Nationaal of Duits socialisme

De meeste historici ontkennen of relativeren het socialistisch gehalte van de nazi-leer. J.A.A. van Doorn gooit een steen in deze vijver en schrijft dat sprake is van evidente verwantschap tussen sociaal-democratie en nationaal-socialisme....

Toen de historicus Maarten van Rossem als student opperde een scriptie te wijden aan de maatregelen van de Duitse bezetter die de oorlog hadden overleefd, werd hem dit met klem ontraden. Onder andere met het argument dat deze themakeuze hem tot de paria van zijn beroepsgroep zou maken.

De contemporaine historiografie was immers getekend door het streven het Derde Rijk als een dwaling van de Europese geschiedenis te kenschetsen. Als een perverse verwijdering van de Verlichting. Als een kortstondige eruptie van ideologische verdwazing. En – dat was voor de eigen positiebepaling ook wel zo makkelijk – als een exclusief Dúits verschijnsel, dat misschien in het Pruisische verleden wortelde, maar dat wezensvreemd was aan de Europese politieke cultuur.

De historicus Ernst Nolte ondervond ruim twintig jaar geleden hoe gevaarlijk het was om je aan de consensus binnen de beroepsgroep te onttrekken : hij poneerde de these dat het bolsjewisme de opmaat vormde van de radicaliteit van het nationaal-socialisme. Men kan, aldus Nolte, Hitler niet begrijpen als men Lenin niet kent.

Deze zienswijze werd door het gros van de historici (en sociologen) opgevat als een poging ‘de uniciteit van de holocaust’ in twijfel te trekken. Met de identificatie van het communisme als bron van elk ideologisch absolutisme zou hij het Duitse straatje willen schoonvegen. Deze doodzonde wordt hem tot aan de huidige dag aangerekend.

Arbeidersklasse

Arbeidersklasse
Noltes critici wijzen wel andere wegbereiders van Hitler aan: de conservatieven, die de emancipatie van de middenstand en de rijping van de democratie hebben verhinderd. De hoge militairen van het keizerrijk – ‘im Felde unbesiegt’ – die zich wilden revancheren voor de ‘dolkstoot’ die hun door de revolutionairen van november 1918 zou zijn toegebracht. De industriëlen, die de omverwerping van het kapitalisme wilden verhinderen.

Arbeidersklasse
‘Slechts één hoofdrolspeler bleef in de luwte’, schrijft de socioloog/historicus J.A.A. van Doorn. ‘De arbeidersklasse, zoals gerepresenteerd door de sociaal-democratie. De arbeiders waren immers de verschoppelingen van het keizerrijk, de vijanden van militarisme en imperialisme, en de tegenspelers van de hardhandige ondernemersklasse. Kortom: zij behoorden automatisch thuis in het “goede” kamp.’ Van Doorn trekt ‘de echtheid van deze geloofsbrieven’ echter in twijfel.

Arbeidersklasse
Dit vormt het uitgangspunt van een hoogst interessante, prikkelende en verhelderende studie naar de aanzetten in de (Duitse) sociaal-democratie van het nationaal-socialisme. De vooroorlogse geschiedenis van de SPD – een tragische geschiedenis, aldus Van Doorn – wordt immers in hoge mate gekenmerkt door de worsteling met haar nationale identiteit. Ze kende, betoogt Van Doorn, ‘reeksen revisionisten en dissidenten die – anders dan de marxistische leiderselite – de staat positief waardeerden, samenwerking zochten met andersgezinde partijen, de militaire dienst als patriottische plicht aanvaardden en behalve socialistische ook nationalistische belangen verdedigden. Er zaten elementen van “nationale socialismen” avant la lettre in.’

Arbeidersklasse
Met zijn poging deze elementen te traceren, dient Van Doorn twee zeer legitieme doelen: hij verklaart de bekoring die van het nationaal-socialisme op miljoenen Duitsers uitging, en hij geeft deze ideologie een verleden. Een verleden dat mede door de krachten en de zwakten van de sociaal-democratie is getekend. De grootste zwakte noemt Van Doorn al in zijn – tamelijk provocatief getoonzette – inleiding. ‘Men kan zich afvragen of de onderdrukking door de SPD-leiding van geciviliseerde vormen van nationaal of Duits socialisme er niet toe heeft geleid dat het nationaal-socialisme de kans kreeg het Duitse volk, ook in zijn socialistische voorkeuren, voor zich te winnen.’

Arbeidersklasse
De meeste historici relativeren of ontkennen het socialistisch gehalte van de nazi-leer. Zij doen de socialistische component af als maskerade van een partij die in wezen behoudend was. Progressieve auteurs als Ralf Dahrendorf en Ian Kershaw vluchten, aldus Van Doorn, in ‘omnibusbegrippen als modernisering en sociale revolutie’ om de evidente verwantschap tussen sociaal-democratie en nationaal-socialisme uit de weg te kunnen gaan.

Arbeidersklasse
‘Oudere socialistische waarnemers van naam, zoals Willem Banning en Jacques de Kadt’, waren zich, schrijft Van Doorn, van de sociaal-democratische antecedenten van het nazisme echter terdege bewust. Die mogen tijdens de Tweede Wereldoorlog dan volledig zijn verdrongen door de orgie van vernietiging waarin het nationaal-socialisme culmineerde, maar aanvankelijk – volgens Van Doorn zelfs nog in ‘de eerste oorlogsjaren’ – had Duitsland ‘niet alleen militair en politiek (*) maar ook in ideologisch opzicht een voorsprong op de vijand weten te nemen.’

Arbeidersklasse
Vrijwel nergens werd het Keynesiaanse stimuleringsbeleid zo succesvol toegepast als in nazi-Duitsland, en vrijwel nergens genoten werknemers een zo grote sociale zekerheid. Ook de Nederlandse regering in ballingschap was zo beducht voor de bekoring die hiervan zou kunnen uitgaan, dat ze in 1943 aan de commissie-Van Rhijn de opdracht gaf een verzorgingsstaat te ontwerpen die met het ‘Duitse model’ zou kunnen wedijveren.

Sociale zekerheid

Sociale zekerheid
Tussen deze commissie en de commissie-Van Bruggen, die zich in bezet Nederland met de sociale verzekeringen bezighield, ontbrandde, in de woorden van Van Doorn, ‘een ware combat de générosité.’ Zoals de historicus Norman Davies al eerder had vastgesteld, heeft het na-oorlogse stelsel van sociale zekerheid zijn ontstaan mede te danken aan de uitdaging die van het nationaal-socialisme uitging. Hitlers dwaalleer ‘fits into the mainstream not only of German but also of European history far more comfortably than most people like to admit’.

Sociale zekerheid
Volgens Van Doorn kon het nationaal-socialisme slagen omdat de Duitse sociaal-democratie faalde. Hitlers NSDAP ontleende haar bestaansrecht aan het grootste tekort van de SPD: haar onvermogen om nationalisme en socialisme met elkaar te verzoenen. Dit manco – gesteld dat men het zo zou willen noemen – heeft de Duitse sociaal-democratie vanaf haar ontstaan belast. Tot aan de dag van heden: vrijwel geen Duitse partij huivert zo voor vlagvertoon en de articulering van gevoelens van nationale saamhorigheid als de SPD.

Sociale zekerheid
Uiteenlopende positiebepalingen tegenover het vaderland leidden in de jaren zestig van de negentiende eeuw al tot een felle richtingenstrijd tussen de internationalisten Karl Marx en Friedrich Engels enerzijds, en de aanhangers van Ferdinand Lasalle (1825-1864) anderzijds. Terwijl de eersten de natie als een grootheid aanmerkten waarvan de arbeider per definitie geen deel uitmaakte, bekende Lasalle zich tot een Duits – nationaal – staatssocialisme.

Sociale zekerheid
Johann Baptist von Schweitzer, Lasalles opvolger (als voorzitter van de Allgemeiner Deutscher Arbeiterverein ADAV – een voorganger van de SPD), stelde in het verenigingsorgaan Der Socialdemokrat geregeld ‘nationale thema’s’ aan de orde. Zo sprak hij zich krachtig uit voor de annexatie van de Deense grensgebieden Sleeswijk-Holstein door Pruisen. De Duitse macht bestond, aldus Von Schweitzer, ‘uit de Pruisische bajonet en de vuist van Duitse proletariërs’. Een dag na het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog in 1870 merkte Von Schweitzer ‘iedere Duitser die zich niet bij zijn volk schaart’ als landverrader aan.

Sociale zekerheid
Binnen de partij – sinds 1890 is dat de SPD – waren dergelijke bekentenissen tot volk en vaderland (feitelijk: pogingen om aansluiting te vinden bij de gevestigde orde) echter nooit onomstreden. Nooit kon een formule worden gevonden waarmee de internationalisten en de ‘nationalen’ zich konden vereenzelvigen. Bij de Rijksdagverkiezingen van 1907 werd de partij genadeloos afgestraft voor haar ‘linkse’ standpunt tegenover de koloniale politiek van het keizerrijk. In een twijfelachtige poging zich van het landverraderlijk odium te ontdoen, schaarde de bijna gehalveerde Rijksdagfractie zich in hetzelfde jaar achter defensiebegroting.

Sociale zekerheid
Zeven jaar later, na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, steunde zij de regering. ‘Er waren’, schrijft Van Doorn, ‘afgevaardigden die van huis vertrokken met het voornemen tegen de oorlogskredieten te stemmen maar onder de indruk van de betogingen op de tussengelegen stations als voorstemmers in Berlijn arriveerden’. Het sociaal-democratische Rijksdaglid Konrad Haenisch was een van hen: de oorlog maakte hem, naar eigen zeggen, bewust van ‘de overwinning van het levende Duitsland op het dode internationalisme.’

Twee zielen

Twee zielen
Of het – tijdens de oorlog – ging om de Duitse oorlogsdoelen, of – na de oorlog – om de vormgeving van de Weimar Republiek of de bouw van pantserkruisers: altijd manifesteerde de SPD zich als een partij met twee zielen. En altijd werd deze partij veracht door ‘rechts’ – hoe omzichtig zij de nalatenschap van het keizerrijk ook heeft beheerd – en werd ze hevig gewantrouwd door ‘links’.

Twee zielen
Hoe groot de behoefte aan een synthese tussen socialisme en nationalisme was, bleek uit de enorme aanhang die de NSDAP begin jaren dertig genoot. Haar omvang in 1932 kwam ongeveer overeen met die van de SPD in 1919. Maar anders dan de SPD, heeft de NSDAP de Duitsers niet teleurgesteld. Nog in 1951 merkte veertig procent van hen de vredesjaren van het Derde Rijk aan als de beste tijd die Duitsland ooit had gekend.

Twee zielen
Omdat hij weinig weerwerk van de bevolking te duchten had, kon Hitler – aldus Van Doorn – ‘een luie dictator zijn’. Het ontbreken van de dwang waarmee de regimes in de Sovjet-Unie en – later – de Oost-Europese satellietstaten zich konden handhaven, wettigt volgens Van Doorn zelfs ‘de vraag of het juist is nazi-Duitsland een totalitaire staat te noemen, en zelfs of het regime dat serieus beoogde te zijn’.

Twee zielen
Van Doorn geeft blijk van een ontembare nieuwsgierigheid en een verfrissende onbevangenheid. Daarmee zal hij – zeker onder historici – geen vrienden maken. Maar dat zal de terminaal zieke columnist vermoedelijk niets kunnen schelen. Uit de reacties op zijn boek zal in elk geval kunnen worden opgemaakt hoever de historiografie van het Derde Rijk sinds de door Ernst Nolte ontketende Historikerstreit is voortgeschreden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden