Nachtmerriemooi

Niks gezond verstand en goede wil, de mens zakt zo door z'n beschaafde zelf en belandt dan in freudiaanse duisternis. Welkom in de wereld van Mike Kelley.

Wat zou Sigmund Freud hiervan denken? Het is toch een van de eerste gedachten die je hebt, wandelend door de nieuwbouwzalen van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Aanleiding is de overzichtstentoonstelling van de Amerikaanse kunstenaar Mike Kelley (1954-2012) die afgelopen vrijdag werd geopend. Zelden zal er tussen de muren van een museum zo veel stof tot psychoanalytisch overpeinzen zijn geweest als nu.


Vermeende seksuele onderdrukking, poep en pies, tere kinderzieltjes die worden vertrapt, religieuze verwijzingen, ongepolijst geschreeuw en bitter gehuil, en dat alles overgoten met een dikke saus van spot, ironie, lichtvoetigheid en wrange grappen. 'Mensen denken altijd dat ik een perverseling ben of dat ik zelf ben mishandeld', heeft hij ooit gezegd. Beide mogen dan misschien niet het geval zijn, voor wie het werk ziet, blijft overeind dat er slechts een flinterdunne scheidslijn is tussen liefde en geweld, onschuld en kwaadaardigheid, agressie en compassie. Met als onderliggende toon dat dit wrange dualisme ieder mens eigen is.


Kelley lichtte zijn uitgangspunt zelf eens toe met de uitspraak: 'Het beste wat kunst kan doen, is om mensen bewust te laten worden hoe de wereld werkelijk in elkaar steekt.' En hij bedoelde daarmee niet dat die werkelijkheid er een is van hoop, gezond verstand en goede wil. In tegendeel. Beschaving is bij hem een broos laagje ijs waar je pardoes doorheen kunt zakken, richting een freudiaanse onderwereld. De bezoeker is gewaarschuwd.


Het mooiste bewijs ervan is een schilderij dat Kelley niet eens zelf heeft gemaakt, maar wel geïnitieerd. Op een smalle wand is een doekje te zien met spelende kinderen in vrolijke kleuren, geschilderd met een Cobra-achtige onschuld. Wat blijkt: het schilderijtje met de signatuur JWV is niet minder dan van topcrimineel Jan-Willem van E. Daar ben je dan toch mooi ingestonken. Ondanks de haag van geschilderde portretten die er omheen staat, van filosofen, kunstenaars, schrijvers en dichters, de dragers van hoge cultuur, van wie citaten worden vermeld zoals dat alle 'creatie op destructie' is gebaseerd, afkomstig van de revolutionair Bakoenin.


Het adagium gold ook voor Kelley zelf. Wandelend door de zalen weet je niet of je moet lachen of huilen. Ranzige knuffeldiertjes, krantenfoto's van 'gezellige' schoolfeestjes, video's van onschuldig ogende kerst-opvoeringen of The Banana Man (gespeeld door de kunstenaar zelf) die een soort lintworm uit zijn kruis trekt. En als pièce de résistance: een zwartgeblakerd Christuskindje in een kribbe waarin het opschrift 'Kelley' staat gegraveerd. Mocht het woord 'raffinement' überhaupt in je opkomen, dan toch vooral door de veelzijdigheid en precisie waarmee Kelley zijn duistere wereld heeft verbeeld. In een tweeslachtigheid die overal voelbaar is: wreedheid verpakt in onschuld.


De geest van Kelley moet zo sterk zijn geweest, dat zelfs de weg naar deze overzichtstentoonstelling erdoor werd getekend: met veel goede wil en optimisme begonnen, maar gaandeweg bezaaid geraakt met hobbels. Een zoete droom die in een nachtmerrie dreigde te eindigen.


Want hoe zat het ook alweer? Rond 2006 kocht de vorige Stedelijk-directeur, Gijs van Tuyl, een paar werken van Kelley aan. Al snel werd besloten er ook maar gelijk een tentoonstelling van te maken. Vervolgens kwam Van Tuyl op het idee om met die expositie de verwachte nieuwbouw van zijn museum te openen, waarvoor hij een droombudget van 450 duizend euro incasseerde van de Turing Foundation. Voor de opzet en inrichting had Van Tuyl de Duitse tentoonstellingmaker Eva Meyer-Hermann gevraagd, die eerder de succesvolle expositie van het tv-werk van Andy Warhol had samengesteld, in het tijdelijke onderkomen van het museum aan het IJ.


Maar daarna kwam de klad erin. Van Tuyl vertrok na vier jaar directeurschap. De opening van het Stedelijk werd om de inmiddels bekende redenen keer op keer uitgesteld. Kelley pleegde zelfmoord. En Ann Goldstein, Van Tuyls opvolger, vond de thematische aanpak van Meyer-Hermann plots niet meer passend om een dode Kelley mee te eren.


Hoe omvangrijk de tentoonstelling nu ook is - met bijna tweehonderd werken de grootste tot nu toe - het is in feite een 'gewoon' retrospectief. Meyer-Hermann had het plan het oeuvre op te delen in verschillende thema's, zoals feminisme en gender. Waarmee accenten zou worden gelegd om het oeuvre inzichtelijker te maken. En zeker geconcentreerder.


Goldsteins versie mag de grootste zijn ooit, het is de vraag of Kelleys werk daardoor het best tot zijn recht komt. Voordeel van een chronologisch overzicht, zoals nu, is dat je het werk vanaf zijn ontstaan kan bestuderen. Waaruit die helse wereld van Kelley voortkomt. Hoe die zich heeft ontwikkeld.


Maar het is een puur kunsthistorische benadering die een paar fikse tekortkomingen kent. Kelley is namelijk niet los te weken uit de cultuur van de jaren zeventig en tachtig, van de muziek, het theater, de literatuur, reclamebeelden, stripboeken en B-films van die tijd. Wie om zijn werk te duiden louter de artistieke chronologie als meetlat gebruikt, schiet al snel tekort. En doet geen recht aan het uitbundige multitalent dat Kelley zelf bezat.


Het blijkt ook uit de wordingsgeschiedenis van Kelley zelf. Opgegroeid in Detroit, ging hij studeren aan de kunstfaculteit van de universiteit van Michigan in Ann Arbor. Begin jaren zeventig gold die academie als het bolwerk van de ernstige, formele schilderstijl waarmee Pollock, Baziotes en Matta groot waren geworden. Voor Kelley was het onderwijs er te benauwend en repressief.


Dat de keuze voor Ann Arbor een vergissing was, bleek wel toen hij twee jaar later, in 1978, naar Californië verhuisde. En daar terechtkwam in de veel vrijere paddestoelencultuur en undergroundbeweging van Los Angeles en San Francisco. Plots maakte het niet uit of je films maakte, op gitaren ramde, schilderde of getraumatiseerde performances opvoerde. Hij ontmoette andere performancekunstenaars als Vito Acconci en Chris Burden en raakte gefascineerd door de boeken van Charles Bukowski en William Burroughs. En dat alles in een Hollywood-setting, van de opkomende reclamewereld en de Californische laissez-fairementaliteit. Van die cultuur wil je op een overzichtstentoonstelling met pretentie iets zien. Wat nu niet het geval is.


Komt bij dat de grootse opzet ten koste gaat van de slagvaardigheid en impact die het werk in zichzelf heeft. In het verleden is gebleken dat Kelley's werk het effectiefst overkomt in compacte presentaties. Een geslaagde show van Kelley dompelt je onder in zijn nachtmerriewereld, waaraan geen ontsnappen mogelijk is. 'Mijn werk bestaat niet uit afgesloten, afgeronde onderdelen,' zei hij daarover eens. 'Alles komt steeds terug. Het is eigenlijk een flow of ideas. De verschillende projecten horen in elkaar over te lopen.'


Een directeur die zegt artist driven te zijn, zou met zo'n uitspraak meer rekening moeten houden. Goldstein had goud in handen, maar liet het vervolgens uit haar vingers vallen. Ze presenteert Kelley zonder onderscheid, net zoals ze de vaste collectie heeft opgehangen.


Waar de presentatie wel enigszins lukt, is in de opstelling in de bovenzalen van het Stedelijk. In de duisternis komt de kakofonie van beelden en geluiden nog het dichtst bij wat Kelley met zijn werk zelf voor ogen moet hebben gestaan. Dan blijkt ook hoe Kelley zich kon overschreeuwen. Om het irrationalisme te bevechten, de demonen te bezweren, zijn getraumatiseerde verleden te overwinnen. Hoewel je dat niet met zekerheid weet. Zelf vond hij het lange tijd frustrerend dat zijn jeugd in alle beschouwingen werd benadrukt. Kindermisbruik? Nee, dat was het niet. Wat wel? Hij wist het niet. Maar gaandeweg legde hij zich bij de beeldvorming neer. 'Ik besloot er maar aan toe te geven en me er specifieker mee bezig te houden. Door terug te gaan naar het verleden om erachter te komen wat ik constant heb onderdrukt.'


Ach, had Freud dit eens kunnen zien.


De beste kennismaking die Nederland zich kon voorstellen met het werk van Mike Kelley: zijn 'tentoonstelling in een tentoonstelling', tijdens de expositie Sonsbeek 93, in 1993. Titel: The Uncanny. Zelden zo'n verscheiden overzicht gezien van hoe het menselijk lichaam kan worden gepresenteerd. Met foetussen, dodenmaskers, anatomische modellen met gebreken, paspoppen en sculpturen van onder anderen Robert Gober, Paul McCarthy en Jeff Koons. Kelley noemde deze hele verzameling zijn 'harem', wat wel weer liefdevol is. De catalogus is nog steeds een 'genot' om door te bladeren.


Werk Kelley

Inrichting Goldstein

Stedelijk Museum, Amsterdam

Tot en met 1 april 2013. stedelijk.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden