Nederland ging op de schop

MET HET verschijnen van 1950 - Welvaart in zwart-wit, deel drie van de serie Nederlandse cultuur in Europese context, nadert dit voor Nederlandse begrippen ongekend dure en omvangrijke project geleidelijk zijn voltooiing....

Hoewel men kan twisten over de voordelen van dit soort grote ondernemingen en het bovendien nog te vroeg is voor een definitief oordeel, kan worden vastgesteld dat 'De Nederlandse cultuur in Europese context' in ieder geval een aantal interessante boeken heeft opgeleverd. Welvaart in zwart-wit, geschreven door de Amsterdamse socioloog Kees Schuyt en de Groningse architectuurhistoricus Ed Taverne, laat zich zonder moeite voegen in dit rijtje belangwekkende studies, al wordt hier een andere aanpak gevolgd dan in de eerder verschenen delen.

Schuyt en Taverne hebben er voor gekozen geen dwarsdoorsnede van de Nederlandse cultuur rond 1950 te maken, maar een analyse van de naoorlogse samenleving, vanaf de bevrijding tot de eerste oliecrisis in 1973. Daarbij concentreren zij zich op een betrekkelijk beperkte, maar systematische uitwerking van enkele fundamentele maatschappelijke ontwikkelingen.

Dat hun hart - en expertise - niet in de eerste plaats uitgaat naar het terrein van de cultuur in engere zin, blijkt ook uit het laatste van de vier delen waaruit Welvaart in zwart-wit is opgebouwd. De daarin opgenomen hoofdstukken over beeldende kunsten, literatuur, toneel, dans en muziek wijken in meerdere opzichten af van de rest van het boek. Ze zijn anders opgezet en de kwaliteit ervan is wisselend. Nadere beschouwing - van de kleine letters in het colofon op de laatste bladzijde - leert dat deze stukken niet door de ijkmeesters zelf, maar door gastauteurs geschreven zijn.

De meest opmerkelijke bijdrage in dit laatste deel is van kunsthistorica Wilma Sütö. Haar verslag van de vernieuwing van de beeldende kunst is niet minder dan een epos, met in de hoofdrol de onvermoeibare directeur van het Stedelijk Museum, Willem Sandberg, en in de belangrijkste bijrollen Constant, Appel en enkele andere kunstenaars. Terwijl persoonlijke geschiedenissen in de rest van het boek nauwelijks aan bod komen, besteedt Sütö vele bladzijden aan de opvattingen van de activist die, stormen van verontwaardiging trotserend, zijn museum wilde maken tot 'een oord van nu, waar de toekomst thuis is', tot een brandpunt van artistieke energie en een laboratorium voor een nieuwe samenleving.

De persoonlijke benadering van Sütö staat vrijwel haaks op de stijl en de opzet van de hoofdstukken die Welvaart in zwart-wit tot een baanbrekend werk maken. Deze stukken zijn vooral te vinden in de eerste twee delen, 'Welvaart in wording' en 'De reconstructie van Nederland'. Schuyt en Taverne analyseren daarin de economische, politieke en bestuurlijke ontwikkelingen die ten grondslag hebben gelegen aan de metamorfose van Nederland in de eerste naoorlogse decennia, inclusief de revolutionaire jaren zestig.

In navolging van een aantal historici beschouwen Schuyt en Taverne de periode 1945-1973 als de jaren van 'een nieuwe schikking'. Ontwikkelingen die al geruime tijd voor de oorlog waren begonnen, raakten in een stroomversnelling. De samenleving veranderde ingrijpend, maar dit gebeurde in betrekkelijke harmonie, dankzij de innige samenwerking tussen overheid, belangenorganisaties en andere publieke instellingen.

Ordening - daar ging het om. Van links tot rechts was men ervan overtuigd dat sociale zekerheid en geestelijk welzijn zonder sturing of planning onbereikbare idealen zouden blijven. En zo ontstond na de oorlog een bescheiden, maar snelgroeiende groep van deskundigen die deze gedachte zouden moeten concretiseren: economen, beleidsambtenaren, maatschappelijk werkers, planologen, ingenieurs en architecten, veelal werkzaam bij planbureaus en andere (semi-)publieke organisaties. Nederland ging, letterlijk en figuurlijk, op de schop.

De wijze waarop Schuyt en Taverne deze complexe ontwikkelingen in hun onderlinge samenhang analyseren, dwingt bewondering af. De structurele veranderingen in de economie, de explosief groeiende welvaart, het beleid van de overheid en andere publieke diensten, de woningbouw en ruimtelijke ordening, de sociaal-geografische verschuivingen, de expansie van onderwijs en onderzoek, de opkomst van de brommer en de auto - het is voor het eerst dat zoveel aspecten van het maatschappelijk leven in samenhang worden bezien. Deze aanpak levert niet alleen interessante beschrijvingen en interpretaties op, maar ook mooie vergezichten en verrassende inzichten.

Een treffend voorbeeld hiervan vormt de passage waarin de gevolgen van de Watersnoodramp van 1953 de revue passeren. Het streven om een herhaling van een dergelijke ramp uit te sluiten leidde namelijk niet alleen tot de Deltawerken - hoogtepunt van Hollands technisch vernuft - en de 'openlegging' van Zeeland, maar ook tot een rigoureuze, onherroepelijke verandering van het eeuwenoude rivierenlandschap in andere delen van het land. De ramp droeg zo bij tot het ontstaan van het moderne 'interventielandschap'.

V

EEL CONCLUSIES en interpretaties in het eerste deel nodigen uit tot tegenspraak - een constatering die in het geval van een dergelijke vernieuwende studie niet mag worden uitgelegd als een diskwalificatie. Integendeel, discussies scherpen de geest. Dit neemt evenwel niet weg dat er enkele fundamentele bezwaren tegen de analyse van de modernisering kunnen worden ingebracht. Door zich zo sterk te concentreren op sociaal-economische ontwikkelingen en beleidsmatige aspecten, dreigt het gevaar te vervallen in mechanische of deterministische verklaringen, waarbij cultuur en mentaliteit rechtstreeks afgeleid worden van materiële omstandigheden. De menselijke ervaring, het echte leven, komt dan al snel in het gedrang.

De schaduwzijden van de eenzijdige oriëntatie op structuren, trends, ordening en beleid worden pas goed zichtbaar in 'Het sociale en politieke leven', zoals het derde deel van het boek is getiteld. Zo oorspronkelijk en doorwrocht als de eerste tweehonderd pagina's, zo weinig verrassend en doorleefd zijn de meeste hoofdstukken in het derde deel van Welvaart in zwart-wit, uitzonderingen daargelaten, zoals de bijdrage van de Groningse historicus Klaas van Berkel over het wetenschappelijk onderzoek.

Het lijkt erop dat Schuyt en Taverne zich bij het beschrijven van het sociaal-culturele leven volledig hebben laten leiden door de (eigen) stelling dat 'de jaren vijftig en zestig gekarakteriseerd werden door gestandaardiseerde leefpatronen'. Kenmerkend voor deze benadering is de geringe aandacht voor ervaringen en opvattingen die zich minder gemakkelijk laten vatten in termen van structuren en processen, en voor maatschappelijke bewegingen die zich juist onttrokken aan de invloed van beleidsmakers. Zo blijft goeddeels verborgen wat nu precies de gevolgen waren van al die veranderingen - van de invoering van de AOW op de beleving van ouderdom, bijvoorbeeld, of van de seksuele revolutie op de opvattingen over liefde en relaties.

Het gebrek aan inleving wreekt zich ook op andere punten. Zo worden de ontwikkelingen in de kerken vanaf het einde van de jaren vijftig vrijwel geheel bezien vanuit het perspectief van 'modernisering' en 'secularisering'. Wie zich verdiept in die geschiedenis zal echter al snel ontdekken dat hiermee een cruciale fase wordt overgeslagen. De 'vernieuwing' in katholieke en protestantse kringen begon als een poging de geloofsbeleving te hernieuwen en de kerkgemeenschap te ontdoen van alle institutionele en dogmatieke ballast, als een zoektocht naar een 'eerlijk' geloof, open, niet alleen tegenover andere groepen in de Nederlandse samenleving maar ook tegenover de gedekoloniseerde wereld. De ontkerkelijking en het geloofsafval zetten pas later in, niet alleen onder invloed van de ingrijpende sociale en culturele veranderingen, maar ook uit teleurstelling over het vastlopen van de kerkelijke vernieuwing.

Sterker nog dan de verwaarlozing van de belevingswereld wreekt zich de geringe aandacht voor thema's op het terrein van de alledaagse cultuur, met name waar deze zich onttrokken aan de vertrouwde beleidskaders. Aan voorbeelden geen gebrek. Zo komen de media en de populaire cultuur er uiterst bekaaid van af, te beginnen bij de radio, kranten en tijdschriften. De televisie speelt hoegenaamd geen rol, afgezien van een aantal tamelijk obligate passages, en hetzelfde geldt eigenlijk ook voor de populaire muziek. Toch is het niet overdreven te stellen dat de meest ingrijpende veranderingen in de samenleving niet alleen werden weerspiegeld in, maar ook vorm hebben gekregen door de nieuwe 'gemedialiseerde' cultuur.

Welvaart in zwart-wit is een boek met twee gezichten. Dat geldt in de eerste plaats voor de uitgave zelf. Ondanks de zware subsidies heeft de uitgever nagelaten de tekst door een ervaren redacteur te laten nalopen, met het gevolg dat er veel doublures en fouten zijn blijven staan. Daartegenover staat een prachtige reeks foto's van de fine de fleur van de naoorlogse fotografie, zoals Oorthuys en Van der Elsken, mooi gedrukt over de volle pagina.

Ook inhoudelijk vertoont het boek twee gezichten. Wanneer het gaat om het blootleggen van de ontwikkelingen die de Nederlandse samenleving in nauwelijks dertig jaar onherkenbaar hebben veranderd, weten Schuyt en Taverne te imponeren. Dat kan niet worden gezegd van de tweede helft van het boek. Er blijft een grote kloof bestaan tussen de grondige studie van sociaal-economische en beleidsmatige thema's in het eerste deel en de traditionele - door buitenstaanders geschreven - bijdragen over de kunsten in het laatste. Als cultuurhistorisch overzichtswerk schiet het boek dan ook uiteindelijk tekort.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden