INTERVIEW JULIE SPRECHER

'Na de oorlog was het nog erger dan in de oorlog zelf'

De joodse Julie Sprecher-Kattenburg (90) overleefde de oorlog. Zij vertelt haar tragische familie-geschiedenis. Op 4 en 5 mei zijn 'joodse huizen' geopend om de herinnering aan de oorlog levend te houden. Zo ook de winkel van de familie Sprecher.

Julie Sprecher-Kattenburg. Beeld Jiri Büller

'Zien trouwen doet trouwen, zeggen ze wel. Mijn man Joop en ik leerden elkaar kennen in september 1940, op de bruiloft van zijn broer Bob. Kort daarna stuurde hij me een kaart met een bruidsstoet. Gek vond ik dat! We hadden elkaar amper gezien, ik was 18 en in die tijd was je dan nog echt een kind. Mijn tante Belle was vrolijker en schreef terug. Ook mijn man, twee jaar ouder dan ik, bleek verlegen te zijn: een voortvarende boekhouder had zijn kaart geschreven!


'Mijn ouders hadden in Amsterdam een groothandel in schoenen. Joop woonde in Den Haag, zijn ouders hadden er een herenkledingzaak in het Zeeheldenkwartier. We gingen elkaar schrijven, nu zonder hulp van mijn tante en de boekhouder, en zagen elkaar weer in februari 1941. Toen kon je nog zonder vergunning reizen en mijn man en een vriend hadden bedacht om naar een tafeltenniswedstrijd te komen in Amsterdam. Maar dat deden ze uitgerekend tijdens de eerste razzia. De jodenster werd pas in 1942 ingevoerd en de Duitse soldaten vroegen iedereen: 'Sind Sie Jude?' Wie het lef had dat te ontkennen, overleefde. De soldaten waren net afgemarcheerd. Die twee Haagse jongens waren er gewoon langsgelopen! Toen ze bij ons aanbelden, waren we lijkbleek. Ze hadden geen flauw idee waarom.

De kledingwinkel van de familie Sprecher in de Piet Heinstraat in Den Haag. Beeld Privé-archief

‘De oorlog ging van kwaad tot erger. Vóór de grote razzia van 26 mei 1943, toen drieduizend Amsterdamse joden werden gedeporteerd, hadden we getracht naar het buitenland te vluchten. We hadden een smokkelaar betaald, maar op het station riepen ze ons: 'Maak dat je wegkomt! We zijn verraden!' Of we zijn opgelicht, wat veel voorkwam, weet ik niet.'Op 26 mei werden alle bruggen in de joodse buurt opgehaald, we zaten in de val. Iedereen moest naar buiten met zijn bagage. 

Ik was kinderverzorgster bij de joodse crèche aan de Plantage Middenlaan, waar veel kinderen uit de Hollandsche Schouwburg werden ondergebracht. Mijn vader zei: 'Doe je verpleegstersschort aan en ren naar de crèche!' Mijn jongere zus Sieny was er de hoofdleidster en zij wist ook te ontkomen. Maar mijn ouders en mijn kleine broertje zag ik die dag voor het laatst.’

Mijn latere man zat toen al ondergedoken. Op een dag kreeg hij soep uit een pan waar een varkenskop in dreef. Niet bepaald koosjer, maar ja: je was al lang blij dat je wat te eten had. Later zat hij met vijf onderduikers in een daglonershuisje, zo'n armoedig woninkje met beneden niks en als je de trap op ging, was er boven ook niks. Bij een politie-inval vluchtten ze allemaal naar boven. Een ouder echtpaar ging aan de tafel zitten, een jongen kroop onder het bed. Ze hadden geen schijn van kans. Joop verstopte zich in de kleerkast en werd als enige niet ontdekt.’

Joop Sprecher en Julie Kattenburg in 1942, voor hun huwelijk. Beeld Privé-archief

Tijdens de grote razzia zat ook hij in Amsterdam, maar niet in de joodse buurt. We besloten naar Den Haag te vluchten. Hij kocht een kettinkje met een zilveren kruisje voor me. Gelukkig was in de trein geen controle, want we hadden slecht vervalste identiteitsbewijzen: als je ze tegen het licht hield, zag je twee over elkaar geplakte foto's. In Den Haag zei Joop dat hij was gevlucht voor de Arbeitseinsatz en dat ik zijn verloofde was. Toen de vrouw des huizes van het eerste onderduikadres mij zag, liet ze zich ontvallen: 'O, wat is ze donker, ze lijkt wel een jodinnetje!' Het is maar goed dat ze in het schaarse licht niet kon zien wat voor kleur ik kreeg.'Zijn ouders zaten elders ondergedoken. Ze waren bekend in Den Haag vanwege hun kledingzaak. Zelf kon ik wel over straat, ik kende niemand hier. Ik bracht ze soms boodschappen. 

Op een dag deden ze niet open en de bovenbuurvrouw riep: 'Ga weg, ga weg, ze loeren ook op jou!''Ook de huisbazin was opgepakt, maar we hoorden later dat ze broden had gekregen van de Duitsers voor het verraden. Weer later ging het verhaal dat haar zoon, een fietsendief, maar dat stelde in de oorlog niets voor, in een cafeetje had verteld over de onderduikers van zijn ouders. Verkeerde mensen zouden dat hebben opgevangen. Joops ouders zijn vrij laat in de oorlog opgepakt. Mijn schoonmoeder zei vaak: 'Ik voel de vrede, ik voel de vrede.' Ze blijken in de Arnhemse gevangenis te zijn gefolterd, maar ze hebben niets losgelaten over ons.'

Nu loerde men dus ook op ons. Het centrum was te gevaarlijk, we vonden een nieuw adres bij het Zuiderpark. Ik ging met een koffertje vooruit, maar de bewoners durfden het bij nader inzien niet aan. Een week zwierven we rond. Mijn man keek vaak naar al die grote herenhuizen en mijmerde: 'Is er dan nergens plaats voor ons?''We hebben nog op diverse adresen gezeten, zoals bij een opticien in de Thomsonlaan. Toen de Duitsers daar van huis tot huis gingen op zoek naar jongemannen voor de Arbeitseinsatz, is Joop in de kruipruimte onder de marmeren vloerplaat van de kachel gekropen. Het verhaal ging rond dat de Duitsers dwars door de houten vloerplanken heen schoten.'

Julie Sprecher en haar zoon Rob. Sprecher: ‘Ik heb 2 zoons, 8 kleinkinderen en 28 achterkleinkinderen. Het is onze wraak op Hitler.’ Beeld Jiri Büller

De langste tijd zaten we in de Tomatenstraat. Het was een vochtig huis, in de schuilkelder krioelde het van de slakken. Soms kroop er eentje vlak boven ons als we sliepen. Wij woonden in de voorkamer, in de achterkamer zat een NSB'er. Toch was het geen kwaaie man, hij heeft ons niet verraden. Eén keer ben ik er toch bijna gepakt: bij een inval heb ik razendsnel een doek omgeslagen, schoonmaakspullen gepakt en gedaan alsof ik de werkster was.

Na de oorlog was het nog erger dan in de oorlog zelf, verschrikkelijk. Iedereen vierde feest, de overburen vroegen verontwaardigd waarom wij geen vlag uitstaken. Ik was apathisch. Elke dag liep ik naar het station om op de Rode Kruislijsten te speuren naar familie. In oktober 1945 gingen we in ondertrouw. Misschien komt er nog iemand terug, zeiden we tegen beter weten in, dán trouwen we. Op 20 februari 1946 zijn we getrouwd. Ik droeg een mantelpakje dat ik nog had, Joop zijn lange leren motorjas. Toen onze oudste zoon Theo werd geboren, was er geen familie om hem aan te laten zien.'

Instanties begonnen rekeningen te sturen. Er kwam een boete voor een boom die in de Hongerwinter illegaal was omgekapt in de tuin van mijn schoonouders. Terwijl zij toen ondergedoken zaten of al waren gedeporteerd! Ze hadden hun piano in bewaring gegeven bij de pianowinkel. We moesten bewaarloon betalen, maar de winkelier had smoezen waarom we hem niet meteen terugkregen. Wat bleek? Hij had hem verhuurd en er zo dubbel aan verdiend.'Joops broer Bob was met zijn vrouw via Portugal naar Suriname gevlucht en de overheid heeft werkelijk alles op alles gezet om de allerlaatste cent van die reis en overige hulp terugbetaald te krijgen. 

Later zagen we bij 'vrienden' van mijn ouders de ons vertrouwde spullen en meubilair van mijn familie staan, maar we kregen bijna niks mee.'We moesten een advocaat in de arm nemen om de winkel van mijn schoonouders terug te krijgen. Mijn man zocht contact met de voormalige leveranciers van zijn ouders. Een fabriek in Almelo stuurde sindsdien maandelijks zes kostuums. Die verkochten we, nog vanuit ons onderduikadres in de Tomatenstraat, zo uit de doos. Het maakte de mensen niet uit welke maat het was, er was immers bijna niets te krijgen.'Mijn schoonouders zijn omgekomen in Sobibor of Auschwitz, we weten het niet precies. 

Mijn ouders en mijn broertje hebben na de razzia vastgezeten in de Hollandsche Schouwburg en zijn naar Westerbork gebracht. Ze konden daar blijven omdat mijn vader verstand had van de inkoop van leer. Een idiote reden, maar het vergrootte hun overlevingskansen.'Maar mijn broertje had een gebroken arm die opnieuw moest worden gezet. In het hospitaaltje van Westerbork werd hij geopereerd op de dag dat Himmler op inspectie kwam. Himmler vond het onzin, een ziekenboeg voor mensen die naar de gaskamers moesten. Het hospitaaltje ging dicht en alle patiënten werden direct naar Auschwitz gestuurd. 

Zo ook mijn broertje, met mijn ouders. Dat was in februari 1944. Het moet ijskoud zijn geweest, drie dagen in die veewagons. Ik stel me vaak voor hoe dat is gegaan. En in Auschwitz? Moesten ze zich uitkleden in de kou? Hoe lang heeft het nog geduurd?'Mijn jongste zoon Rob vat onze oorlogsjaren altijd zo samen: 'De koningin was weg, de politie was fout, de burgerij onverschillig en na de oorlog was de staat onmenselijk.' Maar ja, je moet de draad weer oppakken, ook voor de kinderen. 

Tot 1953 hebben we de kledingzaak van mijn schoonouders in de Piet Heinstraat voortgezet, maar die straat ging achteruit. Van 1953 tot 1993 hadden we een winkel in Rotterdam.' Mijn man is in 2001 overleden, ik woon in Amstelveen. Ik heb 2 zoons, 8 kleinkinderen en 28 achterkleinkinderen. Het is onze wraak op Hitler.’

Open Joodse Huizen

Op joodsehuizen.nl is terug te vinden of er in uw huis of straat gedeporteerde joden woonden. Bewoners kunnen via de website een raamposter uitprinten om hen te herdenken. De familie Sprecher staat beschreven in Honderd jaar heimwee - De geschiedenis van Polen in Nederland’ (2012). Auteurs Wim Willems en Hanneke Verbeek, historici aan de campus Den Haag van de Universiteit Leiden, onderzoeken de vooroorlogse geschiedenis van joods Den Haag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden