Nederland gebruikte 'structureel geweld' bij koloniale oorlog in Indonesië

'Letterlijk en figuurlijk trokken de Nederlandse militairen tot hun vertrek in 1949 een spoor van brandende kampongs en stapels lijken door de Indonesische archipel.' Zo luidt het harde oordeel van de Zwitsers-Nederlandse historicus Rémy Limpach over het Nederlands optreden in Indonesië tijdens de dekolonisatieoorlog (1945-1949). Woensdag verscheen zijn boek De brandende kampongs van generaal Spoor.

Nederlandse troepen op weg naar Soekarno. Archieffoto van 15 december 1948. Beeld anp

Na uitvoerige bestudering van beleidsstukken, correspondentie en andere bronnen, stelt Limpach vast dat niet alleen de beruchte 'speciale eenheden' zich te buiten zijn gegaan aan 'massageweld'. Ook het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en de Koninklijke Landmacht - bestaande uit vrijwilligers en dienstplichtigen - hebben zich aan 'structureel geweld' tegen de Indonesische bevolking bezondigd. Het merendeel van de Nederlandse militairen heeft weliswaar geen massageweld gepleegd, 'maar dit correcte optreden gold beslist niet voor de krijgsmacht als geheel', schrijft Limpach. Sterker: voor, met name, de speciale eenheden was massageweld (executies, verwoesting van kampongs, et cetera) een vast onderdeel van de militaire strategie. Limpach, die zijn onderzoek verrichtte in opdracht van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), spreekt in dat verband van 'systematisch geweld'.

Limpachs 870 pagina's tellende requisitoir markeert het voorlopig eindpunt van een ontwikkeling die in 1969 begon met de eerste onthulling van oorlogsmisdrijven tijdens de 'politionele acties' door oorlogsveteraan Johan Hueting. Tot die tijd overheerste de opvatting dat Nederland een voorbeeldige koloniale mogendheid was geweest, en dat Nederlandse troepen tijdens de dekolonisatieoorlog incidenteel hard waren opgetreden als (gerechtvaardigde) reactie op wreedheden aan Indonesische zijde. Nog in 1951 prees toenmalig koningin Juliana de 'kalmte en zelfbeheersing' waarmee het leger 'de verschillende opdrachten die het kreeg, voorbeeldig wist uit te voeren'. Wrokkige veteranen meenden - naar analogie van de dolkstootlegende in het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog - dat de militairen niet door toedoen van de vijand maar door toedoen van 'de politiek' waren verslagen.

Excessennota

Na de onthullingen van Hueting en de zogenoemde Excessennota die kort daarop in opdracht van de regering werd opgesteld, was de gangbare opvatting dat commando-eenheden, zoals die van kapitein Raymond Westerling in Zuid-Celebes, weliswaar buitensporig geweld hadden gebruikt - in de Excessennota werden 110 gevallen genoemd - maar dat de krijgsmacht als geheel zich 'correct' had gedragen. Nog in 1987 kon dr. Lou de Jong zich in zijn aan Indonesië gewijde deel van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog maar moeilijk losmaken van deze relativerende benadering.

Beeld anp

Inmiddels zijn talrijke boeken verschenen waarin de wrede werkelijkheid van de 'politionele acties' wordt geschetst. Van Ontsporing van geweld (1970) door de veteranen Wim Hendrix en Jacques van Doorn tot Soldaat in Indonesië (2015) van historicus Gert Oostindie. Volgens laatstgenoemde moet het aantal gevallen van extreem geweld door Nederlandse militairen 'eerder in de orde van de tienduizenden dan de duizenden worden geschat'. Limpach neemt die indicatie over. Maar hij sluit niet uit dat de Nederlanders zich op nog grotere schaal aan oorlogsmisdrijven hebben schuldig gemaakt, gezien zijn verwijzing naar aspecten van de oorlog die naar zijn mening nader onderzoek behoeven - zoals het optreden van de politie, van burgerwachten en hulptroepen, waaronder Harer Majesteits Ongeregelde Troepen (HAMOT's), die voor een belangrijk deel bestonden uit (Indonesische) criminelen.

Kindsoldaten

De door Limpach opgetekende tussenstand van het historisch onderzoek is echter al verontrustend genoeg. Het KNIL trad, aldus Limpach, zo hard op omdat het zich wilde revancheren voor de vernederende nederlaag tegen de Japanners in 1942. Het maakte ook gebruik van 'bruut te werk gaande kindsoldaten' die zich na de Bersiap - de moord op duizenden Nederlanders en Indische Nederlanders door Indonesische opstandelingen in 1945 - op de Indonesiërs wilden wreken. Van het expeditieleger dat Nederland uitzond - op zich een knappe prestatie, zo vlak na de Duitse bezetting - maakten oud-verzetsmensen deel uit 'die zich ontpopten als ongedisciplineerde en schietgrage militairen' (hooligans, volgens de Britten), en dienstplichtigen die zich oefenden in onverschilligheid tegenover de wreedheden waarvan ze getuige waren.

Limpach is ongenadig in zijn oordeel over generaal Simon Spoor (1902-1949), de bevelhebber van de Nederlandse troepen in Indonesië. Hij was weliswaar 'hoogst intelligent, charismatisch, belezen, communicatief en retorisch zeer begaafd, innemend, joviaal, energiek, fijnzinnig (en) vol plichtsbesef', in zijn strategie en zijn perceptie van de tegenstander lag het noodlot echter al besloten. Hij meende - uiteindelijk tegen beter weten in - dat de Indonesische opstandelingen een kleine minderheid vormden en dat ze in militair opzicht geen partij waren voor het Nederlandse leger. Hij zou zijn strategische inzichten vooral hebben ontleend aan een handboek uit 1928 waarin de lessen van de Atjeh-oorlog (1873-1914) waren opgetekend. Zo liet hij kleine eenheden in 'een rusteloze patrouillegang' naar opstandelingen zoeken. Deze 'speerpuntenstrategie' bracht met zich mee dat Nederlandse militairen zich vaak in een kwetsbare positie bevonden waaraan ze probeerden te ontkomen door snel en veel te schieten.

De historicus Remy Limbach presenteert het boek 'De brandende Kampongs van Generaal Spoor'. Beeld anp

Nog verwijtbaarder is dat Spoor niet, of heel schroomvallig, optrad tegen plegers van oorlogsmisdrijven - zijn ethische pretenties ten spijt. Hij zette zijn manschappen weliswaar niet aan tot geweld, en hij toonde zich soms oprecht ontsteld over misdragingen die onder zijn aandacht werden gebracht, maar hield deze meestal onder de pet. Uit beduchtheid voor 'lastige vragen' in de Tweede Kamer of de Verenigde Naties, maar ook omdat hij onderkende dat hard optreden (op korte termijn) vaak heel effectief was. Om die reden zag ook het Openbaar Ministerie doorgaans af van de vervolging van geweldplegers. 'Militaire noodzaak zegevierde daarmee over het oorlogsrecht', schrijft Limpach. Vandaar zijn conclusie dat 'de krijgsmacht als geheel' heeft gefaald. Elke dader had vele medeplichtigen - tot aan het hoogste niveau.

Reactie kabinet

Limpachs tussentijdse bevindingen hebben eerder al geleid tot vragen in de Tweede Kamer. D66 en SP willen een breed, allesomvattend onderzoek, maar premier Rutte wilde daar tot nu toe niet op reageren in afwachting van Limpachs boek. Woensdag benadrukte minister Koenders (Buitenlandse Zaken) dat het kabinet snel, maar zorgvuldig zal reageren. 'Dit is een gevoelige periode waarin van veel kanten geweld is gepleegd. Als we andere landen aanspreken op hun geschiedenis, moeten we daar ook zelf goed mee omgaan. Daarom moet er een zorgvuldige reactie komen.'

Ook minister Hennis (Defensie) zegt 'dat het kabinet niet voor het verleden wegloopt'. Wel voegt zij toe dat ook volgens Limpach het merendeel van de Nederlandse militairen niet bij extreem geweld betrokken was. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog kwamen naar grove schatting zo'n honderdduizend Indonesiërs en bijna 5000 Nederlandse militairen om het leven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.