Reportage

Na vijftig jaar is de genocide in Bangladesh in het buitenland bijna vergeten, en door de bevolking nog nauwelijks verwerkt

Na de bevrijding van de stad Jessore, in het huidige Bangladesh, door het Indiase leger houden vrijheidsstrijders leden van de pro-Pakistaanse Razakar-militie onder schot, 1971.  Beeld  Michael Brennan / Getty
Na de bevrijding van de stad Jessore, in het huidige Bangladesh, door het Indiase leger houden vrijheidsstrijders leden van de pro-Pakistaanse Razakar-militie onder schot, 1971.Beeld Michael Brennan / Getty

Het is een van de grootste genocides van de 20ste eeuw. Buiten Bangladesh gaat het nog zelden over de massamoord in 1971, die deze week met gemengde gevoelens wordt herdacht.

Meghna Guhathakurta was 14 jaar toen op de late avond, vijftig jaar geleden, een konvooi jeeps stilhield op de binnenplaats van de campus van de Universiteit van Dhaka. Pakistaanse militairen sprongen eruit, liepen het trappenhuis van Jagannath Hall in en begonnen op de deuren te bonzen van kamers van studenten en appartementen van docenten.

Angstig wachtten ze af, Meghna, haar ouders, de huishoudelijke hulp en de chauffeur. Buiten klonken geweerschoten en onophoudelijk mortiervuur. Drie soldaten drongen via de achterdeur binnen en vroegen geagiteerd naar ‘de professor’. Dat was haar vader. Jyotirmoy Guhathakurta, docent Engelse literatuur en hoofd van de afdeling, werd meegenomen.

‘Toen mijn moeder en ik even later naar buiten gingen, zagen we hem niet meer’, zegt ze. ‘Wel zagen we hoe andere leraren door militairen de trap af werden gesleurd. We hoorden acht schoten. Even later zagen we vier dode mannen liggen. Anderen waren gewond en vroegen om water. Een van de buren kwam vertellen dat mijn vader ook was neergeschoten.’

Even later vonden ze hem, zwaargewond. ‘Naar een dokter konden we niet, er was een uitgaansverbod en overal patrouilleerden militairen. Pas na twee dagen brachten we hem naar het ziekenhuis. De artsen konden niets meer doen, hij overleed op 30 maart. Zijn lichaam moesten we achterlaten, we hebben het – we zijn hindoes – niet eens kunnen verbranden.’

Gemengde gevoelens

De aanval in de nacht van 25 op 26 maart 1971 op de Universiteit van Dhaka, bolwerk van de Bengalese nationalistische beweging, was het begin van de oorlog die leidde tot de afscheiding door Oost-Pakistan van West-Pakistan en daarmee tot de onafhankelijkheid van Bangladesh. Het oostelijke deel van het land, in alle opzichten achtergesteld, wilde niet langer een wingewest zijn van de elites in Lahore en Islamabad.

Het was tevens het begin van de meest verzwegen genocide van de 20ste eeuw. Buiten Bangladesh wordt zelden gerefereerd aan de massaslachting door het West-Pakistaanse leger, waarbij misschien wel 1,5 miljoen Bengalezen de dood vonden, of meer. De episode hoort daarmee tot de top-5 van hedendaagse genociden. Tien miljoen mensen raakten ontheemd, naar schatting 300 duizend vrouwen werden verkracht.

In Bangladesh wordt de gebeurtenis deze week met gemengde gevoelens herdacht, en niet alleen omdat de herinnering aan de gruwelijkheden samenvloeit met die aan het trotse feit dat op 26 maart 1971 de onafhankelijkheid werd uitgeroepen door verzetsleider Sheikh Mujibur Rahman, de eerste president van de nieuwe natie.

Daarbij zal de regering de nadruk leggen op wat er de afgelopen vijftig jaar is bereikt. Dat is het verhaal van een succesvol ontwikkelingsland. Een ‘hopeloos geval’ (Henry Kissinger in 1971) dat zich aan de eigen haren uit het moeras trok en sinds 2015 een middeninkomensland is. ‘Bangladesh heeft opmerkelijke vooruitgang geboekt bij het verminderen van armoede door aanhoudende economische groei’, schrijft de Wereldbank.

Alle sociale indicatoren, van kindersterfte tot levensverwachting, wijzen sinds lang gestaag de goede kant op. Microkrediet en kolossale ngo’s als Brac hebben enorm bijgedragen aan de verheffing van de arme massa’s op het platteland. Het onderwijs maakte een spectaculaire groei door. De textielsector joeg de export aan, dankzij de inzet van vier miljoen vrouwelijke arbeiders.

Dat is een ander facet van het Bengalese wonder: de positie van vrouwen is verstevigd. Microkrediet hielp daarbij, een krachtige vrouwenbeweging en een wat dit betreft actieve overheid. Meisjes genieten minstens evenveel onderwijs als jongens, een unicum in het zuiden. ‘Bangladesh is een lichtend voorbeeld van een arm land dat indrukwekkende vooruitgang heeft geboekt met gendergelijkheid’, schreef de Wereldbank in 2008.

Herdenking van de massaslachting door het West-Pakistaanse leger in 1971. Dhaka, 2018.  Beeld Mamunur Rashid / NurPhoto / Getty
Herdenking van de massaslachting door het West-Pakistaanse leger in 1971. Dhaka, 2018.Beeld Mamunur Rashid / NurPhoto / Getty

Pijnlijk verhaal

Het neemt allemaal niet weg dat er ook een pijnlijk verhaal te vertellen is. De wonden van de oorlog zijn nog lang niet geheeld. In 2009 kwam er – pas 38 jaar na de onafhankelijkheid – een tribunaal voor oorlogsmisdrijven, maar daar werden de afgelopen jaren alleen Bengalese collaborateurs berecht. ‘Veel slachtoffers en nabestaanden hebben nooit genoegdoening gekregen’, zegt Meghna Guhathakurta via een Zoomverbinding vanuit Dhaka.

Als een van hen behartigt zij hun belangen, ze is lid van Projonmo 71, een organisatie van familieleden. ‘De West-Pakistaanse militairen, de moordenaars van mijn vader en van de meeste andere martelaren, zijn altijd buiten schot gebleven. Wij hebben nooit de catharsis gekregen die we nodig hebben. Ons verhaal kwam niet aan bod. Ons is nog geen recht gedaan.’

In de diplomatie tussen Pakistan en India, het land dat de Bengalezen in december 1971 te hulp schoot en binnen dertien dagen het Pakistaanse leger deed capituleren, werd de massaslachting al spoedig weggemoffeld. Pakistan zou zelf zijn oorlogsmisdadigers berechten, maar heeft dat uiteraard niet gedaan. ‘De Pakistaanse regering heeft zelfs nooit erkend dat er misdrijven zijn gepleegd’, zegt Guhathakurta.

Er is een tweede groep die in de rechtsgang van het Tribunaal voor Internationale Misdrijven (ICT) te weinig erkenning heeft gevonden. Dat zijn de vrouwen die ten prooi vielen aan grootscheeps seksueel misbruik door Pakistaanse militairen. Zo’n 200- tot 400 duizend vrouwen werden in het oorlogsjaar verkracht. Tienduizenden werden ongewenst zwanger, wat resulteerde in – een trauma op zichzelf – talloze abortussen en internationale adopties.

Seksslaaf

Ferdousy Priyabhashini was een van de slachtoffers van wat auteur Anthony Mascarenhas ‘de verkrachting van Bangladesh’ noemde. ‘De donkere nacht dat ze me meenamen’, zo noemde Priyabhashini zelf het gruwelijke etmaal in maart 1971 waarmee haar helletocht begon. ‘Ik weet niet met hoeveel ze waren. Ze dronken whisky en spuugden op me.’

Priyabhashini gaf het Bengalese drama een gezicht. Als eerste vrouw bracht zij haar verhaal naar buiten. In de jaren negentig was ze assistent van historica Hameeda Hossein. Die vroeg haar: kun je een slachtoffer van de verkrachtingen van 1971 voor me vinden? Zij antwoordde: ‘Ja. Zo’n slachtoffer ben ik.’

Toen de oorlog begon, was ze 23. Op kantoor in een jutefabriek in de stad Khulna was ze de enige vrouw. ‘De fabriekseigenaren nodigden Pakistaanse officieren uit om me te misbruiken. In de kazerne werd ik door een heleboel mannen verkracht. Ik bleef maar huilen.’

Acht maanden ging het door, bijna dagelijks werd Priyabhashini door de militairen opgehaald – seksslaaf van het bezettingsleger. Ze viel ten prooi aan groepsverkrachtingen en raakte zwanger. ‘Ik had geen geld voor abortus, ik ging de deuren langs om te bedelen. De dokter deed het uiteindelijk voor 150 taka.’

Ontsnappen was geen optie. Ze was ‘zwak, jong en onzeker’, een eenvoudig kantoormeisje. ‘En m’n familie was van mij afhankelijk, ik vocht voor ons overleven.’ Ze wist wat de straf zou zijn als ze niet meewerkte: in de omgeving van Khulna zag ze duizenden lijken.

Opeens was het voorbij, in december 1971. Het leger van West-Pakistan gaf zich over, verslagen door een guerrillamacht en het Indiase leger. Daarmee kwam een eind aan, in de woorden van auteur Robert Payne, ‘georganiseerde massaslachtingen, uitgevoerd door ontwikkelde stafofficieren, die precies wisten wat ze deden. Moslimsoldaten gingen mechanisch en efficiënt te werk, tot het vermoorden van onschuldige mensen zo gewoon werd als sigaretten roken.’

Geen tijd voor verwerking

De Bengalezen gunden zich de tijd niet voor traumaverwerking, een nieuwe natie moest worden opgebouwd. Ferdousy Priyabhashini trouwde en kreeg drie dochters. In 2008, toen de Volkskrant haar sprak in Dhaka, was ze een bekende kunstenares. Haar man Ahmed luisterde met een ernstige blik terwijl zijn echtgenote haar verhaal deed in de tuin van haar atelier, die vol stond met sculpturen gemaakt van boomstronken, takken en afvalhout. Takken en twijgen, heette de laatste expositie. Haar oorlogservaringen waren de bron van al haar werk.

De bevrijding was voor Priyabhashini niet bevrijdend. ‘De samenleving verwierp me’, zei ze, een lot dat ze deelde met duizenden vrouwen. ‘Niemand wilde met me te maken hebben, ik was een slechte vrouw. Ook ooms en tantes wezen me af. Ik had ze negen maanden lang onderhouden met mijn werk, maar begrip kon er niet af. Zelf heb ik me nooit schuldig gevoeld. Ik kon kiezen: toegeven aan hun lusten of sterven. Ik koos voor het leven en dat is geen misdaad.’

Naar schatting 25 duizend vrouwen werden door de Pakistanen met opzet zwanger gemaakt, naast de onbedoelde zwangerschappen. Veel vrouwen wilden geen kind van de vijand, maar er was ook veel sociale druk op vrouwen om hun kind te aborteren of na de geboorte af te staan voor adoptie. ‘Vervuild bloed’, noemde Mujibur Rahman de nakomelingen van de verkrachters.

‘Het land wilde verder, en de puurheid en de eer van de gemeenschap speelden een grote rol’, zegt Bina D’Costa, een na de oorlog geboren wetenschapper die onderzoek deed naar het seksueel misbruik en de ‘oorlogsbaby’s’, zoals ze worden genoemd. Vaak was niet duidelijk of de vrouwen zelf abortus wilden, vooral sociaal werkers vonden het nodig. Volgens een arts van het Rode Kruis die ze sprak, was het soms ‘hartverscheurend’, hoe moeilijk het voor de vrouwen ook zou zijn geweest om de zwangerschap uit te dragen.

Halfslachtig eerherstel

Na de oorlog kwam er een halfslachtig eerherstel. Mujibur Rahman verzon de titel birangona (‘heldinnen van de oorlog’) voor de verkrachte vrouwen en voor de vrouwelijke strijders van de guerrillamacht Mukti Bahini. Gepoogd werd hen te integreren in de samenleving en echtgenoten te vinden voor de weduwen en de ongehuwde slachtoffers. De campagne had, in het conservatieve Bangladesh, weinig succes en resulteerde in een nieuwe vernedering.

‘De lichamen van vrouwen waren doelwit tijdens de oorlog, maar even­eens daarna’, zegt D’Costa. ‘Dat is een centraal thema in mijn werk: hoe de seksualiteit van vrouwen wordt gecontroleerd door de staat, ook in de nasleep van een oorlog.’

Moeder Teresa speelde een grote rol bij de andere oplossing: adoptie. Van abortus moesten haar Zusters van Naastenliefde niets hebben. Samen met het Rode Kruis zetten zij een programma op van adoptie naar India en Europese landen, waaronder Nederland. Ook daarbij ging veel fout, zoals vorige maand werd bevestigd in het rapport van de commissie-Joustra over interlandelijke adoptie. Kinderen werden op papier tot wees gemaakt, of jonger gemaakt dan ze waren, moeders kregen soms niet te horen dat hun kind ter adoptie werd aangeboden.

De getuigenis van Ferdousy Priyabhashini droeg ertoe bij dat de Bengalese regering in 2009 – eindelijk – een tribunaal oprichtte voor de misdrijven uit de onafhankelijkheidsoorlog. De Pakistaanse hoofddaders bleven echter ongestraft. Alleen de Bengalezen die hadden gecollaboreerd met de vijand, werden aangepakt. Bijna allemaal hoorden zij tot de Jamaat-i-Islami, een fundamentalistische partij die in 1971 ‘fout’ was geweest en wier paramilitaire mantelorganisaties hadden deelgenomen aan de moordpartijen.

Nieuwe barsten

In de Bengalese samenleving veroorzaakte die aanpak nieuwe barsten. De Jamaat was vanaf eind jaren zeventig weer de Bengalese politiek in gekropen. Doordat het ‘foute’ imago haar bleef aankleven, is de partij nooit groot geworden, met zo’n 4 procent bij verkiezingen, maar door de politieke tweedeling kreeg ze een wippositie. Met de Bengalese Nationale Partij (BNP) aan de macht (1991-1996 en 2001-2006) had de Jamaat zelfs ministers in de regering.

Toen vervolgens de Awami Liga weer eens het roer overnam, keerde het tij. Plannen werden gesmeed voor de oprichting van een oorlogstribunaal, en uiteraard kwamen daarbij vroegere en huidige Jamaat-leiders in beeld als verdachten.

Onder hen was de tweede man van de partij, Muhammad Kamaruzzaman. Hij zag er, in 2008 in zijn kantoor in Dhaka, met zijn gouden bril en ringbaardje meer uit als een brave zakenman dan als een oorlogsmisdadiger. Hoofdschuddend wees hij de beschuldigingen als ‘non-issue’ en ‘politieke chantage’ van de hand. Tegenstanders, meende hij, misbruikten de kwestie in de aanloop naar de verkiezingen, later dat jaar.

Liever had hij het over de gevaarlijke ideeën van de seculiere Bengalese feministen. ‘Als we gelijkheid accepteren, dan zou de vrouw ook meer mannen kunnen nemen.’ Zou dat, wierpen we tegen, een probleem zijn dan? Hij keek verbluft. Daar had hij nooit bij stilgestaan. Hij dacht diep na. ‘Het zou een ramp zijn voor de maatschappij!’

Op 11 april 2015 werd Kamaruzzaman opgehangen. Acht anderen kregen ook de doodstraf, van wie twee in absentia. Twee oorlogsmisdadigers kregen levenslang. Bijna allen waren leiders van de Jamaat.

Seculier links en religieus rechts

De rechtszaken riepen twee tegen­gestelde tendensen op in de Bengalese samenleving. Toen de rechters aanvankelijk levenslange gevangenisstraffen begonnen op te leggen, dwong de massale Shahbag-protestbeweging een correctie af. Voortaan kregen de aangeklaagden de doodstraf. (Wat overigens leidde tot kritiek die internationaal al leefde, bijvoorbeeld bij Human Rights Watch, op het gebrek aan transparantie en de partijdigheid van het tribunaal.)

Maar ook de fundamentalisten – zoals overal in de moslimwereld sterk in street power – mobiliseerden hun achterban, als reactie op het seculiere Shahbag. De lijst met dertien eisen van hun Hefazat-campagne omvatte verplicht islamitisch onderwijs, de doodstraf voor blasfemie, scheiding der seksen in de openbare ruimte en een verbod op ‘schandelijke’ kleding. Een shariastaat, kortom.

Een half miljoen betogers legden in mei 2013 de hoofdstad plat. ‘Hang de atheïstische bloggers op’, was de voornaamste slogan. Geïntimideerd gaf de regering toe aan enkele eisen van de islamisten. De madrassa’s (koranscholen) op het platteland kregen de ruimte en er kwam een wet tegen ‘laster’ en ‘het schenden van religieuze gevoelens’ op sociale media.

Al diverse malen eerder had Bangladesh – in 1971 links en seculier ter wereld gekomen – toegegeven aan religieus rechts. Zo werd in 1988 de islam in de grondwet benoemd tot godsdienst van de staat, een staat die volgens dezelfde grondwet seculier is. De Hefazat-beweging voelde zich gesterkt. Drie jaar lang volgden moordaanslagen op bloggers en liberale intellectuelen elkaar op, tot de regering in 2016 met harde hand het extremistisch geweld indamde.

Sinds de laatste doodstraf in datzelfde jaar is het Tribunaal voor Internationale Misdrijven vrijwel tot stilstand gekomen. De Bengalese verdachten zijn op, een paar kleine zaken lopen nog. Nu Bangladesh zijn vijftigste verjaardag viert, is het tijd om de balans op te maken. Die is niet per se positief.

‘Het tribunaal is gepolitiseerd geraakt, dat was de tragedie’, zegt advocaat en mensenrechtenactivist Sara Hossain. ‘Het heeft niet veel betekend voor mensen die niet direct slachtoffer waren. Het had kunnen bijdragen aan het schrijven van een collectieve geschiedenis, eigendom van het hele land. Dat is niet gebeurd.’

Door de enorme polarisatie in de Bengalese politiek is van een nationaal doorvoelde eenheid rond de herdenking geen sprake. Sinds dertig jaar wordt het land bestuurd door afwisselend twee vrouwen: Sheikh Hasina, de dochter van Mujibur Rahman, en Khaleda Zia, de weduwe van oud-president Ziaur Rahman. Hun rivaliteit maakt de geschiedschrijving van de genocide tot strijdterrein.

Gemankeerd proces

De verwerking van de oorlog is door de politieke woelingen een onaf en gemankeerd proces gebleven. Sheikh Hasina en Khaleda Zia hebben het laten gebeuren dat zelfs de seculiere traditie van Bangladesh, het kroonjuweel van de onafhankelijkheid, ernstig in gevaar is gebracht door islamisten.

Volgens Hossain is die eenzijdige geschiedschrijving grotendeels het werk van de Awami Liga, de huidige regeringspartij van Sheikh Hasina. ‘Ze hebben een verhaal gecreëerd dat over slechts één partij gaat.’ Nota bene een partij die de wet tegen laster gebruikt tegen critici van de regering. ‘Dat vijftig jaar na de bevrijding mensen in de gevangenis kunnen komen door een cartoon, is een verraad van de martelaren, van degenen die zijn gestorven voor hun land. Mensen hebben hun leven gegeven voor een samenleving gebaseerd op fundamentele rechten.’

Anders dan in bijvoorbeeld Zuid-Afrika is in Bangladesh geen sprake geweest van verzoening, en van waarheidsvinding maar ten dele. Daders zijn veroordeeld wegens moord, niet wegens verkrachting. ‘Het tribunaal heeft veel blootgelegd, oude littekens zijn zichtbaar geworden’, zegt Bina D’Costa. ‘Maar er is weinig gedaan om mensen te genezen, hen in het reine te laten komen met hun pijn.’

‘De viering deze week zal alleen over het positieve gaan’, zegt Hossein. ‘En inderdaad, er zijn veel dingen waar we trots op kunnen zijn, er is veel bereikt. De onafhankelijkheidsstrijd is nog steeds een bron van inspiratie. Maar we zijn niet waar we zouden moeten zijn. Bangladesh is niet de seculiere democratie waarvan mensen in 1971 droomden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden