'Naar zee' in De Hallen in Haarlem

Bij 'Naar zee' tref je veel schilderijen die een bedaarde zee tonen, neigend naar roerloosheid. Hollandse zeeën.

Een van de opmerkelijkste zinnen over de zee komt uit het nummer Aan de kunst van Bløf: 'De zoute zee slaakt een diepe zilte zucht.' Die 'zoute zee' komt gevaarlijk dicht in de buurt bij 'nat water'. Het is lang zoeken naar een zoetwaterzee. Vóór de ijstijd was de Zwarte Zee een zoetwaterzee, omdat het een binnenzee was. Maar daar houdt het dan ook mee op


En dan viermaal die z. Alliteraties zijn doorgaans erg fijn, maar je kunt ook overdrijven. Er ontstaat in één regel een, om in de sfeer te blijven, vloedgolfje van z'tjes. Daar moet je van houden. Net als van die ándere zee-alliteratie: de 'zwalpende zee'. Dat 'zwalpen' trekt al zo de aandacht dat ieder woord erna geen z meer verdraagt.


Dat was vermoedelijk ook de afweging van dichter Willem de Mérode (1987-1939). Hij koos in zijn zee-gedicht De visscher voor: 'O zware zwalpende oceaan.' Je ziet de dichter het woord 'zee' doorstrepen en vervangen voor oceaan. 'Zwaar' en 'zwalpend' waren misschien al te veel.


Dat 'zwalpen' is nogal in onbruik geraakt, net als 'woelige baren'. Tegenwoordig hebben we het liever over een overslaande golf. Of, als het gaat over extremen, over een tsunami.


Bij de tentoonstelling Naar zee in De Hallen in Haarlem tref je relatief weinig zwalpende zeegezichten aan. Veel schilderijen in De Hallen tonen een bedaarde zee, neigend naar roerloosheid. Hollandse schilders van de zee lijken vaker de voorkeur te geven aan eb dan aan vloed. Weinig tierende en brullende zeeën, wel veel zeeën die, om terug te keren naar Bløf, een - soms binnensmondse - zucht lijken te slaken.


Die zucht trekt de Bløf-zin wat mij betreft uit het slop. Iedereen in Nederland heeft, zo stel ik me voor, de zee wel eens horen brullen of, bij eb, ruisen. Maar zuchten? Misschien moet je aan de kust zijn opgegroeid om ooit zo'n zucht te hebben gehoord.


Ik stel me voor dat Adriaan van Dis, opgegroeid in Bergen aan Zee, de zee meer dan eens heeft horen zuchten. In 1994 las ik zijn roman Indische duinen. De 'ik' spreekt al vroeg in de roman zijn liefde uit voor Bergen aan Zee. In gesprek met een van zijn zussen legt de ik-figuur uit: 'Voor mij is er maar één strand en dat is hier. Ik hou van dit landschap, de bruingroene helm achter de duinen, (...) blauwe distels (...), de gele teunisbloem, het zwart van de dennen. Als ik niet kan slapen, denk ik aan die kleuren.'


De zus reageert verbaasd: 'En je zei altijd dat je hier ongelukkig was?'


'Niet in de duinen', antwoordt de 'ik'. 'Hier vond je een horizon zonder mensen.'


Bij het lezen van die passage ervoer ik destijds een schokje van herkenning. Aan precies die 'horizon zonder mensen' was ik in datzelfde Bergen aan Zee gehecht geraakt, gedurende de drie zomers dat ik er als scholier met vakantiebaantje in een cafetaria aan zee patat bakte en frisdrank verkocht.


Het personeel van de strandtent maakte werkweken van zestig uur: zes dagen in de week en tien uur per dag. Op dagen dat het geen strandweer was, werden wij geacht tóch aanwezig te zijn - want de zon kon zomaar doorbreken en dan was het voor je het wist heel druk aan zee. Maar vaak brak de zon níét door, en zonder klanten duurden die tien uur erg lang. Op bewolkte, kille maar windstille dagen doodde ik de tijd met het staren naar de zee.


Was het écht een barre en boze dag, dan stuurde de uitbater van de strandtent iedereen van het personeel naar huis - iedereen, minus één, want zelfs op de guurste dagen in de zomer bestond de kans dat er een eenzame wandelaar kwam aanzetten die een kop koffie wilde. Ik was vaak die ene die kon en mocht blijven. Meestal kwam er niemand voor een kop koffie en bracht ik uren alleen door. De aanblik van het strand, zee, lucht en de 'horizon zonder mensen' veranderde op die gure dagen in een landschappelijke metgezel, een entiteit met een ziel, waartegen het goed binnensmonds spreken was.


Omdat behalve ikzelf niemand in de wijde omgeving een blik wierp op de onmetelijke leegte van land, lucht en water, was het op zulke dagen niet moeilijk me in te beelden dat de zee, eenmaal bezield geraakt, zich misschien verheugde in mijn geruisloze aanwezigheid.


Het scheelde niet veel of ik eigende mij een zekere exclusiviteit toe die door de zee, stoïcijns en minimaal deinend onder de afwaswatergrijze luchten, bij wijze van kosmisch verbond werd bekrachtigd. Ik zeg erbij: ik was 15, 16 jaar, en dus in de ontvankelijke leeftijd. Dat is geen excuus, wel een verklaring.


Die eertijdse 'toeëigening' van de zee blijk ik met sommigen te delen, ontdekte ik in De Hallen. 'De zee is van mijn!', schijnt Hendrijk Mesdag te hebben uitgeroepen. Zijn uitroep is in grote letters op de museumwand gekalligrafeerd, nabij zijn schilderij Avondstemming (1889). Elders in De Hallen is een uitspraak van Jan Toorop te lezen: 'Men moet nog meer met de zee alleen zijn om de schoonheid ervan te begrijpen.' Het had zó in Van Dis' Indische duinen kunnen staan.


Ook Jan Dibbets hecht aan die 'horizon zonder mensen'. 'Ik houd van een lege, vlakke zee, en dan met die fantastische horizonlijn', aldus Dibbets. In De Hallen is een werk te zien uit zijn serie New Horizons (2007), een collage van twee kleurenfoto's. In de vorm van een Mondrianeske uitsnede combineert Dibbets monotoon grasland en een vrijwel roerloze, bijna zwijgende zee, met als verbindende factor een haarscherp afgetekende horizon, alsof in de verte, ter hoogte van de einder iemand met een stanleymes te werk is gegaan. De horizon als schijnbaar resultaat van menselijke inspanningen - die horizon laat zich alleen zien wanneer de ene leegte de andere raakt: leegte van lucht en water, met nergens een houvast.


Behalve Adriaan van Dis kende Bergen aan Zee nog een andere liefhebber van de horizon zonder mensen: de schilder Edgar Fernhout, kleinzoon van Jan Toorop, zoon van kunstenares Charley Toorop. Jarenlang maakte Fernhout vrij conventionele portretten en landschapsschilderijen, tot hij zich wendde tot wat hijzelf omschreef als 'zeegezichten zonder personages'. Gelukkig zijn Fernhouts ijl-abstracte zeegezichten rijk vertegenwoordigd op Naar zee.


Hoe maak je een leeg landschap nóg leger? Fernhout probeerde het in een aantal schilderijen met louter vlekken, dan weer rechte kleurbanen, maar nooit met de radicaliteit en gestrengheid als van Mondriaan. Die laatste stap moet hem te boud en gedurfd zijn geweest. 'De zee is zo innerlijk, zo introvert', aldus Fernhout, 'dat het bijna niet meer naar buiten is te brengen, te verbeelden is.' Zijn zeegezichten lijken zichzelf te willen uitgummen, bij wijze van hommage aan de introversie van een zee bij windstilte. Een zee die met zichzelf verlegen is.


Het stilste zeegezicht in De Hallen is van Gert-Jan Kocken en is meteen ook het misleidendst. Het is een foto van een open zee, inclusief een kraakheldere horizon waar Dibbets zo van zegt te houden. Erboven een blauwwitte lucht die doet denken aan het steriele blauw van Nederlandse openluchtzwembaden. Kocken maakte de foto even buiten de haven van Zeebrugge, die niets dan rust ademt en vertrouwenwekkende leegte. Die rust wordt verstoord zodra je de titel van het kunstwerk, uit 1999, leest: 'Zeebrugge/ Belgium / March 1987: The Herald of Free Enterprise capsizes just outside the harbour of Zeebrugge, killing 192 people'.


Zelden eerder zag ik de spreekwoordelijke stilte na de storm verraderlijker afgebeeld. Het zeegezicht, weliswaar afkomstig uit België, toont de Hollandse klare lijn en bevat een bijna transparante lucht en dito zee. Je kijkt ernaar, en na enige tijd gebeurt het: je hoort een diepe, zilte zucht. Daarna is het weer stil.


Naar zee, t/m 2 sep, De Hallen, Haarlem; dehallen.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden