Nationaal boerenerf

Op de tentoonstelling 'Vorstelijk Vee' in Paleis Het Loo is voor het eerst een combinatie gemaakt van levend en geschilderd vee....

In de koeienstal van kinderboerderij Presikhaaf in Arnhem heerst onrust. Een stevige witrik (een koe met een witte rug) stoot een Lakenvelder aan. Het maagdelijk witte 'laken', een brede baan om het midden van het koeienlijf, steekt af tegen de verder geheel zwarte koeienhuid.

Een klein uitgevallen Fries-Hollandse roodbontkoe houdt zich gedeisd onder het geweld van haar soortgenoten. Een leek ziet het er niet aan af, maar het is een tamelijk uniek beest, zegt René Zanderink, bioloog en kenner van zeldzame landbouwhuisdierrassen. 'Daarvan zijn er nog maar een stuk of tachtig.'

Eind negentiende eeuw gaven de Friezen aan zwartbont de voorkeur, waardoor de roodbonte Fries-Hollanders dreigden te verdwijnen, zegt Zanderink. 'Het is dankzij een stel eigenwijze Friese boeren dat we nog roodbonte hebben.' Met tegenzin laten de dieren zich in de gereedstaande veewagen drijven. Een dik uur later staan ze alweer op hun gemak te grazen in de wei van Nationaal Museum Paleis Het Loo in Apeldoorn. Elke koe heeft haar eigen kalf dat als een miniatuurkopie van het origineel in mama's voetsporen treedt.

De koeien zijn naar Het Loo gebracht om te dienen als levende museumstukken voor de tentoonstelling Vorstelijk Vee, die tot eind juli duurt. Een unieke tentoonstelling, omdat voor het eerst een combinatie is gemaakt van levend vee en schilderijen van vee van begin zeventiende eeuw tot het einde van de negentiende eeuw.

Binnen hangen tachtig zogenoemde 'veestukken' van Nederlandse meesters als Paulus Potter, Vincent van Gogh, Anton Mauve, Albert Cuyp en Melchior d'Hondecoeter. Buiten scharrelen honderden kippen, koeien, varkens, paarden, geiten, schapen en eenden rond. Het Loo is voor drie maanden het nationale boerenerf van Nederland. En een soort Ark van Noach, want de dieren hebben met elkaar gemeen dat ze tot zeldzaam geworden rassen behoren. De tentoonstelling is georganiseerd in samenwerking met hulp van de Stichting Zeldzame Huisdierrassen.

Initiatiefnemer is René Zanderink, auteur van het vorig jaar verschenen boek Van Stal Gehaald (Tirion, Baarn), waarin hij zeventig authentieke huisdierrassen beschrijft.

De tentoonstelling zou eigenlijk vorig jaar al gehouden worden, maar moest door de MKZ-epidemie worden uitgesteld. Wat zich ontpopt als een blessing in disguise, zegt Zanderink. Het ministerie van Landbouw dat vorig jaar slechts een bescheiden bijdrage wilde leveren is nu, tuk op een positief imago, hoofdsponsor.

Ter begeleiding van de tentoonstelling is het boek Vorstelijk Vee verschenen, met een overzicht van de plaats van het landbouwhuisdier in de Nederlandse schilderkunst. Een deel van de schilderijen in het boek is te zien op de tentoonstelling.

Volgens Zanderink laten de schilderwerken goed zien hoe veerassen zich hebben ontwikkeld. Op schilderijen met koeien van vóór de zeventiende eeuw is van uitgesproken rassen nog geen sprake. Koeien in allerlei kleuren staan zusterlijk bijeen in de wei: egaal wit, zwart, grijs, bruin, gevlekt. De vlekpatronen die kenmerkend zijn geworden voor latere rassen komen op in het begin van de zeventiende eeuw.

Een van de eerste werken waarop een later officieel erkend koeienras is te zien is het schilderij Jacob hoedt de kudde van Laban van François Ryckhals uit 1642. In een bijbels landschap staat een heuse Lakenvelder, herkenbaar aan de hagelwitte band. Als ras werd de Lakenvelder pas eind negentiende eeuw opgenomen in het stamboek.

De voorkeur voor bepaalde vlekken is aanvankelijk uit gemak geboren, denkt Zanderink. 'Een boer kon zijn eigen koeien herkennen aan de vlekken. In de zeventiende eeuw had je nog geen oormerken.' Met het ontstaan van de eerste rassen komt ook het veestuk op in de schilderkunst, zegt Wies Erkelens, conservator van Het Loo.

Het veestuk is een typisch Nederlands specialisme. Terwijl in de ons omringende landen kunstenaars zich vooral bezighielden met 'hogere' onderwerpen zoals historische taferelen, ontwikkelde zich in Nederland genrekunst: bloemstukken, interieurs, landschappen en veestukken.

De veestukken werden niet geschilderd voor de eigenaren van het vee, maar voor rijke stadslieden. 'Er was een markt voor', legt Erkelens uit. In het buitenland werkten kunstenaars voor het hof of de adel. In Nederland, dat in de bloeitijd van de Republiek zat, waren de afnemers gegoede burgers die iets aardigs aan de wand wilden.

De grootste Nederlandse veeschilder was Paulus Potter, die jong stierf, maar een enorm oeuvre achterliet. Zijn stier, die niet wordt uitgeleend en dus niet in Het Loo hangt, is wereldberoemd. Maar ironisch genoeg klopt er niks van Nederlands beroemdste rund, zegt Zanderink.

Potters eenjarige stier heeft het gebit van een drie- of vierjarige. De kop past niet bij het lichaam. 'Waarschijnlijk is het een samenstel van schetsen die hij heeft gemaakt in het veld.' Voor Zanderink is interessanter dat Potter op de voorgrond een schaap neerzette met een goed ontwikkelde uier. 'Dat geeft aan dat het echte melkschaap er in die tijd al was.'

Er zijn op de tentoonstelling wel andere stukken van Potter te zien waarop zijn beroemde stier ook opduikt, soms in een andere kleurstelling. Dat was niet ongebruikelijk, zegt Erkelens. 'Je ziet vaker één model terugkeren.'

Het leuke van kijken met het oog van de rassenkenner is dat je schilderijen op een heel nieuwe manier gaat zien, vindt Erkelens. Zo moet de koe op het doek Ossenwagen van Vincent van Gogh uit 1884, een van de topstukken op de expositie, een Drentse of Kempische heidekoe zijn. 'Het is een schraal, schonkig beest, wat typisch is voor dat ras. Als Van Gogh het geschilderd heeft in zijn Nuenense periode, moet het een Kempische koe zijn.'

Nederland is van oudsher een koeienland, dus het hoeft niet te verbazen dat runderen het meest voorkomen op veestukken. Meer dan paarden bijvoorbeeld, die vooral in ruiterstukken figureren, een genre dat in het buitenland populair was.

De koe stond symbool voor de Republiek van de zeventiende eeuw. 'Veracht ons Hollandt niet, wij hebben schoone koeyen daer uyt dat soete-melk, en room en boter vloeyen', dichtte Jacob Cats in 1656. Op spotprenten uit die tijd verbeeldt de rijke melkkoe de jonge welvarende staat.

Nederlandse schilders vereeuwigden niet alleen runderen. Potter, bijvoorbeeld, schilderde allerlei levende have. Maar elke diersoort had min of meer zijn eigen specialisten. Zo was Melchior d'Hondecoeter een echte pluimveespecialist. d'Hondecoeter schilderde voor rijke opdrachtgevers hun bezit aan bijzonder pluimvee. Gewone kippen komen op zijn schilderijen nauwelijks voor.

Het veestuk beleefde een bloeiperiode in de zeventiende eeuw. Aan het eind van de Gouden Eeuw zakte de vraag in. Het classicisme was in opkomst. Kunst moest verheven zijn, vee was te gewoon. Na 1750 laten kunstenaars zich weer inspireren door de oude meesters en groeit ook de belangstelling voor het veestuk weer.

Dat blijft zo in de negentiende eeuw. Voor de romantisch aangelegde impressionisten waren buitentaferelen met vee een dankbaar onderwerp. Schaapskudden speelden een prominente rol voor schilders van de Haagse School.

Sommigen, onder wie Anton Mauve, maakten er hun fortuin mee. Nederlandse schapenschilderijen waren een rage in de Verenigde Staten. De Statenlaan in Den Haag, waarin een aantal schapenschilders woonde, werd spottend het 'schapenlaantje' genoemd. Kudden met komende schapen waren duurder dan kudden met vertrekkende schapen. Daarvoor hoefden alleen achterkanten geschilderd te worden.

Om precieze raskenmerken bekommerden de kunstenaars zich minder. 'Ik schilder geen koeien, maar licht', zei Willem Maris, een van de representanten van de Haagse School.

Behalve als model op zich worden dieren ook in schilderijen opgenomen vanwege hun symboolwaarde. Hondjes staan voor trouw en vriendschap of gehoorzaamheid, zeker als ze naast een kind worden gezet, aldus Zanderink.

Het spreekwoordelijke hondje van Jan Steen lijkt volgens hem nog het meest op een Drentse patrijs. De hond komt zo vaak voor dat het vermoeden bestaat dat in Steens atelier een heeft rondgelopen.

Een hond kan ook voor erotiek staan, maar het symbool bij uitstek voor seksualiteit en viriliteit is de bok. Niet voor niets laat Gerard van Honthorst op zijn Granida en Daifilo (1625) een forse bok grazen naast het minnende paar. Jan Baptist Weenix laat een vrouw door haar vingers naar een parende bok gluren.

Overigens is het mede aan Weenix te danken dat de Nederlandse landgeit, die vijftig jaar geleden zo goed als uitgestorven was, nog bestaat. Weenix portretteerde in 1658 een liggende bok, die model heeft gestaan voor het terugfokken van dit ras.

Zo populair als de koe was in de veestukken, zo onbemind was het varken. Het varken speelde een grote rol in het gewone leven, maar sprak blijkbaar niet tot de verbeelding van kunstenaars en rijke burgers.

Een van de schaarse varkensportretten is opnieuw van Potter, die een varken met hangoren en een met rechtopstaande (steiloor) oren naast elkaar zet. Allebei uitgestorven, het originele Nederlandse landvarken leeft alleen nog op schilderijen.

Het veestuk is in de twintigste eeuw in onbruik geraakt, zegt Zanderink. Maar de laatste jaren is het bezig aan een come back met werk van onder anderen Marleen Felius, een schilderes met een speciale voorliefde voor koeien. 'Tien jaar geleden werd ze nog voor gek verklaard. Nu kan ze de opdrachten niet aan.'

'Het is dankzij een stel eigenwijze Friese boeren dat we nog roodbonte hebben.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden