Naar Zeeland

In de kazerne in Middelburg vonden we een lege kamer, regelden een tafel, drie stoelen en een schrijfmachine en begonnen met de getuigenverhoren....

De kazernekok wist in plat Haags te vertellen dat de sergeant-majoor die van de dijk was gelopen bij normale dienst administratief werkzaam was. 'Ik ken 'm zo goed omdat hij altijd het laatste aan tafel gaat.'

'Waarom doet hij dat?'

'Drinken aan de bar. Jenever. Als hij geen fles op heeft, kan hij niet eten.'

'Iedere dag?'

'Elke dag dat ik dienst heb. Over de andere dagen kan ik niet onder ede getuigen.'

'Deed hij normaal dienst?'

'Wat is normaal? Hij zal als sergeant-majoor-administrateur de laatste twintig jaar geen geweer meer in zijn handen hebben gehad.'

'Was hij lichamelijk sterk?'

'Alleen in zijn rechterpols, denk ik.' De Hagenees maakte een drinkgebaar. 'Ik weet wel zeker dat hij niks meer kan dan een pen vasthouden. Meer hoeft ook niet. Behalve die nacht dan.'

'Hij is een alcoholist?'

'Dat kan ik niet getuigen. Laat ik 't zo zeggen; waar je 'm zou knijpen, in zijn neus of in zijn billen, er komt drank uit. Begrijpt u?'

Toen de kok zijn verklaring had getekend, bleef hij in de deuropening staan en zei: 'Die man kejje toch niet aan de dijk zetten.'

Om tien uur 's avonds hadden we dertien getuigen gehoord. We gingen naar ons hotel in Vlissingen. 'We gaan op de dijk kijken waar ze zijn weggelopen, zelfde plek. Drie uur vannacht.'

Het werd een barre tocht. Het was donker. De woedende zee lichtte kwaad op. De ijskoude stormwind blies door mijn battledress, trui en borstrok heen, alsof ik naakt voor dat helse water stond.

Op het resterende stuk van de dijk beukte de zee waarin honderden zandzakken wegspoelden. Alleen God kon deze storm stillen. De Zeeuwen baden tot God. Ik dacht aan de drie mannen in de cel. Ik vermoedde dat Bavinck er ook aan dacht. Generaal Hasselman was heel ver weg.

Toen we ook de verdachten hadden gehoord, was de enige weg die het water ons nog liet, de veerpont naar Zeeuws-Vlaanderen en via Antwerpen terug naar huis. De verdachten zouden door de marechaussee overgebracht worden naar het Huis van Bewaring in Den Bosch.

De sergeant-majoor was de eerste geweest die dag. Hij zat er rillerig bij. Hij ontkende alles wat met drank te maken had. Voor het overige gaf hij alles toe. Het was een zinloze toestand geweest daar op de dijk, vond hij. De zandzakken spoelden onder je ogen weg. Hij was er niet aan begonnen.

'En de anderen?'

'Die stonden in lange rijen als gekken zakken met zand aan elkaar door te geven van de truck naar de rand van de dijk. Dan ging de zak de zee in.' Hij trok beverig aan zijn sigaret en keek de officier-commissaris aan. 'Mag ik u iets raars zeggen?'

Bavinck luisterde.

'Het was een hel daar in die storm, maar de korporaal had zo'n rare giechel en ik moest lachen.'

'Waarom lachte u?'

'Omdat ik een stel grote kerels zakken met zand zo maar in zee zag gooien, waarna het zand wegspoelde.'

'Zo maar?'

Hij keek verbaasd van Bavinck naar mij. 'U moest er eens gaan kijken.'

Bavinck keek hem ernstig aan. 'We zijn er geweest. Vannacht. Op het uur dat u wegliep.'

'Waren ze nog steeds met zakken zand...?'

'U bent sergeant-majoor, u voerde het bevel over uw manschappen. Door uw houding zitten ook die twee anderen in een cel.'

De sergeant-majoor zat verdwaasd naar Bavinck te staren.

'Vijf andere soldaten uit uw groep, en trouwens het hele peloton', hield Bavinck vol, 'bleven wel doen wat hun gezegd was.'

'Die waren gek.' Het was eruit voor hij het wist.

'U bent militair, onderofficier in een hoge rang, beseft u dat?'

De verdachte trilde niet meer. Hij spande zich in om Bavinck te begrijpen, die andere wereld die hij ontvlucht was. Zouden er onder militairen meer alcoholisten zijn dan in de rest van de maatschappij?

Hij hervond zijn flux de bouche. 'Natuurlijk kapitein. Ik doe mijn werk. Iedere dag ben ik op kantoor. Iedere dag...'

'Geeft u wel eens dienstbevelen?'

'Eh... nou... nee.'

'Vraagt u ondergeschikten wel eens iets voor u te doen dat met de dienst te maken heeft?'

'Natuurlijk kapitein. Ze moeten post halen en brengen. Maar dienstbevelen...'

'Dat zijn dienstbevelen.'

Hij zweeg. Bavink wist genoeg.

'Bent u bereid aan een psychiatrisch onderzoek mee te werken?'

De verdachte aarzelde.

'Het heeft tot gevolg dat u pas voor de krijgsraad komt als het rapport klaar is.'

Ik zag hem zijn kansen berekenen. 'Dan hoef ik nu dus niet...'

'Nee. Over zes weken op zijn vroegst. Kan ook drie maanden worden.'

'Ik werk mee', besloot hij.

vervolg op pagina 4

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden