Reportage Archeologisch onderzoek Satricum

Na veertig jaar komt er een einde aan het unieke archeologische project in Satricum

Al veertig jaar lang zijn onderzoekers van de UvA aan het graven in de antieke stad Satricum, bij Rome. Maar nu draait de universiteit de geldkraan dicht. Jarl van der Ploeg bezocht de plek waaraan hele generaties Nederlandse archeologen warme herinneringen koesteren.

De tempels worden schoongemaakt (1977) Beeld Privécollectie Marijke Gnade

Verreweg de mooiste dependance van de Universiteit van Amsterdam ligt zo’n 60 kilometer ten zuiden van Rome en bestaat uit een tent, twee klapstoelen en 25 pikhouwelen. Zo’n drieduizend jaar geleden bouwden de Latijnen hier hun eerste hutten, later arriveerden de Volsken en de Romeinen, maar veertig jaar geleden kwam er een nieuw volk aan in Satricum: de Nederlanders.

Ogni estate giovani archeologi dalla pelle chiarissima, capelli biondi e occhi azzurri, non temono ustioni sotto il sole rovente’, schreef een lokale krant pas nog over die vreemde groep studenten die elk jaar weer met hun korte broeken richting het zuiden trekt en zijn intrede doet in een oud, verlaten schoolgebouwtje in het gehucht Le Ferriere – ‘elke zomer komen de jonge archeologen met hun bleke huid, blonde haren en blauwe ogen, geen van allen bang te verbranden onder de ongenadig stralende zon’.

En een andere krant: ‘Niet lang na de zwaluwen arriveren ook de Nederlanders elk jaar in Le Ferriere’.

Het zijn ronkende teksten die al veertig jaar lang verschijnen in vrijwel alle lokale kranten rondom Rome, maar die binnenkort zo maar eens tot het verleden kunnen behoren. Afgelopen zomer was waarschijnlijk de laatste van dit al decennia durende, unieke archeologische project. De UvA is van plan het project op te doeken.

Satricum, de archeologische site waar Marijke Gnade en andere Nederlandse archeologen al veertig jaar aan het graven zijn. Beeld Marco Bonomo

La professoressa

Dat betekent een einde aan de jaarlijkse invasie van lange, blonde Hollanders die zodra de zomer aanbreekt naar Italië komen – hele generaties Nederlandse archeologen koesteren zoete herinneringen aan hun eerste praktijklessen in Satricum, gevolgd door heerlijke borden pasta en liters slobberwijn – en vooral: het betekent een einde van het levenswerk van hun begeleider Marijke Gnade.

‘Tja’, zegt Gnade.

Volgens de officiële administratie van de Universiteit van Amsterdam is Gnade ‘bijzonder hoogleraar in de archeologie van pre-Romeinse culturen in centraal-Italië’ en is zij al bijna veertig jaar betrokken bij de opgravingen van de antieke stad Satricum – de langstlopende opgraving van Nederlandse wetenschappers in de mediterrane wereld.

Die gegevens kloppen als een bus, maar hier in het dorpje Le Ferriere, de plek waar eeuwen geleden de stad Satricum bloeide, staat ze vooral bekend als la professoressa. Van de cameraman die haar vandaag filmt voor het middagjournaal tot de eigenaar van de lokale bar, de beheerder van het museum, de wijnboer en toevallig passerende dorpsgenoten: allemaal buigen ze eerbiedig hun hoofd als Gnade passeert en zeggen ‘professoressa’.

Buongiorno’, speelt Gnade het toneelstuk elke keer weer mee.

Marijke Gnade. Beeld Marco Bonomo
De fototoren (1989). Beeld Privécollectie Marijke Gnade

Buitenlandse archeologen die in Italië onderzoek doen, zijn al bijna net zo oud als de weg naar Rome. Het is het land met het meeste Unesco-werelderfgoed ter wereld, maar van alle EU-leden is er slechts één land dat nog minder uitgeeft aan cultuur dan Italië. Het gevolg: er is veel te weinig budget beschikbaar om alle eigen geschiedenis op te graven, laat staan te onderhouden. Tel daarbij op dat verreweg de meeste aandacht uitgaat naar de parels, zoals het Forum in Rome of Pompeii, en je begrijpt waarom er volgens de Carabinieri vorig jaar alleen al 8.405 archeologische artefacten werden gestolen in Italië. Plekken die in ieder ander land ter wereld een drukbezocht museum zouden opleveren, liggen hier gewoon braak.

Legertje studenten

Dat is nu zo, maar dat was ook al zo in 1977, toen de Nederlanders voor het eerst naar Satricum togen. Omdat er geen geld was om fatsoenlijk archeologisch onderzoek te verrichten in deze pre-Romeinse nederzetting, vroegen de Italianen het Nederlands Instituut in Rome om hulp – een korte ‘noodopgraving’ ter behoud van bedreigd archeologisch erfgoed, aldus het verzoek.

‘Maximaal een jaar, was het idee’, vertelt Gnade 42 jaar later, nog altijd met zand op haar knieën en modder onder haar nagels. Satricum bleek dusdanig interessant dat de Nederlanders de jaren erna elke zomer zouden terugkomen en de site inmiddels is uitgegroeid tot een van de toonaangevendste archeologische projecten van Midden-Italië.

‘Iedere expert weet: de opgravingen in Satricum zijn van groot belang’, zegt ook Antonietta Simonelli, curator bij het Museo Villa Giulia, een van de belangrijkste archeologische musea van Italië waar ook een deel van de Satricum-collectie ligt.

Satricum, zo blijkt uit het jarenlange werk van Gnade en haar wisselende legertje Nederlandse archeologiestudenten, ontstond bijna drieduizend jaar geleden als een stel hutten boven op een heuvel. Te midden van die hutten verrees een heiligdom, wegen en een haven, en in de eeuwen daaropvolgend groeide Satricum, eigenlijk synchroon met Rome, uit tot een welvarende stad van ongeveer 40 hectare.

Maar naarmate Rome belangrijker en machtiger werd, verpieterde Satricum, waarna de stad leegliep en overwoekerd raakte. Tot eind 19de eeuw een archeoloog een schep in de grond stak en op dat oude heiligdom stuitte, met daaronder het grootste votiefdepot ooit in de regio gevonden. Een votiefdepot is archeologenjargon voor een plek waar offers aan de goden worden bewaard, en in dit geval ging het om tien- tot twintigduizend offers, een gigantische hoeveelheid.

De belangrijkste offers werden, net als delen van de tempel en de omringende stad, opgegraven en opgestuurd naar het Museo Villa Giulia, waarna de archeologen de stad weer verlieten. Ze hadden nog meer werk te doen, elders in Italië, en trokken weer door.

Satricum, de archeologische site waar Marijke Gnade en andere Nederlandse archeologen al veertig jaar aan het graven zijn. Beeld Marco Bonomo
Onderzoek in een waterput (1980) Beeld Privécollectie Marijke Gnade

Mater Matuta

Het gevolg: Satricum verpietert voor de tweede maal in zijn geschiedenis en valt uiteindelijk in handen van wijnboer Dino Santarelli, die de grond egaliseert en een groot deel van de antieke stad aan gruzelementen ploegt. Als vlak daarna ook het plan ter tafel komt een grote autoweg te bouwen die recht over de akropolis heenloopt, luidt de Italiaanse archeologische dienst alsnog de noodklok. Misschien is het Nederlands Instituut in Rome bereid te helpen met een korte ‘noodopgraving’ ter behoud van bedreigd archeologisch erfgoed?

‘Kijk, dit is precies waar we de eerste weken begonnen met graven’, wijst Gnade naar een hoek van de eeuwenoude Mater Matuta-tempel, een tempel van zeker 2500 jaar oud die was gewijd aan de godin van het beginnende leven. Meteen op dag dertien, vertelt Gnade, werd een steen ontdekt met daarop de oudste nog leesbare monumentale Latijnse inscriptie ooit gevonden: de Lapis Satricanus, gemaakt ter ere van de allereerste consul van Rome.

Het bleek de eerste van vele spectaculaire vondsten in Satricum, een gebied dat, zo bleek, totaal ten onrechte aan zijn lot was overgelaten. Zo waren het de Nederlanders die als eersten een tastbaar bewijs vonden voor het bestaan van de Volsken. Dat was een ruig Italisch volk dat volgens antieke auteurs als Titus Livius een geduchte vijand van de Latijnen en de Romeinen was, en waarover zelfs Shakespeare later een drama zou schrijven, maar waarvan nog nooit fysiek bewijs was gevonden en aan wier bestaan dus altijd werd getwijfeld.

Tot de Nederlanders ergens in het zuidwesten van de vergane stad een grafveld vonden, bestaande uit relatief eenvoudige, rechthoekige graven. In een van die graven werd een bijl gevonden met daarop een inscriptie in een vreemd schrift: het allereerste bewijs van Volskische aanwezigheid.

Volskische grafvelden

Er volgde nog veel meer. De Nederlanders vonden uiteindelijk drie complete Volskische grafvelden, een nog oudere voorloper van de Mater Matuta-tempel uit de 9de eeuw voor Christus en, wederom uniek in zijn soort, een 800 meter lange, pre-Romeinse processieweg.

Het maakt het ‘Nederlandse’ Satricum tot een unieke plek. Niet alleen zijn de vondsten op zichzelf al spectaculair, maar omdat de ontwikkeling van Satricum erg lijkt op die van het vroege Rome, dragen de 25 Nederlandse studenten die jaarlijks naar het zuiden trekken op fundamentele wijze bij aan de kennis van de pre-Romeinse geschiedenis in Centraal-Italië – en dus van de opkomst van het Romeinse Rijk.

Want in de IJzertijd begon Satricum, net als Rome, als een aantal eenvoudige nederzettingen op een reeks heuvels omgeven door moerasgebied. Net als Rome ontwikkelde Satricum zich vervolgens tot een relatief welvarende handelsstad die, net als Rome, door een rivier verbonden was met de zee en zich, net als Rome, op een belangrijk verkeersknooppunt bevond.

‘Het grote voordeel van Satricum ten opzichte van Rome is dat wij hier alles uit die vroege periode relatief makkelijk kunnen opgraven’, zegt Gnade. ‘In Rome moet je eerst door vijf eeuwen Romeinse Keizertijd heen, dan nog door de Republiek en de Koningstijd. Hier hoeft dat niet. Hier kunnen we dat laten zien wat in Rome diep verstopt ligt.’

Gnade gebruikt het woord ‘we’, want in de bijna veertig jaar dat ze hier werkt, zag ze honderden Nederlandse archeologiestudenten passeren. Velen van hen hadden tot hun komst nog nooit een pikhouweel vastgehouden, laat staan dat ze gewend waren om uren onder een brandende Italiaanse augustuszon te werken en verantwoordelijk te zijn voor het opgraven van eeuwenoude skeletten, soms zo fragiel als een orchidee.

Satricum, de archeologische site waar Marijke Gnade en andere Nederlandse archeologen al veertig jaar aan het graven zijn. Beeld Marco Bonomo
Het opgraafteam in de jaren negentig. Beeld Privécollectie Marijke Gnade

Liters slobberwijn

Daarom is Satricum niet alleen een belangrijke plek voor de wetenschap, maar ook voor de wetenschappers zelf: hele generaties Nederlandse archeologen koesteren warme herinneringen. Aan de dorpsschool bijvoorbeeld, die iedere zomer weer wordt omgetoverd tot slaapzaal. Aan de kokkin uit het dorp, die twee keer per dag verrukkelijke maaltijden op tafel tovert. Aan de wekker die elke ochtend om half zes begint te piepen, gevolgd door de pikhouwelen, de schepjes, de hoogtemeters, de mesjes, de kwastjes en de borsteltjes.

Archeologen van jong tot oud herinneren zich het stof, de tempel, de potten, de munten, de muren, het marmer, de graven, de doden. Ze herinneren zich hun stroeve knieën aan het einde van de dag, de goedkope slobberwijn die ze ’s avonds met liters dronken, vaak gevolgd door een warme of soms zelfs hete zomernacht. Gnade weet het precieze aantal niet, maar tientallen Nederlandse archeologenkoppels keken elkaar de afgelopen decennia voor het eerst diep in de ogen tussen de resten van Satricum.

Het maakt van deze opgraving een instituut, zowel in de Nederlandse archeologenwereld als in de Italiaanse. Want ook al zijn er talloze buitenlandse teams actief in Italië, er zijn er niet veel die veertig jaar actief blijven op zo’n belangrijke plek. Vertel een Italiaanse archeoloog dat er Nederlandse collega’s actief zijn in Pompeii, en hij zal antwoorden: goh. Laat de naam Satricum vallen, en de reactie is direct: gli olandesi!

‘Iedere Italiaanse archeoloog weet dat er Nederlanders actief zijn in Satricum’, zegt ook curator Simonelli van Museo Villa Giulia.

Niet voor niets kreeg Gnade in de loop der jaren het ereburgerschap van zowel het dorpje Le Ferriere als de provinciehoofdstad Latina opgespeld en ontving ze de Frumento d’oro 2014, een jaarlijkse prijs voor vrouwen die iets bijzonders hebben gepresteerd voor de Italiaanse regio Lazio.

Geld belangrijker dan kennis

Eigenlijk is er maar één instituut dat qua waardering wat achterloopt: haar eigen Amsterdamse universiteit, die van plan is de stekker uit het project te trekken, nog voordat Gnade over drie jaar met emeritaat gaat. Net als zoveel universiteiten is ook de UvA een bedrijf geworden waarbij geld belangrijker is dan kennis, zegt ze. En met archeologie verdien je nu eenmaal geen geld, laat staan met een stoffige dependance op 60 kilometer ten zuiden van Rome.

Het gevolg: het onderwijsbudget gaat vanaf volgend jaar waarschijnlijk naar een opgraving in Griekenland. Volgens de UvA heeft de opleiding officieel nog geen besluit genomen – ‘binnen de opleiding archeologie wordt op dit moment nagedacht waar de verplichte veldwerkcursus voor bachelorstudenten gestationeerd zal worden’, aldus een woordvoerder – maar Gnade weet het na twee gesprekken met de universiteit zeker: na meer dan veertig jaar veldwerk heeft het kleine legertje Nederlandse studenten deze zomer voor het laatst afscheid genomen van hun professoressa.

En het wetenschappelijke argument dat Satricum nog maar voor 40 procent in kaart is gebracht? Of dat het project de universiteit relatief weinig geld kost, dankzij de samenwerking met wijnboer Santarelli? Dat deze opmerkelijke dependance van de UvA pure reclame is voor de Nederlandse wetenschap in Italië?

‘Tja’, zegt Gnade nogmaals. ‘Kom, ik laat je de plek zien waar we voor het eerst de Volsken vonden.’

Beeld Marco Bonomo
De eerste opgravers (1977) Beeld Privécollectie Marijke Gnade

Oudste wijn ter wereld?

Vrijwel de hele antieke stad Satricum bevindt zich in wat tegenwoordig de wijngaarden zijn van de familie Santarelli, een gerenommeerd Italiaans wijnmakersgeslacht dat onder de naam Casale del Giglio – ‘het Huis van de Lelie’ – geldt als een van de grootste producenten van kwaliteitswijnen in de regio Lazio. Eigenaar Dino Santerelli had halverwege de vorige eeuw weinig interesse in de archeologie; door zijn ploegwerk een groot deel van de antieke stad verwoest. Toen zoon Antonio het familiebedrijf overnam, besloot die een totaal andere koers te varen en juist zo veel mogelijk samen te werken met de Nederlandse archeologen. De UvA hoeft geen pacht te betalen, de wijnboer stelt al jarenlang een huis beschikbaar waarin Gnade tijdens de zomermaanden mag verblijven en haalt zonder morren druivenranken weg als daaronder een belangrijk stuk stadsmuur blijkt te liggen, en hij betaalt zelfs voor de arbeiders en de graafmachines die nodig zijn. De Universiteit van Amsterdam financiert grofweg tweederde van de kosten van het project, Santarelli de rest.

In ruil daarvoor krijgt de wijnboer alleen prestige terug. En marketingwaarde natuurlijk. Op de etiketten van de Casale del Giglio-wijn staat dat op de boerderij al bijna drieduizend jaar wijn wordt geproduceerd – een claim die min of meer hard te maken is omdat Gnade er ooit een zeer oude wijnbeker vond. Twee van de belangrijkste wijnen die het huis produceert heten bovendien Satrico en Mater Matuta, naar de 6de-eeuwse stad en zijn tempel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden