Nederland blijft Nederland, maar anders

Gaat de oprukkende invloed van 'Brussel' ten koste van de Nederlandse eigenheid? Dat valt wel mee. Er is niet zozeer sprake van verlies van soevereiniteit, meer van gedeelde autonomie, waar iets tegenover staat....

LAATST zagen we een Chinees braken. Op het grasveldje op het Rogierplein, in het centrum van Brussel. 'Very good', riep hij uit, 'McDonald's food.'

Zijn vrienden, die om hem heen stonden, moesten lachen. 'We are one world', riep er een, overduidelijk aangeschoten. 'No more China. No more Belgium. No more Europe. One world.'

Kinderen en dronkemannen spreken de waarheid, wil het cliché. En hoewel de vrolijke Chinezen wellicht enigszins vooruitlopen op de realiteit, valt niet te ontkennen dat de wereld steeds kleiner wordt. Is in die kleinere wereld nog ruimte voor Nederland? En na Nederlands meest nationalistische week, met Koninginnedag, dodenherdenking en bevrijdingsfeest, wordt het misschien tijd voor de vraag of koning Willem IV de geschiedenis zal ingaan als de laatste monarch van de Oranjes.

Haalt Nederland het einde van deze eeuw?

Er is het bekende gegeven dat de Haagse wetgevingsmachine, regering, ambtenaren en parlement, steeds meer fungeert als doorgeefluik voor wat er in Brussel, bij de Europese Unie, wordt bedisseld. Dat klopt, maar het is tegelijkertijd een zeer beperkte blik op de werkelijkheid.

Natuurlijk, 60, misschien wel 70 of 80 procent van de Nederlandse wetgeving wordt tegenwoordig geïnspireerd door de Europese besluitvorming. Als 'Europa' besluit dat het zwemwater voortaan aan degelijker kwaliteitscontroles onderworpen dient te worden, moet zo'n Europese richtlijn worden omgezet in nationale regelgeving. Dat doen parlement en regering samen.

Maar het zou oppervlakkig zijn het te laten bij die waarneming, om ten minste twee redenen. Allereerst betreft het regels die vaak, met of zonder Europese bemoeienis, toch wel tot stand zouden komen. Als 'Brussel' niet aandrong op schoner zwemwater, zou de Gezondheidsraad of de Consumentenbond of de huisartsenvereniging wel in het geweer komen. In die optiek is Brussel niet meer dan een stimulator, een katalysator van nationale besluitvorming.

Bovendien bemoeien de Brusselse organisaties zich vaak met zaken die tamelijk technisch van karakter zijn. Waarover winden Den Haag, de nationale media en het politiek geïnteresseerde publiek zich op? Niet over de kwaliteit van het zwemwater - tenzij de pootjebaders in hete zomers massaal ziek worden, misschien. Wel over euthanasie, de verzorgingsstaat, de belastingen en het drugsbeleid. Dat zijn de politiek gevoelige kwesties die tot vurige debatten aanleiding geven. Op die punten blijkt het nationale debat nog altijd belangrijker dan het Europese.

En hoewel de lidstaten van de Europese Unie steeds meer de neiging krijgen hun besluitvorming op steeds meer terreinen te integreren, is het zo ver nog lang niet. Natuurlijk, Europa discussieert over de harmonisatie van de belastingen. Maar Europa praat daarover al tien jaar, en is in die tijd nauwelijks een stap verder gekomen.

Dat onze feestvierende Chinezen in één opzicht gelijk hebben, is inmiddels een open deur geworden. De wereld internationaliseert, dat wil zeggen: de natiestaten van de wereld kunnen zich steeds minder onttrekken aan internationale processen die van invloed zijn op cultuur, politiek en economie in die natiestaat. De landen die dat toch willen, zullen bereid moeten zijn daarvoor een steeds hogere tol te betalen, in de vorm van economische onderontwikkeling of diplomatiek isolement. Als extreme voorbeelden voor deze stelling kunnen Servië, Irak, Noord-Korea en Cuba dienen.

Als we die internationalisering accepteren als een gegeven, is vervolgens de vraag wat de toekomst is voor afzonderlijke natiestaten zoals Nederland. Mogen we ervan uitgaan dat we ook over twintig of vijftig jaar nog dezelfde mate van vrijheid hebben om onze verzorgingsmaatschappij in te richten zoals we dat willen?

DE EUROPESE landen zoeken de oplossing voor dit vraagstuk voorlopig in steeds toenemende integratie. Ze proberen de internationalisering in de hand te houden en er invloed op uit te oefenen door de krachten te bundelen. De gedachte hierachter is dat afzonderlijke Europese landen, hoe groot ze ook zijn, geen partij vormen voor de krachten van de internationalisering.

Neem bijvoorbeeld de mediawetgeving. Nederland of Duitsland kunnen grenzen stellen aan de hoeveelheid en de soort reclame die de publieke omroep mag uitzenden. Maar hoe zinvol is dat nog in een tijd dat de commerciële zenders zich kunnen vestigen in een land met een minder strikte wetgeving en via satellietschotels overal ter wereld ontvangen kunnen worden?

De enige manier waarop natiestaten nog enige invloed kunnen uitoefenen, is door gezamenlijk bindende regels te bedenken. Dat heeft twee effecten op de soevereiniteit, de onafhankelijkheid van een land. De autonomie om zelfstandig besluiten te nemen wordt verminderd omdat de internationale afspraken nagekomen moeten worden. Dat is de negatieve kant van de balans.

Daar staat tegenover dat de deelnemers aan de internationale afspraken ook aan invloed winnen op de besluitvorming in andere landen. Sinds Griekenland lid werd van de Europese Unie, kan Den Haag, in theorie in ieder geval, invloed uitoefenen op wat er in Athene wordt besloten.

Dit voorbeeld geeft ook de beperktheid weer van het denken over 'Brussel' als externe factor waar wordt gewikt en gewogen zonder dat Nederland er iets aan kan doen. Nederland is in Brussel een belangrijke speler, en we mogen er gerust van uitgaan dat er geen wezenlijk besluit valt zonder Nederlandse instemming. Anders gezegd: als er in Brussel beslissingen dreigen te worden genomen die tegen het Nederlandse belang indruisen, kan de verantwoordelijke minister, in het uiterste geval de minister-president, bijna altijd een veto uitspreken.

In deze optiek verliest Nederland dus niet zijn soevereiniteit, maar deelt ons land zijn autonomie met anderen. We geven anderen zeggenschap over onze zaken, maar we krijgen daar ook wat voor terug. Het beste voorbeeld om dit te illustreren is misschien de invoering van de euro.

Sinds het begin van de jaren tachtig nam Nederland feitelijk klakkeloos het monetaire beleid over van de Bundesbank. Toen werd namelijk de gulden definitief aan de mark gekoppeld. Nog steeds wordt het Nederlandse monetaire beleid in Duitsland bepaald - nu echter niet door de Bundesbank, maar door de Europese Centrale Bank. President Duisenberg van De Nederlandsche Bank had geen plek in het bestuur van de Bundesbank, maar zijn opvolger Wellink zit wel in het bestuur van de ECB.

De keuze voor internationale integratie, niet alleen in de Europese Unie maar ook via deelname aan handelsafspraken in de WTO en klimaatverdragen van de Verenigde Naties, wordt niet alleen ingegeven door de wens de internationalisering in goede banen te leiden.

Sinds het einde van de negentiende eeuw hecht Nederland al aan internationale afspraken, zo mogelijk vastgelegd in verdragen, zegt de Amsterdamse historicus Niek van Sas. Het volkerenrecht vormt de belangrijkste bescherming voor kleine, militair zwakke staten.

Nederland heeft een traditie van internationalisme uit eigenbelang. Vroeger werd het Nederlandse belang bedreigd door het expansionisme van de ons omringende grootmachten. Dat agressieve expansionisme bestaat niet meer. Het is vervangen door subtielere invloeden, die meedrijven op die internationaliseringsgolf.

Als we vaststellen dat onze soevereiniteit feitelijk allang is opgegeven, zullen we ons een andere vraag moeten stellen: is dat erg? Anders gezegd: worden specifiek Nederlandse waarden en normen bedreigd? Moeten we vrezen voor de teloorgang van de al dan niet mythische Nederlandse tolerantie, de verzorgingsstaat, onze euthanasiepraktijk en onze terrasjescultuur? Mogen we voortaan niet meer zelf bepalen hoe ons strafrecht eruitziet?

Kennelijk zijn dat aspecten van onze nationale identiteit waaraan we erg hechten. Maar als we de term nationale identiteit gaan gebruiken, moeten we meteen opmerken dat dat geen statisch begrip is, zegt Godfried van Benthem van den Bergh, oud-hoogleraar in de Internationale Betrekkingen.

De grote denkfout is de nationale identiteit op te vatten als iets onveranderlijks. Elke invloed van buitenaf is dan ook meteen een bedreiging. Een voorbeeld van die foutieve redenering betreft de integratie van allochtonen. 'Wij hebben onze nationale cultuur, zij moeten zich aanpassen', wordt vaak gezegd. 'Nee', brengt Van den Bergh daar tegenin, 'door hun aanwezigheid beïnvloeden zij al de nationale cultuur. Die verandert daardoor.'

Het Nederland van nu, met zijn honderdduizenden Turken, Surinamers, Marokkanen, is niet meer te vergelijken met dat van de jaren vijftig. Bij de groenteboer kon je toen spruitjes krijgen, en bloemkool en boerenkool, maar dan was het assortiment wel op. Vergelijk dat met de kosmopolitische rijkdom van nu. Dat is natuurlijk niet de verdienste van de komst van al die buitenlanders, maar mede dankzij hen is Nederland nu de open samenleving geworden waar veel Nederlanders prat op gaan.

De Nederlandse soevereiniteit en daarmee samenhangend haar nationale identiteit, is ook om een andere reden betrekkelijk. Soevereiniteit, onafhankelijkheid, autonomie, staat of valt met de erkenning door anderen. De koning van Patagonië, Zijne Koninklijke Hoogheid prins Philippe van Araucanië en Patagonië, houdt nog steeds een hof in ballingschap aan in Parijs. Maar zijn aanspraken op soevereiniteit worden door weinigen erkend.

Wat is soevereiniteit nog waard in deze tijd van internet en satellietschotels, van grensoverschrijdende samenwerking en burgers die zich vooral druk lijken te maken over wat er in hun eigen achtertuin gebeurt? Natuurlijk kan Nederland ook nu al niet meer doen wat het wil, op straffe van volledig isolement.

Maar gaan daarmee wezenlijk Nederlandse zaken verloren? Dat is weinig waarschijnlijk. Weinig landen hebben zo'n sterke betrokkenheid op de eigen nationale identiteit als Nederland, zegt Van Sas. Dat komt voort uit ons verleden. Sinds de zestiende eeuw, de opstand tegen de Spanjaarden, heeft Nederland zichzelf gedefinieerd als staatkundige identiteit, met haar grenzen en haar bijbehorende stelsel van waarden en normen.

NATUURLIJK zijn daarin veranderingen opgetreden: er zijn geen Verenigde Provinciën meer, evenmin als stadhouders. Maar de constanten zijn groter en van veel wezenlijker belang dan de wijzigingen.

Die waarden en normen (met als trefwoorden tolerantie, vlijt, zuinigheid, afkeer van buitenissigheid) zijn voor ons, Nederlanders, heilig geworden. 'Je moet de taaiheid daarvan niet onderschatten', aldus Van Sas. Diep in ons hart willen we eigenlijk het liefst dat Europa integreert, en uitgroeit tot een soort groot-Nederland. Nederland is het gidsland, het modelland dat de rest van de wereld toont hoe het hoort. Daarmee tonen we ons ook onverbeterlijk nationalistisch.

Dat is ook te merken aan Nederlandse politici die in het Brusselse circuit opereren. Het kostte Wim Kok op de laatste Europese top in Lissabon moeite om aan te geven welke lessen voor het economisch beleid Nederland zou kunnen leren van de Europese partners. En Jozias van Aartsen straalt voortdurend een soort onbegrip uit voor degenen die te kennen geven dat ze de Nederlandse positie niet begrijpen.

Van de landen die er in Europa werkelijk toe doen, kent wellicht alleen Engeland een vergelijkbare traditie. Duitsland en Italië zijn samenraapsels, pas in de negentiende eeuw tot stand gekomen. Frankrijk heeft eeuwenlang geen politieke stabiliteit gekend. Hetzelfde geldt voor de belangrijke landen buiten Europa.

In het internationaliseringsproces zijn het juist de landen met de sterkste tradities die het minst hoeven te vrezen voor het verlies van hun karakteristieke eigenschappen. Zo bezien hoeft Nederland dus niet bang te zijn.

Temeer omdat het officiële Europese adagium is dat de kracht van Europa juist schuilt in de culturele verscheidenheid. Natuurlijk praten de Europese landen nu over verdergaande integratie, juist op terreinen die het hart van de soevereiniteit raken: politie en justitie (dat wil zeggen: het binnenlandse geweldsmonopolie) en buitenlands beleid.

Maar het is niet voor niets dat in deze discussie de Europese Commissie en het Europees Parlement, de 'Europese' organen bij uitstek, nauwelijks een rol spelen. Het zijn de regeringen die dit debat voeren, en met recht: zij zijn immers de hoeders van de nationale soevereiniteit. Zij moeten uiteindelijk beslissen hoeveel zij hiervan willen opofferen ten bate van een hoger goed: meer greep op de internationale criminaliteit, casu quo op de internationale diplomatie.

Feitelijk komt de bedreiging voor de Nederlandse soevereiniteit uit een heel andere hoek: de toenemende neiging van de grote Europese landen hun wil op te leggen aan de kleintjes. Staatssecretaris Benschop van Europese Zaken heeft deze dreiging ook in het vizier, en heeft daar, voor het moment, een doeltreffend antwoord op: netwerkvorming. Door het sluiten van steeds wisselende coalities kun je bewerkstelligen dat het Nederlandse geluid voldoende blijft worden gehoord.

Daarin slaagt het kabinet aardig, maar er is een probleem met deze benadering: zij is weinig structureel. Ze staat of valt met de kwaliteit van het netwerk. Als we een premier hebben die in aanzien staat, zoals Wim Kok, dan valt het gevaar te overzien. Maar wee ons als we een zwakkere minister-president kiezen. Dan neemt het risico toe dat er over Nederland heengelopen gaat worden.

Zal dit proces ooit eindigen in een 'Verenigde Staten van Europa'? Misschien wel, maar of het voor het einde van deze eeuw gebeurt, is twijfelachtig. De nationale tradities van de lidstaten van de Europese Unie zijn te krachtig. De VS zijn ontstaan uit de 'Amerikaanse droom'. Zelfs immigranten die nu naar de VS gaan, leggen hun oude identiteit af en noemen zich Amerikaan.

Er bestaat geen Europees equivalent. En zolang er geen 'Europese droom' bestaat, houdt Nederland bestaansrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.