Naar bed met vierduizend patrijzen

Marco Polo had een betere pen, maar de 14de-eeuwse wereldreiziger Odoric schreef innemender...

Dertien jaar – tussen 1317 en 1330 – reisde de minderbroeder Odoric van Friuli door India, Ceylon, Indonesië, China en Mongolië. Hij schreef een reisverslag dat in de Nederlandse vertaling vijftig pagina’s telt, waarvan nog een belangrijk deel over vier Franciscaanse martelaren gaat. Nu maakt hij, de kleine hoofdstukjes bewijzen het, enorme stappen in de ruimte, hij reist in vogelvlucht.

Een zin als deze geeft niet direct geest aan een reisverslag: ‘Na mijn vertrek uit die landstreek trok ik door vele landen en steden tot ik bij een voorname plaats kwam, Quanzhou, waar wij minderbroeders twee vestigingen hebben.’ Maar er is nog iets essentieels en dat neemt mij zeer voor deze minderbroeder in: hij is de man van ‘dat zou te ver voeren’. Hij heeft enkele variaties hierop om een hoofdstuk vroegtijdig te beëindigen, maar ‘te ver voeren’ is de mooiste omdat hij steeds maar verder gaat, zoekend naar zielen. De fraaie afbrekingen doen hele mogelijke hoofdstukken verdwijnen. Het – of misschien beter: hij – is niet de moeite waard. Je wordt dan natuurlijk nooit een groot schrijver. Dat is broeder Odoric dan ook niet. Hij moet overigens tot zijn nederige schrik ontdekt hebben dat hij dat zou kunnen worden. Hij liet meteen al zijn schrijftalent los en werd chroniqueur. Hoe anders te verklaren dat een auteur op de eerste bladzijde het allermooiste, meest dichterlijk stuk van zijn hele boekje schrijft. Hij trekt langs de Zwarte Zee. Hij schrijft:

‘In dit gebied zag ik iets wat me erg aanstond. Ik zag namelijk een man die meer dan vierduizend patrijzen bij zich had. De man liep gewoon op de grond, maar de patrijzen vlogen door de lucht. Hij voerde ze naar een vesting die Zegana heet, op drie dagreizen vanaf Trabzon. De patrijzen hadden een bijzondere eigenschap: wanneer de man wilde rusten of slapen, vleiden ze zich tegen hem aan als kuikentjes, en op die manier voerde hij ze naar Trabzon, tot bij het paleis van de keizer. Daar nam de keizer er zo veel van in ontvangst als hij wilde. De rest van de patrijzen bracht de man weer terug naar de plek waar hij ze vandaan had.’

Ik citeer het in zijn geheel, een samenvatting van dit sprookje (dat weer doet denken aan reizende Chinezen met duizenden ganzen achter zich) is een zonde. Het niveau van dit wonderverhaal (dat zijn patroon Franciscus heel mooi zou hebben gevonden) haalt de minderbroeder niet meer, al is het lange verhaal over de vier minderbroeder-martelaren ook niet gering: de muzelmannen slagen er maar niet in ze levend te verbranden (er zijn ontleningen aan het verhaal van de jongelingen in de vurige oven, uit het boek Daniël).

Maar vrijuit gaan ze niet, ze worden ten slotte in stukken gehakt. Odoric brengt met veel moeite hun botten naar een minderbroederklooster. Het gaat er hier duidelijk om de missionarissen te verheerlijken (door het hele boekje heen zijn verwijzingen naar staties van de Franciscanen, die zich al vroeg tot in verre landen verspreidden, van Californië – zie de plaatsnamen, San Francisco voorop natuurlijk – tot in China). In verhouding tot andere verhalen is dat van de vier martelaren lang: getuigenis over de moedige minderbroeders in het verre oosten zou wel eens mede het doel van het geschrift kunnen zijn geweest. (Het heet dat Odoric zelf duizenden gedoopt heeft; achter zijn verhaal gaat een later verhaal schuil; dat van de jezuïet Franciscus Xaverius.) Odoric moge de auteur zijn, een andere minderbroeder neemt in de laatste regels het woord:

‘Dit alles heb ik, broeder Willem van Solagna, opgeschreven zoals broeder Odoric het in zijn eigen woorden heeft verteld, in de meimaand van het jaar des heren 1330, in het huis van Sint Antonius in Padua.’

Hij meldt verder alles zo eenvoudig mogelijk te hebben opgeschreven. Geen geleerdheid voor de gelovigen. Een volkskerk vraagt volksboeken. (Wat de jezuïeten, een hele cultuur verder, over China schreven, was alleen voor de geleerden.) Een half jaar na de voltooiing van het boekje sterft broeder Odoric. Hij heeft vele wonderen gedaan. In de 18de eeuw is hij nog zalig verklaard. Of hij de patroon is van de reisschrijvers, weet ik niet. Ik hoop van niet.

De twee vertalers en commentatoren, Vincent Hunink en Mark Nieuwenhuis, vermelden in hun Nawoord de grote verspreiding van het boekje in de Middeleeuwen en daarna. De mededeling laat een raadsel achter: de populariteit van een zo aandoenlijk onhandig boekje is onbegrijpelijk. Men kan Marco Polo afstandelijker en zeker saaier vinden, hij is toch vele malen informatiever en degelijker dan deze onbekommerd zingende minderbroeder, van wie ik ben gaan houden. Dat te bereiken in vijftig pagina’s is een prestatie.

Odoric schrijft alleen over wat hij ziet en hoort. Niets over zichzelf of mogelijke reisgezellen. Hoe reisde hij, want deed hij onderweg, het gaat toch niet om reizen om het reizen. Ik zou zo veel willen weten. Maar dat zou natuurlijk te ver voeren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden