Na Gijp

Jarenlang vormden sportboeken een nichemarkt; leuk voor de liefhebber, te vinden op de onderste plank. Tot nu. Niet eerder verschenen er zo veel boeken van/over voetballers en andere sporters, niet eerder werden ze zo gretig gekocht. Waar komt die hype vandaan?

Het programma heette Zon, zuipen, ziekenhuis en het gaf de kijker wat de titel beloofde: zorgeloos zuipende jongeren in uit crèmekleurig beton opgetrokken badplaatsen waar ze voor een week of tien dagen door een budgetluchtvaartmaatschappij waren gedropt, met 400 euro, twee stuks zwemkleding en een koffer vol condooms.


Langs het zwembad van een van die hotelkolossen langs een non-descripte playa lag een groepje jongens. Een niet-voetballend voetbalteam. Ze lagen in de zon en zweetten de alcohol van de vorige avond uit hun lijf. De camera zoomde in op een boek, dat als een tijdschrift omgevouwen naast een ligstoel lag. Vanaf het omslag grijnsde René van der Gijp naar de kijkers thuis.


Enthousiast beantwoordde de boekenwurm van het gezelschap de voorspelbare vragen. Nee, normaal las hij nooit boeken en ja, voor deze keer wel.


Hij genoot ervan, het las lekker weg.


Hij was bijna op de helft.


In diezelfde tijd - zomer 2012 - las ook ik Michel van Egmonds megabestseller Gijp, een biografie van iemand die op het eerste gezicht weinig opschrijvenswaardigs heeft meegemaakt. Ik beken dat ik (voetbalfan en literatuurliefhebber) enigszins bevooroordeeld aan het boek begon. Dat had z'n redenen:


Van der Gijp was een goede speler, maar niet meer dan dat. Bovendien dateerden zijn gloriedagen van de jaren rond mijn geboorte en was er niet veel meer van zijn talenten bewaard gebleven dan een geweldig schot dat op elke videoband met voetbalhoogtepunten opdook.


De oud-international leek me in z'n tweewekelijkse televisieoptredens bij Voetbal International een zieltje zonder zorgen, met de diepgang van een pannekoek - iemand die vaker een paaldansclub van binnen had gezien dan zijn eigen twijfels en onzekerheden.


Gijp verscheen onder de vlag van de boekenpoot van Voetbal International, een tijdschrift waarin ellenlange monologen van onbekende eredivisiespelers al sinds mensenheugenis worden afgewisseld met ellenlange monologen van iets bekendere eredivisiespelers. Veel van hen spreken in saaie prefab-zinnen over hun trainer (een fijne peer als het goed gaat, een niet-communicatieve druif als hij de speler in kwestie op bank of tribune heeft gezet), hun gezin ('Het thuisfront. Belangrijk') en hun spel ('Ik moet aan mezelf blijven werken').


De namen veranderen, de tekst blijft immer hetzelfde. Week in, week uit, decennia achtereen. Je moet ervan houden.


Gijp was anders. Het boek was origineel opgezet, had meer het karakter van een reportage dan van een gewone levensbeschrijving en het onderwerp bleek ook al jaren verwoede pogingen te doen zijn demonen te overwinnen. Bovendien cirkelde het boek rond een universeel literair thema: de discrepantie tussen hoe je jezelf ziet en hoe anderen naar je kijken.


Maar bovenal was het voortreffelijk geschreven. Vond ik. En enkele honderdduizenden mensen met mij.


De discussie over de literaire kwaliteit van Gijp laait ook ruim anderhalf jaar na publicatie nog af en toe op, als er weer een verkooprecord aan diggelen gaat of als er een publieksprijs wordt weggegrist voor de grijpgrage handen van serieuze schrijvers, die van ongemak niet meer weten hoe ze moeten kijken (Tommy Wieringa in DWDD) of wat ze moeten schrijven (Christiaan Weijts, die in nrc.next pleitte voor een NS Publieksprijs Eerste Klas, om te voorkomen dat jokers als Gijp ooit nog een voet tussen de coupédeur zouden krijgen - tot zover het begrip 'publieksprijs').


Ongeacht wat je van Gijp, Van der Gijp, Van Egmond of Voetbal International-opperhoofd Johan Derksen vindt: het boek heeft een nieuw tijdperk ingeluid. Het tijdperk van het sportboek.


Maar hoe?


Het antwoord is te vinden in Gouda, op de redactie van Voetbal International. Daar bouwde Johan Derksen jarenlang in relatieve rust aan wat je gerust een imperium kunt noemen: in de slipstream van een van de succesvolste tijdschriften van Nederland verrezen achtereenvolgens een actuele en uiterst populaire website, een prijswinnend televisieprogramma en een eigen radiostation. Allemaal met dezelfde naam en allemaal met dezelfde doelgroep: mannen die van voetbal houden.


Mannen die je in de statistieken over het leesgedrag van de Nederlander jarenlang kon terugvinden onder het kopje 'niet-lezers'.


Een miljoenenpubliek.


Met de hulp van een paar uitstekende journalisten (bij het blad) en een cabaretesk tv-kwartet, waaraan jaren in relatieve rust werd gesleuteld en dat in wisselende samenstelling het somtijds schunnige kantinegeprevel naar nationale televisie vertaalde, deed VI aan multimediale klantenbinding. Derksen had een carrousel gebouwd waarin je, als je geluk had, eindeloos kon meedraaien: tv-ster Van der Gijp kreeg een column in het blad, schrijver Van Egmond was eindredacteur van het programma en Derksen zelf dook overal op om de nuance uit om het even welke discussie te hameren.


En toen de cultstatus van het programma Voetbal International overging in regelrechte roem, volgde Gijp: een boek (van VI) over iemand die bekend was van televisie (van VI), column (in VI) en radio (van VI), geschreven door iemand die al tijden uitblonk op papier (in VI) en achter de schermen van de televisie (van VI).


Dat boek werd een paar keer omhooggehouden door VI-uitgever Johan Derksen (tevens hoofdredacteur van VI) in zijn eigen programma (VI), er verschenen advertenties en interviews over het boek (in VI en op VI Radio) en wie het kocht (bijvoorbeeld in de webshop van VI), werd niet teleurgesteld bovendien. Ik ook niet.


Voor wie het toevallig gemist had, werden verkoopmijlpalen, nominaties en prijzen steeds weer uitgebreid besproken, in het blad, op de site en op tv.


Er wordt al jaren veel en goed over sport geschreven in Nederland.


Onder de bezielende leiding van een paar sportverliefde uitgevers en een handjevol journalisten ontwikkelde zich hier te lande langzaam iets wat je het begin van sportliteratuur zou kunnen noemen, inclusief een jaarlijkse prijs, de Nico Scheepmaker Beker - bestaande uit een wisselbokaal en nul euro prijzengeld.


Sport was een schitterende speeltuin voor schrijvers, maar wel het soort schitterende speeltuin dat ligt te verkommeren in een kinderloze wijk. Wonderlijk toch: sport bestaat - in tegenstelling tot bijna ieder ander onderwerp met een eigen krantenpagina - bij de gratie van de verhalen die de sport z'n aanhangers onophoudelijk cadeau doet. Als het in de sport uitsluitend om de esthetiek of om de krachtmeting te doen was, keek alleen een klein groepje fanatici naar schoonspringen, hardlopen en gewichtheffen. De sportpagina's in de krant zouden al lang niet meer bestaan en René van der Gijp zou niet meer zijn dan een naam uit een grijs en onbeduidend verleden.


Maar het gaat dus om de verhalen, die een onvervreemdbaar onderdeel van de aantrekkingskracht van sport vormen. Je reinste mini-odyssees en -iliasjes zijn het, de wielerkoersen die van gekonkel en bedriegerij aan elkaar hangen, de levensverhalen van voetbalmiljonairs wier decadentie hun ondergang wordt en de uren durende psychologische tennisoorlogen op gemalen baksteen.


Desondanks bleef de sportboekenmarkt jarenlang klein, een niche. In de vestigingen van grote boekhandelketens werden boeken over sport weggestopt op de onderste planken van verstofte boekenkasten, tussen naslagwerken over tuinieren, informatieve folders over het houden van middelgrote huisdieren en fotoboeken over de vergeten kunst van de aboriginals.


De argumenten lagen voor de hand: sportliefhebbers lezen niet en lezers moeten niets hebben van competitieve vormen van lichaamsbeweging. Met de publicatie van Gijp is in elk geval de eerste van die twee argumenten weerlegd.


Anno 2013 is Voetbal International bezig de markt van beroemde en/of ontspoorde ex-voetballers af te grazen. Na Gijp volgde eind 2012 nog een knaller met Geen genade, de biografie door Thijs Slegers van de zuipende, neukende en maar zeer kort goed voetballende Andy van der Meyde, die zich met dank aan de VI-publiciteitscarrousel opwerkte tot het soort BN'er dat het voorstel om een reallifesoap over zijn leven te maken krijgt - en accepteert.


Met dat succes (meer dan 100.000 verkocht) was het hek van de dam: succesvolle rubrieken uit het blad werden massaal gebundeld (de columns van Derksen, stukken over Engels voetbal door nieuwe hoofdredacteur Tom van Hulsen, een rubriek over vaders & zonen, de verhalen van adjunct Michel van Egmond (3x) en de onderzoeken van Iwan van Duren en Tom Knipping over omkoping, matchfixing en andere onverkwikkelijke randzaken) en biografieën van bijna vergeten cultvoetballers (Theo Bos, Gerrie Muhren, Kristen Nygaard) of tamelijk onbekende clubeigenaars ('behangkoning' John van Zweden) werden met de regelmaat van het rechterbeen van Cristiano Ronaldo de winkels ingeschoten. De meeste aandacht werd nog altijd gegenereerd door een door alcohol en hoeren beneveld levensverhaal, van Fernando Ricksen ditmaal, al kwam dat ook door het afschuwelijke bericht van Ricksens spierziekte, dat de hoofdpersoon zelf, snikkend en op primetime, bekendmaakte.


De Gijp-cijfers werden in 2013 niet meer benaderd, maar bijna alle VI-boeken waren in min of meerdere mate succesvol.


In de inleiding van zijn monumentale bloemlezing Sport - de 141 beste Nederlandse en Vlaamse sportverhalen van 1945 tot nu (waarvan dezer dagen een geüpdatete druk verschijnt) stelde samensteller Arthur van den Boogaard dat na 1978 iedere schrijver over sport verantwoording moet afleggen aan De renner van Tim Krabbé. Er is een periode vóór De renner - de oertijd - en er is de tijd erna. De roman van Tim Krabbé wordt door hen die het weten kunnen het eerste moderne sportboek genoemd. De renner is tegelijk een begin- en een ijkpunt: literatuur mocht vanaf dat moment over sport gaan (behalve dan van Jeroen Brouwers), maar tegelijk werd het niveau van De renner eigenlijk nooit meer benaderd.


Ik stel voor om Gijp tot een nieuw beginpunt in de geschiedenis van de sportliteratuur te bombarderen. VI ging met z'n biografieën where no publisher had gone before: het beloofde land van de niet-lezers werd ontdekt en onmiddellijk grondig in kaart gebracht. Derksen en VI: koopvaarders die met ladingen vol boeken wegvoeren en met een ruim vol goud terugkeerden.


Wie de jaarlijsten met literaire verkoopsuccessen van de laatste jaren bestudeert, komt al gauw tot de conclusie dat Gijps invloed op de sportboekenverkoop nauwelijks kan worden onderschat.


In 2010 stond in de CPNB Top-100 van meest verkochte boeken één sportboek: Open, de autobiografie van tennisser Andre Agassi. Op nummer 69. Een jaar later: weer eentje. Dit keer Mart Smeets' gebundelde stukken over Lance Armstrong. Plek: 91. 2012: Gijp op 4 (na 50 grijstinten), Van der Meyde op 9 en Van Duren en Knipping op 75. Daartussen, van andere uitgevers: de veelbekroonde biografie van Zlatan Ibrahimovic en een honkbalroman van Chad Harbach.


Dat was 'hoe?' Dan nu 'waarom?' Waarom zijn sportboeken het ene moment nog een probleemkind waar maar geen pleeggezin voor gevonden kan worden - en stootte fusie-uitgeverij Atlas-Contact een volledig sportfonds af - en is het genre het volgende moment overal even welkom als het zoontje van een snoepgigant op een partijtje?


Het draait om drie zaken: herkenbaarheid, kwaliteit en timing. Gijp was niet zomaar een prima gepromoot biografietje van een rijzende televisiester die kort na het uitkomen van het boek een maand lang twee keer per dag op televisie kwam, het was ook een humoristische en originele tour door het doolhof van Van der Gijps geest. De opvolger, Van der Meyde, dankte z'n succes vermoedelijk deels aan media die er zich alles aan gelegen lieten liggen om de hype dit keer niet te missen - de afspraak met Ivo Niehe's TV-show was al voor het uitkomen van het boek beklonken, zoals Paul Onkenhout dit voorjaar al in de Volkskrant schreef. Zo surfte Geen genade voort op de golven die Gijp had veroorzaakt, geholpen door de almaar herhaalde belofte van veel seks en drugs en verdomd weinig voetbal. Van Egmond en Slegers hadden, behalve veel pr-hulp en uitstekende onderwerpen, ook het ontastbare 'momentum' mee.


Begin dit jaar verscheen bij uitgeverij Podium Speler X, het verhaal van een anonieme Belgische voetballer in Engelse dienst, die dichteres Sylvie Marie had benaderd om zijn strapatsen te boekstaven. Het boek was prima geschreven, bevatte minstens zoveel seks en drugs als Geen genade en kon bovendien rekenen op het mysterie rond de identiteit van de speler.


Toch gebeurde er weinig rond Speler X, zoals het ook tamelijk stil bleef rond VI's vertaling van de Britse hype The Secret Footballer, met min of meer dezelfde ingrediënten als Speler X. Ergens onderweg was het momentum ongemerkt voorbijgegaan.


Een andere tendens in de sportboekenwereld van 2013 was die van de 'bekenbio' (© Thijs Zonneveld): een heel peloton oud-wielrenners schreef een boek - of liet dat schrijven - waarin zij hun medisch gefoefel gedetailleerd uit de doeken deden.


Sommige van die boeken waren zowel kwalitatief als commercieel succesvol (Racing through the dark van David Millar en The secret race van Tyler Hamilton), anderen (Bjarne Riis, Michael Rasmussen) minder.


Waarom? Kwaliteit? Bekendheid? Momentum? Allemaal een beetje?


De beste sportboeken zijn niet per se het succesvolst. Soms zit er tussen die verkoopjoekels daadwerkelijk een intelligent en stilistisch geslaagd boek, zoals er in de lijstjes van meest verkochte romans van het jaar ook altijd wel een tijdloos meesterwerk verzeild raakt. Net zo vaak (nee: vaker) is succes bij het grote publiek geen garantie dat je met Iets Heel Moois te maken hebt - andersom is dat immers ook niet zo, en er is ook niemand die dat gelooft.


De sportboekenschrijver verschilt niet wezenlijk van zijn romans schrijvende collega: ze geloven in de kwaliteit van iets waar ze lang en met liefde aan gewerkt hebben en ze weten allebei dat ze voor commercieel succes afhankelijk zijn van de televisie. Hopen en bidden moet je dat ze jou en je boek aan een talkshowtafel willen hebben. Behalve wanneer de afhankelijkheidsrelatie wederkerig is en de televisie het boek nodig heeft, zoals in het geval van VI, waarvoor de boekenafdeling het broodnodige cultureel kapitaal vertegenwoordigt.


Natuurlijk: binnen afzienbare tijd raken ze op, de snuivende spitsen en de spuitende superknechten. En als ze niet op raken, verflauwt de aandacht vanzelf wel. Het momentum verglijdt, altijd. Wat dan overblijft, is dat wat met liefde en aandacht is gemaakt. En daarvan is er meer dan ooit.


Terug naar de jongen die Gijp las op vakantie. Zonder dat hij het wist, luidde hij daar, met dat verfomfaaide exemplaar, het tijdperk van het sportboek in. Of het nou leuk is of niet, maar het voortbestaan van de sportliteratuur wordt op dit moment gegarandeerd op RTL7, langs Turkse stranden en in bedompte Spaanse hotelkamers die uitkijken op een blinde muur.


Frank Heinen

is freelancejournalist en schrijft onder meer voor HP/De Tijd, De Muur en Hard Gras.


Duizend pagina's sportproza

Meer dan duizend pagina's sportproza telt De Nederlandse sportliteratuur in 80 en enige verhalen, een zojuist verschenen bundel onder redactie van Frits Barend en Manon Colson (Prometheus; euro 19,95). Zij kozen niet alleen verhalen van langs de lijn, maar laten ook sporters zelf aan het woord, zoals Jan Jongbloed in zijn Keepersdagboek (WK 1978). Naast vertrouwde namen als Nico Scheepmaker, Jan Mulder, Hugo Camps en Ben de Graaf, gevreesd en geliefd om zijn Volkskrant-commentaren ('De Spelen verliezen hun zin'), ook literaire verrassingen van Herman Koch, Tom Lanoye, Jan Siebelink en P.F. Thomése. Overmijdelijke klassieker: Het bruine monster van de legendarische Han Hollander. Het oudste stuk: Handboogschieten, uit 1845.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden