Naar een ander tijdperk

In veel opzichten heb ik door te remigreren een stap terug in de tijd gemaakt, want in allerlei dingen loopt Suriname meer dan een kwart eeuw achter....

IWAN BRAVE

Laatst reed ik met een pater terug uit het binnenland, waar ik verslag moest doen van de 'wederopbouw'. Tijdens de 'binnenlandse oorlog' tussen het Nationale Leger en het rebellerende Jungle Commando is veel vernietigd en verloren gegaan. We hadden het over de stilstand die het land kenmerkt. Terneergeslagen zei de pater: 'Ik ben nu ruim twintig jaar bezig met gemeenschapsontwikkeling in het binnenland. Alles wat we opgebouwd hadden, is weg. Als ik kijk wat er na al die jaren nu ligt, dan beangstigt het me.' Ik zette de beklemmende gedachte dat ik mogelijk over tien jaar nog steeds tegen de beholpen infrastructuur van het land zou aankijken, van me af.

Maar Suriname is in veel opzichten bezig aan een inhaalrace. Soms zo radicaal dat iemand zei: 'Dit is geen ontwikkeling voorwaarts maar opwaarts.' De mensen krijgen in luttele maanden te maken met veranderingen die in het Westen in meer dan twee decennia zijn voltrokken. De banken bijvoorbeeld waren vorig jaar nog ingericht in de stijl van de jaren zeventig. Je moest je in drie lange rijen opstellen voor je eindelijk je geld kreeg. Voor elke zucht moest een handtekening worden geplaatst. Rond de jaarwisseling werden de filialen omgetoverd tot strakke, moderne locaties met halogeenverlichting.

Loketten, opgetrokken uit the latest design, werden voorzien van een computer. Opeens was het mogelijk alle handelingen bij de loketten te verrichten zonder de rompslomp van het invullen van formulieren.

Ook is in betrekkelijk korte tijd het pinnen op grote schaal ingevoerd. De Surinamers moeten er nog aan wennen, en ik heb met ze te doen als ik de verwarring zie die die handeling soms teweegbrengt. Vaak kom ik de bank binnengelopen en staat er een lange rij voor één loket, terwijl er voor de andere loketten geen mens staat. De Surinamer associeert een leeg loket namelijk nog steeds met een gesloten loket. Sommige mensen zoeken verdwaasd naar de formulieren. Ook de nieuwe draaideur geeft komische momenten, die doen denken aan de film Modern Times van Charlie Chaplin.

In Nederland koesterde ik dierbare herinneringen aan mijn geboorteplek. We leefden er primitief maar paradijselijk. Er was geen elektriciteit. 's Avonds gebruikten we olielampen en baden deden we in de rivier. Het toilet was een donker houten kot op het erf. Als kleuter beleefde ik er angstige momenten, en ik hield me altijd goed vast tijdens het poepen, zodat ik niet in dat diepe gat zou vallen en in die stinkende blubber terecht zou komen.

In januari 1970 kwamen we van de ene op de andere dag in een ander tijdperk terecht. We maakten een tussenlanding in Duitsland, vanwege de zware sneeuwval, en moesten in een hotel overnachten. Ik begreep niet dat die kleine ruimte waar we instapten een lift was. De zilveren deuren schoven dicht. Na korte tijd, toen ze weer opengingen, was het wandtapijt veranderd. Ook toen de hal een lange smalle gang bleek, waar je alleen links of rechts kon, had ik niet door dat we omhoog waren gegaan.

Vroeger keek ik graag naar de televisieserie Het kleine huis op de prairie, want ik herkende wat leefomstandigheden betreft veel van mijn geboorteplek. Wat in het Westen al meer dan een eeuw vervlogen tijd bleek, was voor ons slechts enkele jaren verleden tijd.

Toen ik in 1993 voor het eerst terugkwam in Suriname, heb ik pas na drie maanden de moed opgebracht een bezoek te brengen aan mijn geboorteplek. Het weerzien moest na zo'n lange periode in alle rust en kalmte gebeuren. De dag dat het zover was, werd ik geconfronteerd met een verbijsterende stilstand. Er was eigenlijk niets veranderd. Wat als idyllisch in mijn geheugen gegroefd stond, bleek een schrijnende derdewereldarmoede. Waterleiding was er nog steeds niet. De enige tekenen van vooruitgang waren de houten palen die wat elektriciteitsdraden naar de buurt voerden.

Die dag liep ik een sjofele dertiger tegen het lijf op de zandweg. Onze familienaam kwam hem bekend voor. Hij stelde zich voor als Dennis. Ik herkende hem niet, maar zijn naam zei me nog wel iets. Hij was een van die grote jongens waar mijn broers mee omgingen.

Nadat ik hem vertelde dat ik voor het eerst weer terug was, wierp hij zich direct op als gids en bracht me naar de plekken die ik me herinnerde. Alles lag er nog bij als vroeger. Zelfs onze badplek aan de rivier was er nog. Ook het kleine huisje met het uitbouwtje waarin het kookcomfort stond, en het huis waar mijn nichtjes woonden. Zelfs de open keuken van mijn oma, bestaande uit een zinken afdak op palen - dat bij tij en ontij omviel - stond er nog. De krotten werden bewoond door bosnegers die waren gevlucht voor het geweld van de binnenlandse oorlog.

Dennis bracht me ook naar zijn huis. Onderweg passeerde een meisje van een jaar of veertien ons. 'Dag Dennis', groette ze zwoeltjes. Ik vroeg wie zij was. 'Ik naai haar soms', antwoordde hij in het Surinaams. 'Weet haar moeder ervan?', vroeg ik, omdat ik zo gauw niets beters wist. 'Die naai ik ook', klonk het vanzelfsprekend. 'Toch wel met condoom?', vroeg ik enigszins verontrust. 'Pfff, ik spuit het voor ze allebei, ze willen het toch.' Hij maakte een zwaaibeweging ter hoogte van zijn kruis.

In zijn krot - waar het dus allemaal gebeurde - hing een muffig sfeertje. Het was er krap en obscuur. De inrichting bestond uit een tafel, een stoel en een bed. Dit alles zonder een likje verf. Dennis werkte niet. Hij toonde trots een zelfgemaakt schilderij. Daarop in witte lijnen tegen een gitzwarte achtergrond een naakte vrouw met grote borsten aan een tafel, die het leven duidelijk niet meer zag zitten. Met haar ene hand steunde ze haar hoofd, in de andere hield ze een joint. Als alternatief stond een fles drank op tafel. De enige kleur op het schilderij was de rode gloeikop van de joint.

Later bracht Dennis me bij vroegere buren. De sociale afstand tussen ons bleek zo groot, dat ik me onbehaaglijk en schuldig voelde. Van mijn inmiddels overleden gekke oom Frits, die altijd in het bos sliep bij de geesten, wisten ze nog alles. Ze vertelden dat een van zijn zonen - 'dus je neef' - een lange gevangenisstraf uitzat omdat hij zijn vriendin had gedood.

Voor ik vertrok, bleef ik bij ons huis nog even aan de zandweg staan en keek ik of hij echt zo lang was als ik me herinnerde. Op een loopplank boven de uitgedroogde goot zat een groepje jongens met ontbloot bovenlichaam en blote voeten. De oudste was amper elf. Ze zaten geen insecten te ontleden, zoals ik vroeger deed, maar pokerden, met als inzet smoezelige, gedevalueerde bankbiljetjes. Ze hadden de mimiek van doorgewinterde schoffies.

Van een tweede keer teruggaan is het dat halfjaar niet meer gekomen. Ook nu niet, na inmiddels meer dan een jaar geleden te zijn geremigreerd. Ik heb te veel moeite met zoveel stilstand. Maar elke keer als ik de slingerende bocht van de grote weg passeer - waar onze zandweg op uitkomt - voel ik weer een aangename tinteling ter hoogte van mijn navel. Van de week viel het straatnaambord me voor het eerst op. Terwijl de bus voorbij reed, draaide ik me om om te lezen wat erop stond. Ik heb nooit geweten dat ik aan de 'Goede Verwachting' in de rivier baadde.

Iwan Brave

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden