Namen bij de doden

Familieleden van vermisten in ex-Joegoslavië kunnen sinds kort meer zekerheid krijgen over het lot van hun dierbaren. Hun DNA wordt razendsnel vergeleken met dat van gevonden stoffelijke resten....

Eric Arends

HASA Salimovic weet sinds een paar maanden weer wie en waar haar zoon Junuz is. Ze zag hem voor het laatst op 11 juli 1995 in Srebrenica. De Bosnische Serviërs hadden de Moslim-enclave ingenomen en begonnen de vluchtelingen in bussen en vrachtwagens af te voeren.

De 15-jarige Junuz werd door generaal Mladic persoonlijk uit een truck geplukt. Sindsdien verdween hij spoorloos en kon Hasa jarenlang slechts vermóeden dat haar zoon was vermoord - net als haar man, haar broer, haar twee overige zonen en duizenden andere jongens en mannen.

Nu weet ze het zeker. DNA-testen hebben onomstotelijk bewezen dat de botten die zijn gevonden in een nabijgelegen massagraf, van Junuz zijn. Hasa kan daardoor eindelijk beginnen met het verwerken van de dood van haar zoon.

Maar de identificatie van de jongen heeft meer in gang gezet. Junuz geldt als het eerste slachtoffer van de oorlog in het voormalige Joegoslavië dat in het land zelf vrijwel uitsluitend is geïdentificeerd met behulp van het nieuwe DNA-programma van de ICMP, de Internationale Commissie voor Vermiste Personen. Die werd in 1996 door de rijke landen opgericht.

Het ambitieuze project, dat anderhalf jaar geleden begon, moet overlevenden van de oorlog de hoop bieden dat zij alsnog iets over hun vermiste familieleden zullen vernemen. Dat lijkt te lukken: de nieuwe werkwijze heeft de identificatie zo sterk vereenvoudigd, dat de ICMP thans van mijlpaal naar mijlpaal stuitert. 'We doen wat tot voor kort onmogelijk was', zegt de Amerikaan Edwin Huffine, hoofd van de afdeling forensisch onderzoek van de ICMP in Sarajevo.

Het nieuwe zit hem in de overheersende rol die het DNA-materiaal van zowel doden als overlevenden bij de identificatie heeft gekregen. Tot voor kort identificeerden pathologen de slachtoffers van de gewelddadigheden in de regio hoofdzakelijk aan de hand van analyse van het gebit, de botten en/of de kleding en persoonlijke bezittingen. Maar deze klassieke methode blijkt in ex-Joegoslavië niet bijster effectief.

'Er werden te weinig slachtoffers geïdentificeerd', zegt Huffine. 'In het mortuarium in Tuzla hebben we de afgelopen jaren meer dan 4400 lijkenzakken met menselijke resten uit Srebrenica opgeslagen. Daarvan hebben we al die tijd slechts drie personen op de klassieke manier kunnen identificeren. Het was gewoon een vreselijke mislukking.'

De oorzaak schuilt onder meer in de omvang en de intensiteit van de oorlog. De bevolkingsgroepen hebben elkaar op rigoureuze wijze afgeslacht, waardoor veel lichamen onherkenbaar verminkt of geheel onvindbaar zijn. Alleen al in Bosnië worden nog dertigduizend personen vermist. Van zo'n achtduizend slachtoffers zijn stoffelijke resten gevonden, schat Huffine.

Maar wie dat zijn, is lange tijd onbekend gebleven. Veel lichamen, of delen daarvan, lagen in zogeheten secundaire massagraven. Zo hebben de Bosnische Serviërs in 1995 na de moorden in Srebrenica veel Moslim-slachtoffers uit hun massagraven gehaald, en verspreid over de regio opnieuw begraven. Op deze manier hoopten zij bewijzen voor de massamoord te verdoezelen. Gevolg was dat lichamen en kledingstukken van de slachtoffers uiteen werden gereten en op diverse plekken terechtkwamen. 'We moesten dus een andere manier van identificeren vinden', zegt Huffine.

Hij had al wel een idee. In de Verenigde Staten had het leger DNA-technieken gebruikt om de identiteit vast te stellen van Amerikaanse militairen die in Vietnam waren gesneuveld. Daarbij werd het DNA uit het bloed van nabestaanden vergeleken met het DNA uit de botten van de omgekomen soldaat. 'Ik dacht dat die werkwijze hier ook wel van pas zou kunnen komen', zegt Huffine. 'Maar het gaat in deze regio natuurlijk om veel grotere aantallen. We moesten iets bedenken waarmee we alle DNA-gegevens snel konden vergelijken.'

Aldus geschiedde. Een Bosnische medewerker van de ICMP timmerde een computerprogramma in elkaar dat in één seconde de DNA-informatie uit een bot kan vergelijken met de DNA-gegevens uit vierhonderd bloedmonsters. Volgens Huffine geldt Bosnië nu als 'het enige land ter wereld waar op zo'n grote schaal slachtoffers met DNA-technieken worden geïdentificeerd'.

Het principe is simpel. Vanuit zeven centra in Bosnië, Servië en Kosovo gaan ICMP-medewerkers op zoek naar nabestaanden die bloed willen afstaan voor DNA-onderzoek. De gegevens worden centraal opgeslagen in de computer. Hetzelfde gebeurt met de DNA-profielen uit de botten van de onbekende slachtoffers. Het Bosnische softwareprogramma dat de gegevens met elkaar in verband brengt, stelt de onderzoekers in staat om met een paar muisklikken te achterhalen van wie de botten zijn.

Beide soorten DNA die een menselijke lichaamscel bevat, komen daarbij volgens Huffine van pas: het nucleaire en het mitochondriale. Het nucleaire DNA, het erfelijk materiaal in de celkern, dat voor de helft wordt geërfd van de vader en voor de helft van de moeder, heeft als voordeel dat het voor ieder individu uniek is. Maar het unieke erfelijk materiaal van een individu komt sterk overeen met dat van familieleden. Vergelijking tussen het DNA van de familie en van een slachtoffer kan daardoor uitkomst bieden.

Probleem is alleen dat het nucleaire DNA relatief schaars is. Elke lichaamscel heeft er maar één 'exemplaar' van. Bovendien breekt dit DNA-type langzaam af zodra de eigenaar is overleden. Tot dusver zijn alle identificaties gedaan op basis van het nucleaire DNA, zegt Huffine. Maar in de toekomst kan het mitochondriale DNA mede uitkomst bieden - erfelijk materiaal in de energiefabriekjes van de cel buiten de celkern. Daarvan bestaan per cel vele exemplaren, die bovendien langer bruikbaar blijven. Nadeel is wel dat mitochondriaal DNA niet uniek is: het wordt via de moeder doorgegeven en alle kinderen hebben dezelfde mitochondriale DNA-kenmerken als de moeder.

Sinds de ICMP op 16 november 2001 de identiteit vaststelde van de 15-jarige Junuz Salimovic, is het aantal geïdentificeerde slachtoffers gestaag toegenomen. In de week waarin het NIOD zijn rapport over de val van Srebrenica presenteerde, maakte de ICMP haar honderdste DNA-match bekend. Nu, aan het eind van dezelfde maand, is dat aantal volgens Huffine alweer bijna verdubbeld. 'In de maand april hebben we al meer mensen geïdentificeerd dan in het hele jaar 2001.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden