Naar een onorthodox en offensief stedenbeleid

Het kabinet moet een krachtig stedenbeleid aandurven, dat zich moet uitspreiden over alle probleemwijken, vindt Gerard Schouw...

Het afgelopen jaar heeft de wijkaanpak van minister Vogelaar voortdurend het oog van de camera gevangen. Het was niet goed of het deugde niet. Inmiddels is dat beleid in rustiger vaarwater terechtgekomen. Er is meer geld, de woningbouwcorporaties werken mee en de zure toon in de steden is omgeslagen naar voorzichtig optimisme.

Maar inmiddels dient zich een nieuw huzarenstukje voor minister Vogelaar aan: het stedenbeleid. De huidige afspraken tussen het rijk en de 31 grote steden lopen eind 2009 af. Wat gebeurt er daarna? Aparte afspraken met deze groep steden of toch niet? Vogelaar weet het nog niet. Ze denkt na. Niet eerder dan komend najaar wordt het ministeriële ei gelegd. De minister zal twee belangrijke problemen moeten temmen: zorgen voor geld én zorgen dat het beleid niet versnippert doordat bijvoorbeeld minister Rouvoet zijn mini stedenbeleid voert rond jeugd en gezin.

Vorige week deed een commissie onder leiding van oud-burgemeester d’ Hondt alvast een duit in het zakje: de commissie wil het liefst geen apart beleid voor steden. Het rijk moet het geld gewoon aan de gemeenten geven en die zullen dat dan wel goed besteden. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) was er als de kippen bij om de conclusie te omarmen. Hoe minder specifiek rijksbeleid, hoe beter, is daar de gedachte. Dat daarmee ook het fundament onder het succesvolle stedenbeleid verbrokkelt, zien nog weinigen. Wethouders en burgemeesters in de grote steden bekritiseren met hun pleidooien voor voortzetting van het grote stedenbeleid minister Vogelaar (Forum, 10 juni). Maar ze zien over het hoofd dat hun eigen VNG het pad voor een specifieke stedenaanpak niet actief bewandelt. Daarom reik ik hen en minister Vogelaar vijf argumenten aan voor een ander stedenbeleid met een nieuw elan.

Als eerste de wijkaanpak. Na een lange aanloop begint het succes zichtbaar te worden. Maar deze aanpak mag zich niet beperken tot achttien steden en veertig wijken. Dit land telt bijna tweehonderd wijken die nodig in de revisie moeten. Het nieuwe stedenbeleid zou moeten bestaan uit een wijkenfonds met daarin voldoende middelen om ál die wijken aan te pakken. Dat is een proces van lange adem. Niet alleen het Rijk zou moeten investeren, ook de steden zelf, evenals maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven.

Tweede argument. Als er geen specifiek stedenbeleid komt, zal van de noodzakelijke ontkokering niet veel terecht komen. Elk ministerie gaat weer zijn eigen gang en elke wethouder valt terug op zijn deelportefeuille. De heilzame werking van het doorbreken van Haagse beleidskokers verdwijnt en elke minister voert weer zijn eigen postzegelbeleid voor de stad.

Als derde de bovenlokale economie. Het gaat goed in Nederland, dus wie maalt er om de economie? Vorige week waarschuwde de SER echter nog dat niet alleen de ‘maakeconomie’ zich verplaatst naar landen als China en India, maar dat ook de ‘denkeconomie’ de benen neemt (Economie, 31 mei). Onder het motto ‘lokaal wat moet, regionaal wat kan’ zal de grootstedelijke economie een krachtige impuls moeten krijgen. Bedrijfsterreinen, logistiek, infrastructuur en het binnenhalen van bedrijven noodzaken tot rijksregie. Steden kunnen dat niet alleen.

Vierde argument. In zowel de middelgrote als grote steden neemt de tweedeling in de samenleving toe. In onze steden zijn steeds meer ‘stapelaars’ van problemen: niet naar school gaan, problemen in het gezin, drugsgebruik, criminaliteit en wonen in een slechte buurt. Steden trekken meer en meer stapelaars aan. Deze spiraal moet worden doorbroken met een intensief en samenhangend stedenbeleid waarin zowel de roe (sancties) als de wortel (doorgeleiding naar werk) evenwichtig aanwezig zijn.

Als vijfde, de vergeten onderwerpen. Problemen voor de toekomst, die niet passen in een bestaande beleidskoker, vallen buiten de boot. Kijk bijvoorbeeld naar de krimpende steden. De voorspelling is dat vanaf 2020 bijna de helft van de Nederlandse gemeenten te kampen krijgt met een krimpende bevolking. Een situatie die we kennen van het platteland, mensen die naar de stad trekken. Nieuw is de trek van de ene stad naar de andere. Van Sittard-Geleen naar Rotterdam. Dat stelt nieuwe eisen aan het beleid van krimpende steden. Regie is nodig.

Vijf argumenten voor een onorthodox en offensief nieuw stedenbeleid dat zich niet mag beperken tot veertig wijken. De heilzame werking ervan moet zich als een olievlek uitspreiden over alle probleemwijken in ons land. Daarnaast moet de stedelijke economie een oppepper krijgen. Stedenbeleid is niet alleen stenen stapelen, het is veel meer. Dit land telt ongeveer veertig steden die zo’n impuls kunnen gebruiken. Nederland vaart er wel bij als dit kabinet het besluit durft te nemen om een krachtig stedenbeleid te maken en dat ze kiest voor de steden en haar inwoners en niet zoals sommige willen daartegen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden