Naar een republikeinse democratie

D66-leider Thom de Graaf is in zijn plannen niet op de spanning tussen democratie en monarchie ingegaan. Maarten Hajer, Paul Kalma en Willem Witteveen vinden dat een visie op de monarchie deel moet uitmaken van een breder democratiseringsperspectief....

Maarten Hajer en Paul Kalma en Willem Witteveen

HET debat over de monarchie, dat D66-leider Thom de Graaf vorige week losmaakte, heeft vooralsnog alle kenmerken van een kortstondige 'hype'. Na de politici kwamen de specialisten aan het woord en binnen een week was besloten tot instelling van een commissie die een en ander verder zal bestuderen. Het wachten is op het volgende issue dat zich, even krachtig als willekeurig, aan de publieke opinie zal opdringen.

In wezen in er veel meer aan de orde dan de toekomst van de monarchie. In het geding is de veel bredere vraag wat 'democratisering' van de samenleving tegenwoordig nog betekent, nu de radicale, utopische interpretaties van dat begrip hun geloofwaardigheid verloren hebben. De hervorming van de monarchie verliest door zo'n bredere benadering wat van haar spectaculaire, taboe-doorbrekende kanten, maar wint tegelijkertijd aan politieke relevantie.

Wat houdt zo'n bredere benadering in? In de discussie over het nieuwe sociaal-democratische beginselprogramma zoeken we aansluiting bij de zogenaamde 'republikeinse' traditie in de politieke filosofie, als basis voor het streven naar democratisering van staat en maatschappij.

Een republiek is een politieke gemeenschap van vrije en gelijke burgers die leven onder wetten waarop zij zelf invloed hebben. Een burger van zo'n democratische politieke gemeenschap ziet zichzelf als iemand die naar de letter en de geest van de wetten leeft; als iemand die mee kan praten, een eigen mening heeft en aan wie invloed toekomt op de gang van zaken. De burger is een bewoner van de publieke ruimte, een deelnemer aan het openbaar debat, een kiezer die vertegenwoordigd wordt.

Deze (toegegeven: nogal abstracte) 'republikeinse' filosofie kan op drie manieren worden uitgewerkt en verduidelijkt. Daar is allereerst het vraagstuk van de representatie in het politieke systeem. Burgerschap is het hoogste politieke ambt; alle andere ambten - volksvertegenwoordiger, bewindspersoon, burgemeester, staatshoofd - zijn daar idealiter van afgeleid. Ze moeten op een democratische en transparante manier worden vervuld, volgens maatstaven die algemeen aanvaard worden en waarover discussie mogelijk is.

Wie om zich heen kijkt ziet dat die discussie ook nu voortdurend plaatsvindt. Wat is een integere vervulling van het burgemeestersambt? Kan een minister worden aangesproken op handelingen van een ambtenaar waar de minister niets van kon weten? Mogen senatoren gebonden worden aan een regeerakkoord waarop zij geen invloed hebben gehad? Hoe kan de ondoorgrondelijkheid van de Europese instellingen worden verminderd, zonder in een zuiver nationale optiek terug te vallen? En: mag het staatshoofd onder dekking van de eenheid van de regering druk op het politieke besluitvormingsproces uitoefenen?

Democratisering heeft echter niet alleen betrekking op zulke klassieke politieke vraagstukken. Met de zelfstandigheid van burgers is, in de tweede plaats, ook de behoefte aan nieuwe participatiemogelijkheden, in aanvulling op de representatieve democratie, toegenomen. Het correctief referendum is daarvan een voor de hand liggend voorbeeld. Een ander voorbeeld vormt de zogenaamde interactieve beleidsontwikkeling, die burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding en uitvoering van het beleid betrekt - van de ontwikkeling van toekomstvisies door departementen tot de experimentele stadsgesprekken die in veel gemeenten worden gehouden.

Hier liggen tal van kansen voor een vernieuwing van de democratie, maar ook gevaren. De tijden van de achterkamertjes-politiek zijn niet voorbij, maar hebben alleen een nieuwe naam gekregen: netwerksturing in en rond de overheid. Wie het financieel-economisch of het ruimtelijke en infrastructurele beleid volgt, ziet steeds het patroon van een technisch-bestuurlijke operatie waarbij parlementaire behandeling eerder de rituele afsluiting dan het politieke hoogtepunt van het besluitvormingsproces vormt. Wie legt verantwoording af over de contacten die het openbaar bestuur informeel aangaat? En hoe komen de echte beleidsalternatieven tijdig op tafel - van de HSL tot de WAO, van de tweede Maasvlakte tot de dijkverzwaring?

Hiermee hangt een derde aspect van het streven naar democratisering samen: als macht op nieuwe plaatsen ontstaat moet daar ook tegenmacht worden gemobiliseerd. De menings- en besluitvorming over belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen speelt zich steeds meer buiten de traditionele politieke arena's af. In grote internationale ondernemingen; bij de ontwikkeling van nieuwe technologische systemen; in en tussen ambtelijke diensten; in Europese en andere internationale organisaties; in scholen en ziekenhuizen. Deze 'verplaatsing van de politiek' vraagt om nieuwe vormen van controle, verantwoording en overleg. Soms kunnen deze worden gevonden in bestaande politieke instituties, soms in de democratisering van deze maatschappelijke arena's.

Politiek, lange tijd synoniem voor de parlementaire democratie, zou nieuwe betekenis kunnen krijgen wanneer het bestuur zichzelf wat meer relativeert en wanneer het op plaatsen waar zich maatschappelijke macht vormt, ook steeds het ontstaan van tegenmacht stimuleert. Dat geldt bijvoorbeeld voor de produktie en toepassing van technologische kennis. Die is alleen democratisch beïnvloedbaar als op de betreffende plaatsen (ondernemingen, laboratoria, universiteiten) en in de 'civil society' (consumenten- en milieuorganisaties) tijdig ontwikkelingen worden gesignaleerd en alternatieven worden aangegeven. Dat vraagt om nieuwe vormen van menings- en besluitvorming die een substantiële dimensie aan de representatieve democratie helpen toevoegen, en die de politiek uit een dodelijke omknelling-van-de-voldongen-feiten helpen bevrijden.

Democratische vernieuwing zou aldus mede neerkomen op het organiseren van meer democratie zonder voortdurend zelf alle touwtjes in handen te houden. We willen de effecten van de internationalisering van economie en cultuur niet onderschatten, maar menen toch dat zo'n benadering meer maatschappelijke handelingsmacht zou weten te mobiliseren dan cliché's over het weglekken van de nationale soevereiniteit suggereren.

Wat betekent de hier omschreven 'republikeinse' democratie nu voor de houdbaarheid van de moderne, constitutionele monarchie? Wat is de verhouding van de burger als hoogste politieke ambtsdrager tot het staatshoofd? Hoeveel koninklijke achterkamertjespolitiek kan die burger verdragen?

Om te beginnen zouden we de spanning tussen democratie en een op erfelijkheid gebaseerde staatsvorm opnieuw moeten durven benoemen. Dat betekent niet dat de republiek eigenlijk met terugwerkende kracht zou moeten worden uitgeroepen, of dat koningin Beatrix tot enig mikpunt van kritiek moet worden gemaakt. Het betekent wel dat een democratisch gekozen staatshoofd als alternatief voor het erfelijk koningschap weer serieus wordt genomen - en dat de bewijslast voor de verzoening van monarchie en democratie bij de voorstanders van zo'n monarchie komt te liggen.

Vanuit dat gezichtspunt is De Graaf, met zijn recente, voor Nederlandse begrippen al gedurfde voorstellen tot modernisering van de monarchie, te voorzichtig. Hij wil zo graag het predikaat 'republikein' ontlopen, dat hij de spanning tussen democratie en monarchie niet onder woorden brengt. Dat is des te opvallender, omdat eerdere democratiseringsvoorstellen van D66 daartoe eigenlijk dwingen. Kan men hemel en aarde bewegen om het burgemeesterschap en andere publieke ambten in ons land verkiesbaar te stellen, en het hoogste ambt overslaan?

Deze kritiek neemt niet weg dat het debat over de monarchie dat De Graaf (en eerder Groen Links) geopend heeft, en dat de PvdA, na enig aarzelen en gedraai, nu ook wil, voortgezet moet worden - mits het niet tot die monarchie beperkt blijft. Zoals democratisering als beginsel moeilijk bij de poorten van Huis ten Bosch halt kan houden, zo heeft een kritische visie op de monarchie de steun van een breder democratiseringsperspectief nodig.

En, zo voegen we daar aan toe: vormt zo'n democratiseringsperspectief niet een natuurlijk bindmiddel in de verhouding tussen de progressieve partijen in ons land?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden