Narcist in een decadente wereld Biografie schetst SM-fotograaf Robert Mapplethorpe als tijdgebonden fenomeen

WIE HEEFT ooit bevroed dat Robert Mapplethorpe, dè chroniqueur van de sado-masochistische homowereld, de fotograaf die werkelijk alle taboes tartte en in Amerika heftige debatten over kunst en obsceniteit ontketende, zelfs nog aan het eind van zijn leven doodsbang was dat zijn vader zijn homoseksuele geaardheid zou ontdekken?...

Aronson wist hem van het vernederende telefoontje te weerhouden. De Mapplethorpes kwamen naar het Whitney en zagen de expositie in haar geheel, inclusief de SM-afbeeldingen. 'No big deal', reageerde vader Harry. Hij barstte niet uit in woede, zocht geen verklaring, deed geen enkele poging met zijn inmiddels beroemde zoon te communiceren. Harry Mapplethorpe volhardde in zijn onverschilligheid.

Deze terloops beschreven scène aan het slot van Patricia Morrisroe's biografie Mapplethorpe krijgt extra reliëf door ze te koppelen aan eerdere, al even onnadrukkelijk gepresenteerde schofferingen van Mapplethorpe senior. Halverwege de biografie bezoekt vader Mapplethorpe, op aandringen van moeder Joan, Robert's (tamelijk kuise) show in de galerie van Holly Solomon op West Broadway.

Ontdaan van zijn groteske sieraden (Mapplethorpe droeg in die tijd halskettingen met fetisj-attributen), wacht een nerveuze Robert zijn ouders op. Hij leidt hen rond, wijzend op portretten van prinses Margaret en John-Paul Getty ('You know, the Getty's) en pocht dat hij een van de beste jonge fotografen van New York is. Vader Harry haalt minachtend de schouders op als hij verneemt dat zijn zoon zijn foto's niet zelf ontwikkelt. 'Hoe kun je jezelf fotograaf noemen', bitst hij. Van de expositie zelf vindt hij 'niets'.

Aan het begin van de biografie doet de jonge Mapplethorpe verwoede pogingen het Guinness' wereldrecord springstok springen te verbeteren. Hij doet dat op een grasveld voor het raam waarachter hij zijn vader weet. Hij springt en telt en schreeuwt het aantal sprongen richting open raam, net zolang tot hij duizelig op het gras stort. Het wereldrecord heeft hij niet gebroken, maar toch. . . Vol verwachting rent hij de kamer in om zijn vaders reactie te zien. Vader Harry slaapt.

Robert Mapplethorpe, zo maakt Morrisroe gaandeweg duidelijk, hunkerde zijn hele leven naar een sprankje vaderlijke waardering, naar een geste van liefde, een bemoedigend woord. Vergeefs. Mappelthorpe senior had geen begrip voor het afwijkende. Hij wilde maar één ding: een zo normaal mogelijk leven leiden in de door en door burgerlijke wijk Floral Park (aan de rand van Queens, New York). En in die wereld paste zoon Robert, met zijn bizarre seksuele voorkeur en zijn passie voor schoonheid en kunst, niet.

Robert deed zijn uiterste best zich te voegen naar de verwachtingen van zijn vader. Hij nam diens katholieke geloof buitengewoon ernstig, geloofde in de duivel en in de hel (wat later tot uitdrukking kwam in zijn werk). Meldde zich tijdens zijn studie schilderen en beeldhouwen aan het Pratt Institute in Brooklyn vrijwillig voor de militaire opleiding (ROTC) en zelfs voor de elite-eenheid de Pershing Rifles.

Aan zijn latere muze, punk-prinses Patti Smith, vertelde hij dat hij bij de Pershing Rifles zijn eerste SM-ervaringen opdeed. Tijdens een soort ontgroeningsritueel moesten de jonge studenten naakt marcheren. Ze werden geblinddoekt met maandverband, aan hun penissen werden touwen gebonden met daaraan bevestigd een baksteen, die ze van de ene kant van de ruimte naar de andere moesten transporteren. Ze werden gedwongen 'fecaliën' (bananenpuree en grove pindakaas) te eten uit een toiletpot en Robert voelde op een gegeven moment de punt van een geweer in zijn anus.

Tegen ieders verwachting in doorstond de frêle Mapplethorpe de militaire trainingen. Hij werd lid van de Pershing Rifles, trad toe tot de magische kring van 'Special People'. Maar erg macho werd hij er niet van. In zijn veel te grote uniform leek hij een zwerver, een Charlie Chaplin. En waardering van zijn vader, die woedend bleef omdat Robert de 'frivole, dandy-achtige' kunstrichting had gekozen, bleef uit.

Met een knagend schuldgevoel en in de volle overtuiging dat hij niet deugde (hij had daartoe allerlei aanwijzingen: zijn masturberen bij het lezen van Lady Chatterley's Lover, zijn bovenmatige belangstelling voor de wangedrochten van Coney Island, het dwangmatige stelen van pornografische homo-bladen van een blinde straatventer), ontvluchtte hij zijn milieu.

Mapplethorpe stortte zich in het ruige leven van Newyorks zelfkant, ontmoette de androgyne Patti Smith, en samen begonnen ze, met koppige volharding en uiteindelijk met groot succes, met networking. Ze frequenteerden Max's Kansas City, het restaurant aan Park Avenue South - 'where Pop art met Pop life' - en ontmoetten kunstenaars uit allerlei radicale nieuwe stromingen. Ze namen hun intrek in het Chelsea Hotel, waar de kakkerlakken over de vloer liepen, artistieke gasten met hun kunst de huur betaalden en rockmusici als Jimi Hendrix, Janis Joplin en Jefferson Airplane joints rookten en heroïne spoten.

Mapplethorpe's networking strekte zich uit tot Newyorks high society. Tijdens een diner bij Maxime McKendry, de schatrijke culinaire medewerkster van Vogue, leerde hij haar echtgenoot John McKendry (conservator van de afdeling fotografie van het Metropolitan Museum of Art) kennen en later ook modekoningin Diana Vreeland, Mick Jagger, Andy Warhol en nog veel meer invloedrijke uptowners. Via de Maxime-connecties kwam hij ten slotte in contact met zijn belangrijkste mentor, de kunstverzamelaar Sam Wagstaff. De homoseksuele Wagstaff was zo in de ban van Mapplethorpe, dat hij zich liet manipuleren en gebruiken. Onvermoeibaar lobbyde hij voor Mapplethorpe en uiteindelijk wist hij sleutelfiguren in de kunstwereld voor de omstreden fotograaf te interesseren.

Morrisroe, die nog tijdens Mapplethorpe's leven op diens verzoek aan de biografie begon en honderden getuigen interviewde (inclusief de fotograaf zelf), geeft uitvoerige beschrijvingen van de Newyorkse beau-monde. Ze schetst een uitzinnig decadente wereld, waar aan de lopende band cocaïne wordt gesnoven, waar diners worden gegeven van geroosterde pauw overgoten met peperdure wijnen, waar op seksueel gebied driftig wordt geëxperimenteerd, waar geld geen rol speelt en labiele figuren (zoals John McKendry) zelfs vanuit de psychiatrische inrichting ongestraft hun kunstdepartement kunnen blijven besturen. Grenzen waren er om te worden overschreden, regels om te worden overtreden.

Dat gold zowel voor up- als downtown. Ook Mappelthorpe, die moeiteloos pendelde tussen de low en high society, gebruikte allerlei soorten drugs. Hij maakte films (met Sandy Daley, die hem zijn eerste Polaroid-camera schonk) over het bevestigen van een tepel-ring en het aanbrengen van maandverband bij zijn vriendin Smith en vervaardigde collages van knipsels uit homo-pornobladen.

Aanvankelijk hield hij zijn homoseksualiteit verborgen, vooral voor Smith die hij aanbad. Maar toen een Tinkerbelle zijn geheime verhouding met een mooie jongen aan de punkprinses verried en zij hem verliet, liet hij de teugels vieren. Het was alsof een seksuele springvloed door de dijk brak, zo groot en extreem was zijn lust, zo onverzadigbaar zijn seksuele honger. Elke avond pikte hij jongens op in leather bars en in de Mine Shaft, een dark room waar de gruwelijkste seksuele experimenten werden uitgevoerd. Hij exploreerde alle uithoeken van het seksuele heelal, werkte met vuisten, kettingen, zwepen, penisklemmen, scheermessen, gaf zich over aan coprofilie.

En fotografeerde alles. Niet tijdens het experiment zelf, maar de volgende ochtend als de lust was weggeëbd. Pas dan was hij in staat zijn modellen te modelleren, te beeldhouwen met zijn camera. Met een kille distantie vormde hij zijn beelden: ingesnoerd vlees, geketende lichaamsdelen, met messen en scheermessen bewerkte penissen, gepenetreerde anussen.

Wilde Mapplethorpe vooral choqueren? Volgens Morrisroe niet. Zijn adagium was simpel: kunst was sex en sex kunst. Toen een Britse verslaggever Mapplethorpe, nadat enkele van zijn foto's door de douane waren geconfisqueerd, vroeg hoeveel verder hij kon gaan met choqueren, antwoordde hij oprecht. 'Ik heb nog een foto met twee vuisten en eentje met bloed' (Richard, 1978, met een doorkliefde peniskop).

Morrisroe's Mapplethorpe is geen aardig mens. Hij was extreem narcistisch, hield niet van mensen. Ook niet van zijn modellen, die hij afblafte en misbruikte. Zelfs niet van zijn zwarte modellen, zoals vaak wordt beweerd. Hij bracht ze prachtig in beeld, de gladde, perfect gevormde bronzen mannen, maar hij minachtte ze en schold ze uit voor nigger. Aan het eind van zijn leven, toen hij leed aan aids en langzaam wegkwijnde, werd zijn racisme nog bijtender. Het waren de zwarten, meende hij, die zijn ziekte hadden veroorzaakt.

Volgens Morrisroe putte Mapplethorpe zijn inspiratie maar uit één bron: sex. Bloemen, stillevens en vrouwenportretten is hij slechts gaan fotograferen omdat ze beter verkochten. Want wie wil er nou SM aan de muur? Sex baande voor hem ook de weg naar de roem. De rellen, de censuur brachten hem wereldfaam. De vraag of Mapplethorpe nu wel of niet een groot kunstenaar was, beantwoordt Morrisroe niet. Ze geeft slechts de discussies weer die daarover woedden in de internationale media. En de deskundigen, zo blijkt, spreken elkaar tegen.

Ze vermijdt intellectuele valkuilen en wringt zich niet, zoals zoveel Mapplethorpe-beschouwers, in allerlei bochten om aan de hand van Freud, Hegel, Sartre, Rimbaud en Baudelaire, het oeuvre van Mapplethorpe te duiden. Ze beschrijft de fotograaf vooral als een tijdgebonden fenomeen, dat kon schitteren in een periode waarin homo-kunst en -esthetiek langzamerhand in de westerse cultuur werden geïntegreerd.

Mapplethorpe verheerlijkt de donkere zijde van de promiscuë homowereld niet. Op zijn sterfbed zegt hij dat hij vooral betreurt nooit een echte liefdesrelatie te hebben opgebouwd. Hij is dan nog steeds dat kleine jongetje dat hunkert naar liefde. Bitter voor hem is dat de woorden van erkenning pas na zijn dood over vader Mapplethorpe's lippen komen. Op het hoogtepunt van het publieke debat over kunst en obsceniteit - tijdens de rechtszaak tegen de directeur van het Contemporary Arts Center in Cincinnati -, wordt hij door de media meegenomen naar een Mapplethorpe-tentoonstelling. Op een enkele foto na vindt hij het werk van zijn zoon eigenlijk wel mooi. Waarschijnlijk, zegt hij in een interview, maakte mijn zoon toch kunst.

Patricia Morrisroe: Mapplethorpe. Random House, import Van Ditmar, ¿49,25.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden