‘Naschokken veroorzaken ware crisis’

De zoektocht naar een nieuw sociaal-economisch model wordt vertraagd doordat de crisis nog niet zichtbaar en voelbaar genoeg is.

Sociaal-econoom Anton Hemerijck (51) heeft een sombere vraag op zak als hij in september in Parijs spreekt met oud-voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie. Na twintig gesprekken met gerenommeerde wetenschappers als Willem Buiter, Amitai Etzioni en Suzanne Berger tekent zich de breed gedragen voorspelling af dat de wereld rekening moet houden met een langdurige periode van lage economische groei. Hoe moet de politiek hiermee omgaan, is de vraag van Hemerijck, op dat moment directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

‘Delors’ antwoord vond ik verfrissend. Politici zijn creatief genoeg om te begrijpen dat economische groei de komende jaren niet langer een parameter zal zijn om aan kiezers als ultiem doel voor te houden. Als groei er niet in zit, worden politici vanzelf gedwongen andere doelstellingen belangrijk te vinden, zoals de kwaliteit van de zorg, de sociale cohesie in een land en het milieu.’

Zo vergaarde Hemerijck toch weer een hoopvol idee over hoe de wereld er na de kredietcrisis uit kan zien. Vandaag overhandigt hij het boek Aftershocks van de WRR aan minister Van der Hoeven (Economische Zaken). Het boek bestaat uit 24 essayistische interviews met beeldbepalende wetenschappers. ‘We willen met dit boek het repertoire van beleidskeuzes voor de samenleving verbreden en de belangrijkste vraagstukken inzichtelijk maken’, zegt Hemerijck, sinds 1 september werkzaam als decaan bij de faculteit Sociale Wetenschappen aan de Vrije Universiteit.

‘In de maanden na de crisis kwamen vaak economen aan het woord die antwoord gaven op praktische beleidsvragen. Zoals: hoe kun je als staat banken ondersteunen en hoe moet het toezicht veranderen? Maar in het publieke debat ging het bijna nooit over de vragen wat er hierna ging gebeuren. Wat zijn de langetermijnvraagstukken en hoe moet de interactie tussen economie en politiek de komende periode nieuw vorm krijgen?’

De gebruikelijke methode van de WRR – benoem een commissie en laat een lijvig, officieel rapport schrijven – werd als traag en te beperkt beschouwd. In plaats daarvan koos het team van Hemerijck voor een rondje langs internationale wetenschappers. ‘Fantastische gesprekken’ waren dat, die een ‘uiteenlopende reeks aan ideeën’ opleverde.

Neem bijvoorbeeld het betoog van econoom Jean-Paul Fitoussi, adviseur van de Franse president Nicolas Sarkozy. Hij stelt dat de lonen van de lagere middenklasse in de Verenigde Staten gestagneerd zijn en alleen door overmatige kredietverlening deze groep nog in aanraking kwam met welvaart. Zonder groeiende inkomensverschillen was de agressieve aanpak van banken niet nodig geweest. Fitoussi vindt zelfs (Hemerijck: ‘Ik weet niet of ik deze visie deel’) dat ongelijkheid de groei afknijpt.

Of lees de visie van arbeidssocioloog Richard Sennett. Hij schetst het beeld van Amerikanen die met hun creditcard de zorgkosten betalen. In zijn ogen zijn de torenhoge leningen mede veroorzaakt door het gebrekkige gezondheidsstelsel, waarmee zich nog een verklaring aandient voor de overspannen leencultuur.

De politiek is nu aan zet om de komende tijd richting te geven, meent Hemerijck. Na de crisis van de jaren dertig verschoof de macht meer naar de overheid en kreeg de Keynesiaanse aanpak de overhand. De oliecrisis van de jaren zeventig veroorzaakte een verschuiving naar de vrije markt en resulteerde in de trits van liberalisering, deregulering en privatisering.

‘De contouren van het toekomstige sociaal-economische model zijn nog onduidelijk, ook omdat er twee tegenstrijdige krachten actief zijn. Er is hang naar status quo. Aan de ene kant willen bankiers en de neoliberale politici snel terug naar de jubelperiode van hoge economische groei. Aan de andere kant is er de nostalgie van de behagelijke naoorlogse verzorgingsstaat, met behoud van AOW als belangrijk symbool. Tussen deze twee krachtige sentimenten blijft het in het politieke midden akelig stil.’

De verscheurdheid tussen deze twee krachten – markt en staat – komt het duidelijkst in beeld bij sociaal-democraten. ‘Op het eerste gezicht zou je verwachten dat de recente Keynesiaanse investeringen door de overheid de sociaal-democraten in Europa wind in de zeilen zouden geven. Maar het tegendeel is het geval. Een partij als de PvdA kan de tegenstellingen tussen kosmopolitisch en nationalistisch, en de botsing tussen libertair en neoconservatief niet goed afhandelen. Kijk naar Frans Timmermans en Mariëtte Hamer en je snapt de tegenstelling.’

De zoektocht naar een nieuw sociaal-economisch model wordt vertraagd doordat de crisis nog niet zichtbaar en voelbaar genoeg is, meent Hemerijck. De jaren dertig kenden massawerkloosheid en lange rijen voor de gaarkeukens. De jaren zeventig kenden de autoloze zondag. Zo’n schokkende ervaring ontbreekt nog.

Maar het besef wat de crisis teweegbrengt zal nog komen, verwacht Hemerijck. Zes grote naschokken zijn al gaande of komen op ons af. De wereldhandel krijgt een knauw, de werkloosheid loopt op, de pensioenstelsels komen onder druk, de begrotingstekorten exploderen, de grondstofprijzen kunnen weer stijgen en de wereld krijgt te maken met lage economische groei – de naschok waar Delors al een gevat antwoord op had. ‘Bijna alle gesprekspartners voorzien vertraging van de economie, ook omdat een miraculeuze aanjager van de groei nog niet voorhanden is. Wat is immers de pendant van elektriciteit, de auto en de ict-revolutie?’

De politiek moet het daarom over een andere boeg gooien. ‘Inhoudelijke doelen als werkgelegenheid, gezondheid, armoedebestrijding en klimaatbescherming moeten op gelijke voet komen te staan met economische groei.’

Al te bang voor overheidstekorten moeten overheden niet zijn. ‘Zo’n crisis maak je maar één keer in een generatie mee. Na de jaren tachtig duurde het ook vijftien jaar voordat het begrotingstekort van 10 procent was weggewerkt en minister Zalm echt kon lachen. En toen bestond nog het probleem van de rigide arbeidsmarkt. De huidige crisis heeft eigenlijk weinig te maken met de reële economie en het functioneren van markten. Voortijdig stoppen met Keynesiaanse bestedingen zou onnodige schade toebrengen.’

De overheid moet volgens Hemerijck de komende periode blijven investeren, daarbij wel strategisch kiezen (‘zorg, glasvezel’) en bij de overheidsbestedingen letten op kwaliteit. ‘In deze periode is er juist de kans om de vraag te stellen welke dienstverlening de maatschappij nodig heeft en waarvoor de burger graag belasting wil betalen.’

Het grootste gevaar is dat men zich weer blind staart op beurskoersen of economische groei. ‘Let juist op de werkgelegenheid. Pas als de werkloosheid daalt en de werkgelegenheid weer aantrekt moet de overheid stoppen met investeren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden