De cijfers zijn uitstekend.’

Soms gelooft hij me niet. ‘Jij loopt met geld te smijten alsof het niets is’, roept hij. Ik krijg hem daarna niet meer onder de douche.

Werken in een verpleeghuis is een van de twee minst efficiënte manieren om geld te verdienen op aard. Het andere minst efficiënte beroep is dat van de schrijver, maar omdat ik beide beroepen tegelijk uitoefen, heb ik toch een prima inkomen. Mijn collega’s die niet in de gelegenheid zijn om er een tweede beroep op na te houden, werken vaker avond- en nachtdiensten: zij hebben de onregelmatigheidstoeslag nodig om rond te komen. Ondanks de lage lonen houdt het verpleeghuis geen geld over.

‘En daar begrijp ik dus niets van’, zeg ik tegen mijn uitgever. Ik fiets naast haar over de dijk langs het IJ. Ze heeft de sokken er goed in; we racen langs steigers, vissers en boten die op en neer deinen in het glinsterende water. ‘Nederland is een rijk land’, ga ik verder. ‘Ja, toch? Maar verpleeghuizen staan afgezonderd op een armoedig eiland. Verpleeghuizen lijken geen onderdeel van onze groeiende, gezonde economie.’

‘Gezonde economie? Gezónde economie?’ snuift mijn uitgever. ‘De Nederlandse economie is zo ingericht dat aandeelhouders, de staat en de pensioensector rijk worden, en er een groot handelsoverschot wordt gegenereerd.’ Van opwinding begint ze nog harder te fietsen. ‘Dat gaat ten koste van onder meer de publieke sector en daarom moeten jouw hoogbejaarde bewoners een badkamer delen.’ Zij weet dit allemaal omdat ze er een boek over publiceert, geschreven door econoom Dirk Bezemer. ‘Er is genoeg geld’, zegt ze, ‘maar het zit opgehoopt op de verkeerde plekken.’

‘O’, hijg ik. ‘Oké.’

De volgende ochtend komt meneer Van der Willigen in zijn pyjama uit de badkamer. Hij ruikt naar ontlasting. Ik ga naast hem staan en steek mijn gebogen arm uit. ‘Zal ik u helpen met wassen en aankleden?’

Hij haakt zijn arm door die van mij, we lopen terug naar de badkamer en ik doe de deur open. De vloer zit onder de ontlasting.

‘Jeetje’, zeg ik.

Door zijn alzheimer heeft meneer Van der Willigen geen kortetermijngeheugen, dus hij is net zo verbaasd als ik. ‘Wat is híér gebeurd?’, vraagt hij.

Mijn collega steekt haar hoofd om de hoek. ‘Gisteren was meneer Sánchez jarig en zijn vrouw heeft tapas uitgedeeld. De hele afdeling heeft diarree.’

Eerst schrob ik de badkamer en daarna zet ik meneer Van der Willigen onder de douche.

‘Dit duurt veel te lang’, zegt hij.

‘U staat er nog maar drie minuten onder.’

‘Weet je wat dit allemaal kóst?’

 Zijn haren heb ik net ingezeept, maar hij draait de kraan dicht. ‘Opschieten.’


Thomas van der Meer werkt in een verpleeghuis en is in augustus gastcolumnist op volkskrant.nl/opinie.

De namen van personen die in deze column voorkomen zijn pseudoniemen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden