ReportageJeugdcriminaliteit

Naar school zonder ontbijt – maar met een mes

Leerlingen die met messen naar school komen, leerlingen die op dodenlijsten staan: op het Bindelmeer College in de Amsterdamse Bijlmer is het de dagelijkse realiteit. Directie en docenten werken uit alle macht aan een veilig klimaat. 

Het Bindelmeer is een vmbo-school in de Bijlmer met 550 leerlingen. Beeld Jiri Büller

Hij is een joch van nog maar 13 en acht weken lang stond hij op een dodenlijst. Dat zat zo. Zijn grote stiefbroer, nog maar net 18, zou in september vorig jaar Jay-Ronne, rapper, ook niet ouder dan 18, hebben gedood met een machete. Het gebeurde op straat, voor de hal van Florijn-Zuid, zo’n galerijflat van tien verdiepingen waaraan de Amsterdamse Bijlmer zijn reputatie dankt. De vermoedelijke dader en het slachtoffer waren lid van twee rivaliserende drillgroepen. Drillmuziek is een variant op rap, maar dan donkerder en monotoner, waarin geweld wordt verheerlijkt. Jay-Ronne zou van achteren met het kapmes in zijn hals zijn geslagen. Het drama had nog geen 20 seconden geduurd. Wat valt er meer te zeggen? Dat de steekpartij op Snapchat was te zien en dat de vermoedelijke dader een IQ bleek te hebben van 69, een score van zwakbegaafden. Het was de Venserpolder tegen Kraaiennest. De twee gangs hadden elkaar al enige tijd met drillteksten opgehitst. Twee jongens die vooropgingen in het gevecht hebben zich bij de politie gemeld. Hun zaak moet nog inhoudelijk worden behandeld.

Maar nu die jongen van 13. Hij is een leerling van het Bindelmeer College, een vmbo-school in de Bijlmer. Kees Buijtelaar, een lange, slanke vijftiger, is er directeur. Eerder was Buijtelaar plaatsvervangend rector van een gymnasium in Almere. Twee jaar geleden kwam hij als tijdelijk schoolhoofd naar de Bijlmer. ‘Ik had bedacht dat goed onderwijs op andere plekken vermoedelijk nog noodzakelijker was.’ Nu wil hij in geen jaren meer weg.

Buijtelaar zegt dat wij geen idee hebben van wat zich afspeelt in weggestopte wijken. ‘Wij’, dat zijn de brave burgers, the well-to-do people. Over wat zich voordoet, vertelt hij in lange, struikelende zinnen: ‘Alles wat de laatste jaren in Zuidoost is gebeurd, het wapengeweld, jongens die zijn neergeschoten, jongens die zijn neergestoken – het speelt zich allemaal af rond deze school. Via familieleden of gewoon rechtstreeks door leerlingen. In wijken als Venserpolder en Florijn zitten kinderen midden in de criminaliteit, of anders hun broers wel. Het enge is: het is onberekenbaar geworden. Vroeger kon je over een vriendinnetje nog weleens een vechtpartij hebben. Nu wordt het onmiddellijk beslecht met: oké, dan steek ik jou neer.’

Dertig messen hebben de docenten in de eerste maanden van het schooljaar afgepakt. Er waren ten minste veertig incidenten: leerlingen die op straat andere leerlingen stripten, hen met geweld dwongen hun merkschoenen af te staan, hun merkshirt in te leveren, leerlingen die zich ontpopten als drugsdealer.

De directeur buigt zich naar voren over de lange tafel in zijn directiekamer: ‘Het allerengste wat ik heb gezien, en daar heb ik alle autoriteiten constant voor gewaarschuwd, want wij horen die verhalen, wij hier op school zijn de enigen, wij zijn echt de enigen aan wie kinderen nog komen vertellen wat er aan de hand is in de buurt, het heeft alles met vertrouwen te maken, want snitchen heeft een zware lading hier, omdat het betekent dat wie als snitch wordt aangewezen, wie niet zwijgt over wat hij ziet, hoe jong je ook bent – dat kan je fataal worden… Dus wij weten wat politie, justitie en jeugdwerk niet weten en wij hebben ook constant gewaarschuwd: jongens, er zit een enorme spanning op, we zien nu in een razend tempo van één, twee jaar het geweld en de onveiligheid zich opeenstapelen. Het komt voor een belangrijk deel door de uitzichtloosheid hier. Je wilt deel uitmaken van een groter geheel, maar je krijgt de kans niet. Sociale media versterken die gevoelens en geweld is een van de uitkomsten. Dus we zien allereerst messentrekkerij en vervolgens groepen jongeren die gaan inplannen. Wij zijn het afgelopen jaar heel druk geweest met het fenomeen dodenlijsten bij jeugdgangs, het zijn jongetjes van 14 jaar die iemand op een dodenlijst zetten omdat er iets is gebeurd of gezegd wat niet bevalt en dan gaat zo’n groep plannen. Van: die en die moeten eraan. We hebben een aantal keren letterlijk gehoord wat er in zo’n groep wordt gezegd, hoe het wordt georganiseerd. Dan heb je het inderdaad over liquideren. Er is altijd wel iemand zo gek om het te doen. Voor een paar honderd euro; voor 1.500 gaat er een strik omheen. We hebben gehoord dat er werd gezegd: o, als jullie mij een zeker bedrag bieden, wil ik het wel doen.’

Karim el Azzouzi, teamleider van de onderbouw, met een leerling.Beeld Jiri Büller

De schooldirecteur wil niet in detail ingaan op ‘het allerengste’ wat hij heeft gezien. Hij moet doelen op de moord op Jay-Ronne, de jonge rapper die een oud-leerling was van het Bindelmeer College. Diens omgeving reageerde furieus op zijn dood: dit pikken we niet, dit moet worden gewroken. Mensen trokken demonstratief de straat op, zochten elkaar op. Volgens ingewijden gingen de gesprekken over de vraag: wie gaan we pakken, hoe gaan we dat doen, wie gaan we daarvoor inzetten? De keuze viel op de jongen van 13. Dit stiefbroertje van de vermoedelijke dader kwam op een dodenlijst te staan. Nadat een eerste poging hem te liquideren was mislukt, is hij door familie ondergebracht op een geheim adres.

Buijtelaar: ‘Ik heb dus een leerling op een geheim adres zitten, wekenlang, we zien hem niet op school verschijnen en als we niks doen, gaat die jongen eraan en wordt hij ergens in een stille hoek van de Bijlmer afgemaakt. Een jongetje dat zit ondergedoken en niet naar school kan, omdat hij anders zal worden omgelegd – dat kan toch niet? Dat mogen we toch niet accepteren?’

Volgens de Amsterdamse hoofdcommissaris Frank Paauw is de straatcultuur hard aan het veranderen. Jonge kinderen die messen bij zich dragen én gebruiken zijn het nieuwe dreigingsbeeld. Het ligt voor de hand een verband te vermoeden met het opjuinende karakter van drill, al zijn er ook deskundigen die dit relativeren. Burgemeester Femke Halsema van Amsterdam, tevens criminoloog, liet bijvoorbeeld noteren dat ‘criminalisering van rap ons niet dichter bij een oplossing brengt’. De Telegraaf sprak van ‘een steekepidemie’ door ‘steekpubers’. Naar aanleiding van incidenten in Beverwijk en Gorinchem schreef minister Ferdinand Grapperhaus een brief aan de Tweede Kamer over ‘straatterreur’. Landelijke cijfers zijn er niet.

Het joch van 13 is na bijna twee maanden teruggekeerd op het Bindelmeer College. Hoe ging dit in zijn werk? De schooldirecteur wil er weinig over kwijt. Politie en jeugdzorg stonden erbuiten. Volgens betrokkenen is ingegrepen door bewoners met sterke informele posities in Zuidoost. Het is tekenend voor de machtsverhoudingen in de wijk. Invloedrijke figuren die zich verbonden voelen met de Bijlmer hebben de kringen rond de vermoorde Jay-Ronne laten weten dat eerwraak en eigenrichting uit den boze waren. De rechter zou oordelen; de rust moest terugkeren in de buurt. Het kind dat op de dodenlijst stond, moest ongemoeid worden gelaten. Er is niet over geconfereerd, er is niet voor gedemonstreerd. Er is alleen van bovenaf het signaal gegeven: dit moet stoppen. Het was afdoende. De school kreeg bericht dat men de leerling weer op school mocht verwachten.

Later laat de schooldirecteur doorschemeren dat men samenwerking zoekt met de informele leiders van de wijk. Van scholen in achterstandswijken in Los Angeles heeft men checklists gekregen aan de hand waarvan is vast te stellen of leden van een gang goede intenties hebben, echt willen helpen. De directeur: ‘Is de man betrouwbaar? Luistert hij naar ons? Hij mag niet het voortouw nemen, wij bepalen wat er wel of niet gebeurt.’

Verderop in het gesprek: ‘Als het hier rustig is, komt dat niet door de politie. Het zijn andere mensen die bepalen of het rustig is op straat.’

Maar wat betekent dit alles nu voor zijn leerlingen? De directeur zucht eens flink: ‘Nou ja, dit is de setting waarin onze kinderen naar school komen. Wij zien ze binnenkomen. Wij zien hun onrust. Je kunt niet verwachten dat een kind zegt: oké, vannacht is er drie keer geschoten bij ons in de flat, maar nu ga ik lekker wiskunde doen. Wij hebben kinderen die bij ons komen: meester, ik moet naar huis, maar ik durf niet over straat. Dan kunnen we zeggen: niks mee te maken, school is afgelopen, tot morgen – maar dat kan natuurlijk niet. Bovendien, het feit dat ze zéggen dat ze angstig zijn, is al een gigantische stap. Voor ons betekent het dat we een basis van vertrouwen hebben met die kinderen.’

Weggestopte wijk

De inrichting van de school is ruim en licht; het gebouw is afgeschreven en vertoont tekenen van de tand des tijds. Zoals veel bestemmingen in de Bijlmer lijkt de school in een leegte te liggen. De voorganger van het Bindelmeer College was het Augustinus College, in de jaren zeventig een gloednieuwe school in de gloednieuwe Bijlmerwijk Venserpolder. Stille, brede straten met ruime binnentuinen achter de lage flatgebouwen. De bedoeling was dat zich hier een autochtone middenklasse zou vestigen. Nu wonen er mensen die Olensky heten of Ndansi, Behari, Obalanlege. De Bijlmer is het armste deel van Amsterdam. Het gemiddelde jaarinkomen ligt iets boven de 20 duizend euro. De bedoeling was dat het Augustinus College breed zou zijn, met een vwo-afdeling. Halverwege de jaren negentig werd het college ingekrompen tot een vmbo-school, voor 95 procent zwart. Het Augustinus verloederde, het gemeentebestuur wilde de tent sluiten. Toen een aantal docenten zich niet neerlegde bij dit voornemen, ontstond uit de puinhopen een nieuwe school, het Bindelmeer.

Opvallend rustig en gedisciplineerd zijn de leerlingen in het schoolgebouw. Geen geschreeuw, geen geren. Docenten worden consequent met ‘u’ en ‘juf’ en ‘meester’ aangesproken. Een leraar verklaart het gedrag vanuit de strakke verhoudingen in het Surinaamse gezinsleven. ‘In Nederland doen we alsof regels tot de randversiering behoren. Zo raken ze vanzelf los van hun wortels.’

De Bijlmer.Beeld Jiri Büller

Dit deel van de Bijlmer, in Amsterdam-Zuidoost, is geen getto, geen no-goarea of banlieue. Je zult er niet snel in de fik gestoken auto’s aantreffen en grimmige plunderingen van winkels doen zich evenmin voor. Het lijkt eerder een weggestopte wijk, afgesneden, nogal eenzaam. De onbestemde en rommelige publieke ruimtes, de galerijflats die detoneren met de fancy kantoorpaleizen: ze dragen allemaal niet bij aan een sfeer van geborgenheid. Hier wordt voornamelijk overleefd, zo goed en zo kwaad als dat gaat. Door Ghanezen, Surinamers, Nigerianen, Antillianen, Chinezen en hier en daar een verdwaalde witte Amsterdammer. Het is een opbergplek van het niet-welvarende en niet-witte deel der natie.

Strandvliet heet het tochtige metrostation op de lijn naar eindpunt Gein. Rechts ligt de Arena, tempel van de sterspelers van Ajax, met direct daarachter de boulevard met megastores vol hebbedingen en de Ziggo Dome, ontvangsthal van internationale popsterren. Het zijn symbolen van glorie, glamour en geld. Het gewilde leven. Sla linksaf, ga het tunneltje door – zwarte vegen op geel beton – en begroet de grijze portiekflats van Venserpolder. Op straat zijn amper witte mensen te bekennen. Op school zijn de witte mensen docenten. Op tien na. Er zijn tien witte leerlingen. Van de 550. Metrostation Strandvliet vormt de perfecte breuklijn tussen twee werelden.

Aan de linkerkant dromen jongeren van een bestaan aan de rechterzijde van het spoor. Vanaf het hooggelegen deel van de Dolingadreef heb je het luchtschip de Arena, aan de andere kant van Strandvliet, bijna in de palm van je hand. (Op die Dolingadreef is trouwens eind 2018 Gondilio Lowland, bijnaam Bolle, doodgeschoten. Gewoon ’s middags, om half vier. Hij leerde voor hovenier, maar werkte aan een carrière als rapper. Hij was 19. Hij had al een tijdje ruzie met een buurtgenoot, om een meisje. Een Rotterdamse rapper had in een nummer op sociale media de suggestie gedaan Bolle te ‘sprayen’ – gangstertaal voor neerschieten met een machinegeweer. Toch voelde Bolle zich niet bedreigd toen hij op die middag zijn tegenstrever ontwaarde. Hij zag een pistool, maar ging ervan uit dat het een neppistool was. Hij stapte lachend van zijn fiets en werd dodelijk in zijn buik geschoten.)

Meer dan meester of juf

Het Bindelmeer College bestaat uit een opmerkelijke verzameling docenten. Stuk voor stuk en met elkaar zijn ze veel meer dan meester of juf. Ze lijken apostelen die tegen de verdrukking in een betere tijd aankondigen.

Shana Dorpmans is dansdocent. Over zichzelf: ‘Je komt uit Venlo, je bent een bruin meisje, dat wil zeggen half bruin, half wit. Tegen mij werd gezegd: hoezo wil jij danseres worden? Veel te dik ben je. Kijk die heupen, zie die schouders, nee, dat wordt helemaal niks. En dat je dan voet bij stuk houdt, dat je denkt: toch ga ik het doen. De dans heeft me gered. Uiteindelijk heb ik in Londen opgetreden, in Parijs, in Senegal, Griekenland, overal. Precies daarover gaat het hier op school. Dat je gelooft in jezelf, dat is wat wij de kinderen willen meegeven.’

Ze is hoofd van de sectie dans en ook nog mentor. Haar leerlingen mogen haar dag en nacht bellen. ‘Ik ben zo blij dat Kees onze directeur is en dat hij, net als wij, zo gek is als een deur. Dat hij zegt: we gaan ervoor strijden, voor die kinderen van ons. Dat is wat wij nodig hebben. Niet een directeur die zegt: het is vijf uur, tot morgen. Nee, werken, er moet hier gewerkt worden. Geef ons de ruimte en we zijn dadelijk de beste school van heel Nederland.

‘De kinderen hier ademen dans, ze zijn dans. Maar god, wat zijn ze onzeker. Want ja, juf, ik moet loopmeisje zijn voor die dealer of ja, ik ben een Surinaamse meid die in de keuken hoort, ik kan niet dansen. Dan zeg ik: vanaf nu mag jij nóóit meer tegen jezelf zeggen dat je iets niet kan. Dat ga jij mij niet vertellen als jongedame uit de Bijlmer. Sorry hoor, maar we zijn al twee keer landskampioen geworden, dus dame, gá ervoor.’

Joep Kuijs is leerlingbegeleider. Hij zegt: ‘In de aandacht zit de oplossing. Zie je een kind één uur per week, dan krijg je maar voor één uur informatie. Zie je een kind vijftien of twintig uur in de week, dan kan je zo’n kind na enige tijd lezen. Ook wat niet gezegd wordt, kom je dan te weten.’

Mitchell Blankendaal en Stefan Pastoor zijn docent lichamelijke opvoeding. Mitchell vertelt: ‘Na het kerstdiner op school heb ik Stefan meegenomen naar het tunneltje. We zijn onder de spoorlijn gaan zitten, ik heb hem gevraagd: kijk eens naar links, kijk eens naar rechts. Ik vroeg: wat zie je? Armoede en welvaart. Naast elkaar, pal naast elkaar.’

Blankendaal is geboren en getogen in de wijk. Hij kon goed voetballen, speelde hoog in amateurcompetities. ‘Mijn voetbaltas heeft me gered.’ Stefan Pastoor werkte eerder voor onder meer Ajax en FC Utrecht. Hij is opgegroeid in het Zuid-Hollandse Nieuwkoop. De twee docenten – zwarte man en witte man – zijn erg op elkaar gesteld.

Mitchell, die de spraakwaterval is van het tweetal: ‘Eerlijk, als bij ons een witte in de buurt komt is dat altijd een beetje eng. Het zal wel een politieman zijn, denken we dan. Stefan en ik kenden elkaar nog niet zo lang, aan het eind van de dag vroeg hij: ‘Mit, wat is je adres eigenlijk?’ Mijn adres? Wat moet die man met mijn adres? Ik ging erover nadenken. Wat wil deze man van mij? Toen stuurde hij mij een app. Het was een uitnodiging voor zijn bruiloft. Ik stond versteld. Het heeft de vriendschap tussen ons gebracht.’

Ze hebben een voetbalklas opgericht, als onderdeel van de vakmanschapsroute in het curriculum. Mitchell: ‘Veel leerlingen komen hier op school met één droom: de Arena!’ Voor de meesten is die droom gedoemd uit elkaar te spatten. Maar met hun voetbalklas hebben de twee docenten het perspectief geopend op een toekomst als jeugdtrainer of elftalbegeleider of scheidsrechter of videoanalist. Het idee is dat de jongeren geen profvoetballer hoeven te worden om toch terecht te kunnen in een wereld die hun een bestemming geeft.

De gedragsregels zijn streng: hou bij tegenslag je emotie onder controle. Kom sterker uit de situatie. Loop bij vooruitgang niet naast je schoenen, laat de omgeving delen in je succes. Een speler zonder saamhorigheidsgevoel is geen talent.

Mitchell: ‘Ze noemen mij de strengste meester van de school. Ik heb geleerd: straf, herstel, beloning. Wat als je naar een kind toeloopt en je geeft hem een beloning? Ze vragen: waarom, meester? Ik zeg: omdat ik ook kan straffen. En de eerste de beste die ik kan pakken, straf ik zó hard, zó hard als maar kan. Soms heeft die jongen helemaal niks gedaan en straf ik toch. Want ik weet dat hij de leider is en als ik de leider aanpak, pak ik de hele klas. Je moet diep gaan, bij moeilijke jongens moet je diep gaan.

‘Ik zeg: wat willen jullie, willen jullie op de hoek blijven hangen, oké, blijf maar hangen dan.’ Mitchell maakt een wegwerpgebaar. ‘Ze zeggen: we willen een zaaltje om te trainen, we willen één keer naar de Arena. Oké, ik ga me hard maken. Zaaltje lukt misschien niet, maar één keer naar de Arena… Hoeveel mensen hier uit Zuidoost zullen in de Arena zijn geweest? Weinig, man, weinig. De Arena ligt tegen deze buurt aan, maar is niet van deze buurt.’

Minister Grapperhaus in gesprek met leerlingen van het Bindelmeer College. Is drillmuziek ook zonder agressieve ­teksten nog drill, wil hij onder meer weten. Beeld Jiri Büller

Ze laten zien hoe gemakkelijk het gaat, verdwalen in het leven. ‘Een van de grootste talenten van Nederland’ kwam uit de wijk. Hij voetbalde bij de jeugd van FC Utrecht. Het ontbrak aan begeleiding. ‘Je komt thuis, er staat volop politie voor de deur, twee van je broers zijn net gearresteerd, ze hebben twee Glocks gevonden, drugs gevonden, ze hebben van alles gevonden. Kijk, dat is zijn wereld, de mensen die in die wereld leven, zijn de mensen van wie hij houdt, ze zijn niet goed bezig, maar het is wel zijn omgeving. Zo’n jongen had gewoon intensief begeleid moeten worden, maar ja, bij de club hebben ze geen idee van die wereld… Zo gaat het.’

Als een crimineel een leerling over de bol aait, zegt Mitchell, kan dat genoeg zijn om die leerling kwijt te raken: ‘Zo’n man met 20 duizend euro thuis in de kluis, een Rolex om de pols, zo’n getto-rich: tegen dat type moeten wij onze strijd voeren. Er is weinig voor nodig om te bereiken dat je hele leven hier naar de klote gaat. Eén incident is vaak genoeg.

‘Justitie, politie – ze doen niks. Waardoor die kleine jongetjes grote wapens in hun handen hebben en elkaar onder vuur nemen. Je bent te laat, man, je bent te laat. Er zijn zoveel wapens hier… Ik ben bang soms, ik heb drie kinderen thuis, begrijp je.

‘Ik vraag altijd maar één ding op bijeenkomsten met mensen van de gemeente: wie doet er door de week weleens een rondje Zuidoost? Door de tunnels, de binnentuinen, wie heeft het lef om ’s avonds om tien uur, twaalf uur langs de poorten te gaan? Ik heb het gevraagd in het overleg met de gemeente. Het bleef akelig stil.’

De twee docenten zien nieuw perspectief voor Zuidoost. Maar het gaat twintig jaar duren. Mitchell heeft een tijd gewerkt met jonge criminelen tussen de 17 en 27 jaar. Onbereikbaar zijn die. Nu werken ze met leerlingen van 12 tot 16 jaar. Het is een moeilijk verhaal. Intensieve begeleiding moet beginnen bij kinderen van 10 of 11 jaar. Alle basisscholen moeten meedoen. Mitchell: ‘Monitor de zaak gedurende twintig jaar en het komt goed hier.’

Drill

Drillmuziek is de standaard in de Bijlmer. Ze is komen overwaaien uit Chicago en Londen. Drillfilmpjes op internet kennen eigen codes. Anonimiteit is geboden. De groepsleden dragen maskers of bivakmutsen. Er wordt gezwaaid met messen en dolken. De locatie is de eigen buurt, de eigen poort naar een binnentuin of het eigen trappenhuis, een parkeergarage of een tunneltje. Postcodes tellen. Met je postcode baken je als het ware je territorium af en belaag je de groepen daarbuiten. Drill kent zijn eigen jargon: ‘Druk die kankershank door zijn hoodie.’ Een shank is een zelfgemaakt mes. Het getuigd van euvele moed als je vanaf het grondgebied van een andere groep je filmpje maakt en dit vervolgens op YouTube streamt: ‘Waar ben je nou, ik was op jouw gebied, man, je bent zeker te bang om mij tegen te komen.’

Omdat de straat onveilig is, blijven kinderen vaak lang rondhangen op school. Er zijn messenregelaars. Leerlingen die zich bedreigd voelen kunnen bij hen voor 5 of 10 euro een mes ophalen.

Het hele sociale leven van deze jongeren voltrekt zich via de telefoon en sociale media. ‘De problemen worden letterlijk onder een vergrootglas gelegd door de camera van je telefoon’, zegt Gideon Everduim. Hij is adviseur van de schooldirectie, was rapper en geldt als een sleutelfiguur in de Bijlmer. ‘Stel je voor, ik heb zesduizend volgers, die zien allemaal hoe ik een jongen van Kraaiennest een pak slaag geef. Mijn volgers liken het en binnen de kortste keren gaat het viraal. Het effect is dat de jongen die de klappen heeft gekregen, tegen zichzelf zegt: nu móét ik hem terugpakken, nu móét ik hem aanvallen. Identiteit staat voorop in het puberbrein; hij kan het niet laten bij dat pak slaag, hij móét terugvechten.’

Er ging een filmpje rond op Instagram waarop te zien is hoe twee jonge meisjes elkaar aftuigen. Het was een beklemmend gezicht. Er stonden een paar klasgenootjes omheen. Ze deden niets, dat wil zeggen: ze filmden het gevecht met hun telefoon, doodgemoedereerd.

Everduim: ‘Als nu een jongen in een portiek wordt doodgestoken, zie je dat hij ligt te vechten voor zijn leven – dat is gefilmd. Je ziet dat hij gereanimeerd wordt – is ook gefilmd. Je ziet dat hij in een ziekenhuis ligt – ook gefilmd, en daarna zie je de tekst ‘rest in peace’. Als die jongen is doodgestoken, dan staat het in een minuut op ieders telefoon. Ze weten het eerder dan AT5, de lokale zender, het weet.’

Bezoek van de minister

Hoog bezoek afgelopen dinsdag, de minister komt langs op school. Voorafgaand aan een gesprek met ouders en docenten praat minister Grapperhaus van Justitie een halfuurtje vertrouwelijk met leerlingen. Hij wil vooral weten of drillmuziek ook zonder agressieve teksten nog drill is en of drillfilmpjes zonder messen nog altijd drill zijn. De jongens lijken zich er weinig raad mee te weten.

Dan steekt de minister een vurig pleidooi af voor ‘veiligheid voor onze kinderen’. In Londen hebben drillgangs zich verenigd met ‘levensgevaarlijke drugshandel’, weet hij. ‘Het is een wereld waarvan je misselijk wordt.’ In de nazit vertelt een moeder dat in veel gezinnen in Zuidoost drugshandel al lang gezien wordt als een aanvaardbare manier om aan geld te komen. En als drugs in de buurt zijn, is geweld als vanzelfsprekend nabij. De receptionist van de school, een vrouw van Surinaamse afkomst, moeder van vier kinderen, vraagt de minister om een wettelijke regeling voor preventief fouilleren op wapens. ‘We kunnen er niet meer omheen.’ De minister houdt afstand: het is aan de burgemeesters hierover te besluiten. Later vertelt de receptionist over een 13-jarig jongetje dat de school binnenliep met in zijn broekspijp niet een mes, maar een zwaard. ‘Hij had dat zwaard niet om voor zijn moeder de kousenband te doppen. Kinderen kunnen geen sigaretten kopen, maar bij de Action lopen ze zonder problemen weg met een mes van 20 centimeter. Dat begrijp ik niet.’

Het Bindelmeer College wil een veilige haven zijn in een moeilijke wijk. Beeld Jiri Büller

De sterke arm van de politie heeft een beperkte reikwijdte. Op straat is veel bekend, maar zwijgen is het eerste gebod in Zuidoost. Politiefunctionarissen beamen dat zaken als steekpartijen, afpersing, bedreiging en straatroof uit angst voor represailles van drugscriminelen amper worden gemeld. ‘Ach ja, de politie’, verzucht een van de moeders, ‘de politie wil wel, maar kan niet.’

Zwijgcultuur

Karim el Azzouzi, teamleider in de onderbouw, had een fout gemaakt. Hij had het eerste gebod dat geldt onder leerlingen doorbroken: je zwijgt als autoriteiten lastige vragen stellen en wie toch praat – wie snitcht, zoals het jargon luidt – is the first to die. De school heeft de eigen huisregels niet-onderhandelbaar verklaard. Geen enkele subcultuur bepaalt wat hier gebeurt, is de grondregel. Dus geen drugs, geen dreigementen, geen messen. De school heeft een bak vol kapmessen en steekmessen, allemaal in beslag genomen. Na de machete-moord op oud-leerling Jay-Ronne was er op school een jongen die een kapmes onder zijn kleding droeg. 15 was hij. Een buitenstaander had de leiding van de school geïnformeerd: noem niet mijn naam, maar bij jullie loopt een jongen rond met een groot mes.

De schoolleiding ontdekte om wie het ging. Karim is voor de groep gaan staan, hij complimenteerde een aantal leerlingen met naam en toenaam omdat ze zich aan de regels van de school hielden. Tegenover andere kinderen sprak hij zijn teleurstelling uit: waarom vertellen jullie ons niet wat er speelt, waarom horen wij niet van jullie dat een medeleerling die is verbonden aan een van de gangs in de buurt, met een zwaar mes rondloopt?

Hij spleet de groep; het gevolg was grote onrust onder ouders. Ze zeiden: Karim, wat jij hebt gedaan, kan mijn kind zijn leven kosten. Je hebt alle leerlingen laten weten wie van hen met jullie hebben gepraat. Je weet hoe gevaarlijk dat is. Karim verdedigde zich: we bouwen aan een school met toekomst voor de kinderen, een veilige school. Dat staat voorop. Wij aanvaarden hier geen messentrekkers. Het betekent ook dat wij een subcultuur van verzwijgen niet gedogen. Daarin moeten we geen compromissen willen sluiten.

De ouders namen er geen genoegen mee. Ze vroegen hem: hoe kan jij garanderen dat ons kind veilig is, dat hem niks gebeurt? Ze zeiden: snitchen is een echt gevaar voor ons kind; je weet toch ook dat je bedreigingen serieus moet nemen? Doe daarom een stap terug en aanvaard die zwijgcultuur, in ieder geval voor even. Karim zwichtte. Hoe zou hij zich moeten verantwoorden als een van de leerlingen inderdaad te grazen zou worden genomen? Een ouder suggereerde een tussenweg: doe niets als jullie als schoolleiding ontdekken dat een kind een mes bij zich draagt. Neem eerst contact op met ons, de ouders. De nieuwe dag bracht een nieuw mes. Het werd niet afgepakt. In samenspraak met de ouders werd besloten tot de sluipweg van een centrale controle van de kluisjes.

Karim: ‘We accepteren de zwijgcultuur niet, maar we respecteren haar wel. Zo gecompliceerd is het.’

Hulp nodig

‘Kinderen die hier binnenkomen, zijn vaak al verhard. Ze zijn gesloten. Ze hebben afstand genomen. Ze zitten in een andere wereld.’ Directeur Buijtelaar heeft traumahulp nodig. Hij heeft kinderen die gewond raken, letterlijk, door messteken. Hij heeft kinderen die in angstige onrust leven, omdat ze uit een gang zijn gestapt. Dan wordt er afgerekend. ‘Ze hebben de ogen van zware criminelen’, zegt hij. ‘Ze kunnen je aankijken met de blik van wat-denk-jij-dat-jij-mij-kunt-maken, wie-denk-jij-dat-je-bent.

‘Dan moet er hulp bij, niet zo maar één keer, maar over langere tijd. Ik denk dat 30 procent van de kinderen die hier aan het eerste jaar van hun opleiding beginnen, getraumatiseerd is. Daar hoort gespecialiseerde hulpverlening bij te komen. Ik weet dat die duur is, dat die niet in het basispakket zit, maar ik wil die wel hebben. En je moet het nu doen. Als ze hier binnenkomen, zijn ze nog kind. Als ze van school gaan, na drie, vier jaar zijn ze puber en kun je het schudden.’

De Flat Florijn Zuid.Beeld Jiri Büller

Eigenlijk, zegt hij, is de aanpak heel simpel: ‘Begin from scratch: bouw vertrouwen op. Geef ze een bak met vertrouwen. Maak duidelijk wat je wilt. Maak duidelijk dat jij wilt dat zij iets willen met hun leven. Begeleid ze daarin en stop er veel tijd in. Versterk het zelfbeeld. In hun gedachten bestaat het echte leven uit de glitter en de glamour, de wereld aan de andere kant van het spoor. Ze beseffen niet dat het echte leven bij henzelf ligt. Ze hebben een prachtige, levendige cultuur. Ik vind het niet zo moeilijk, al geef ik toe dat je een team moet hebben van mensen die gek genoeg zijn om er eindeloos veel uren in te stoppen. Leerlingen hebben de privé-telefoonnummers van docenten. Ze mogen hen altijd bellen. Als een leerling belt, dan ga je. Dit houden wij niet jaren vol, dat onderkennen we.’

Alles wat nu vanwege instanties interventies pleegt, mag wat hem betreft weg. Zijn oordeel is scherp. ‘De uitvreters’ noemt hij ze. Ook wel ‘de haaien’. Hij heeft het over de gemeentelijke diensten, de welzijnssector, de stakeholders. Hij zegt: ‘Er leven hier mensen op de ellende van anderen. Ze hebben zich een functie toegeëigend en zijn niet van plan die af te staan. De kinderen hebben alleen nog maar binding met deze school. Niet met de politie en ook niet met het jeugdhonk, want dat is in no time weer weg. De toestand hier is niet uit de lucht komen vallen. We hebben hem laten ontstaan. Zuidoost is tot een dumpplaats gemaakt. We hebben geen functionarissen nodig, we hebben mensen nodig die snappen hoe kinderen zich hier staande moeten houden.’

Hij wil een school waar de hele buurt thuis is. De school moet van ’s ochtends vroeg tot in de avond open zijn, 365 dagen per jaar. Buijtelaar: ‘Te veel kinderen krijgen thuis geen ontbijt. Als ze dan tegen de verkeerde aanschurken, die zegt: hier heb je wat geld, ga een lekker broodje kopen – dan ben je dat kind kwijt. We gaan hier op school het ontbijt organiseren.

‘Ik wil gewoon terug naar het dorp. Vroeger had je mijnheer pastoor, die is uitgefaseerd. Maar mijn mensen worden in de buurt aangesproken met meester Azzouzi en meester Dasburg. Dat is het dorp.’ Er staat een lang hek rond de school en het hele blok kent maar één ingang, om te verhinderen dat buitenstaanders kinderen komen ronselen voor het een of ander. De schooldirecteur: ‘Het mooiste moment? Als de kinderen tegen ons zeggen: dat hek kan weg.’

De Droom

De directie van het Bindelmeer College heeft ‘De Droom’ opgesteld. Zo heet het document waarin staat waar het heen moet en hoe dit te bereiken. ‘In Amsterdam en de rest van Nederland vonden we nauwelijks partners die ons konden helpen.’ Men heeft het licht opgestoken bij onderzoekers in achterstandswijken van Los Angeles. En criminologen en neurologen van de Vrije Universiteit Amsterdam zijn te hulp geschoten. Dit is de kern: het initiatief voor verbetering moet niet van buiten komen, niet van misschien goedbedoelende partijen die de leefwereld van de wijk niet doorgronden. De buurt moet het zelf doen, met in dit geval de school als voortrekker.

De Droom begint zo: ‘Het is 2030 en het Bindelmeer College is het bruisende middelpunt van de gemeenschap. De school is alle dagen van de week, het hele jaar door, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat open. Honger bestaat niet meer, omdat voor iedereen die dat nodig heeft er alle dagen een maaltijd te krijgen is. Criminaliteit en verslaving zijn geen interessante opties meer. De warmte en dienstbaarheid die de leerlingen naar elkaar uitdragen, straalt uit naar het sociale weefsel van de wijk. Ouders zijn betrokken en dragen actief bij aan de toekomst van hun kinderen. Op allerlei manieren worden mensen aan elkaar verbonden. Gezamenlijk zorgen we als school en als wijk, ondersteund door bedrijven en gemeente, dat de gemeenschap onze leerlingen naar een mooie toekomst helpt. De leerlingen hebben aangegeven dat het hek om de school weg kan, omdat ze zich nu ook buiten het schoolgebouw veilig voelen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden