Mysterieuze Macho

In eenvoudiger tijden stonden de namen van gitaristen gekalkt op schooltassen, maar het aura van de solo-gitarist is mettertijd wat dof geworden....

Het intro van For The Love Of God begint maar liefst vier dagen voordat die eerste, splijtende B (op de a-snaar, 14de fret) eindelijk klinkt.

Want, voilà, op de drempel van de roaring nineties stelt krachtpatsergitarist Steve Vai een vastentijd van 96 uur in voor hij het sleutelstuk van zijn rockplaat Passion & Warfare (1990) opneemt. Het lichaam moet gezuiverd zijn voor hij tot de essentie van de gitaarballade kan doordringen. Hij eet vier dagen niet, maar studeert wel. Als een maniak herhaalt hij de melodieën: bloedblaren verschijnen in de loop van de uren op zijn vingertoppen. Pas wanneer Vai de uitputting nabij is, drukt de opnametechnicus op record. En het is er naar: For The Love Of God - tijdsduur: 6 minuten en 2 seconden - is een hoogtepunt in de elektrische gitaarkunst.

Maar dat niet alleen. Ook is For The Love Of God, zo valt dertien jaar na dato wel vast te stellen, het sluitstuk van de grande epoque van die gitaarkunst - waarover straks meer. Eerst de muziek, here we go. . .

Weergaloos zelfverzekerd speelt Steve Vai de eerste drie noten van For The Love Of God, de opmaat naar de inzet van zijn begeleiders op basgitaar en drums. Zijn heldere maar volvette toon splijt het universum in tweeën. De gitaar heerst over de bas en drums, de gitarist is volledig op zichzelf teruggeworpen - de mens, eenzaam, bijna naakt voor het aangezicht van god.

Elke toon resoneert, tot het uiterste aangehouden. Traag trekt de melodie zo van de ene snaar naar de andere. Maar die sloomheid is verradelijk: zij bedwelmt.

Een contrasterende, tweede melodielijn dan - het klassieke procédé van de ABA-vorm. Vai spreekt er andere registers mee aan - hoog én laag - en tovert met een sprankelende ritmiek. Maar die royale sound blijft, resultaat van de som: speltechniek + een custom made Ibanez-gitaar + D'Addario- en Gibson-snaren + effectpedalen + Marshall-versterkers.

Nadrukkelijk laat Steve Vai daarna de hoogste tonen uit zijn instrument galmen - de aankondiging van een eruptie. Hij verkent zo het register dat het best zijn virtuositeit kan verdragen. Telkens zoekt hij even rust in de lage, sonore octaven, maar nooit voor lang.

Plukkend en trekkend aan de snaren giert Vai het uit in kwintolen, sextolen, septolen of wat voor capriolen dan ook. Als serpentines strooit hij de notenslierten uit, terwijl zijn begeleiders stoïcijns blijven. Aan zijn linkerhand komt hij vingers tekort en dus springt zijn rechterhand bij: een duivelstruc (ook wel fretboard tapping genoemd).

Met een rustig uitgespeelde sequens bouwt hij nog even de spanning op, net als met een stijgende toonladder over meerdere octaven. Maar het zijn niet meer dan naschokken van de eruptie - een meester van de dosering. Als de drums en de bas uiteindelijk stilvallen, mijmert Vai nog wat na. Rubato, vrij gespeeld. Tot de solo in het niets verdwijnt.

In dat naspel van For The Love Of God klinken de laatste echo's door van de sublieme gitaarvirtuositeit, vlak voor daar genadeloos mee is afgerekend - net zoals de muziekgeschiedenis een flinke eeuw eerder ook geen mededogen heeft gekend met het belcanto (voor zang én viool). In het fin de siècle was het gedaan met de gitaarsolo.

En nog altijd zijn de magere jaren niet voorbij.

Op het omslag van het mei-nummer van het Britse maandblad Guitar prijkt een foto van Eddie Van Halen in zijn jonge jaren, met de kop 'De laatste gitaarheld?' De vergetelheid dreigt voor de 46-jarige gitarist van de rockband Van Halen - bijna zestig miljoen verkochte platen sinds 1978. Met de gierende boor, versterkt weergegeven door het element van Van Halens gitaar op de plaat For Unlawful Carnal Knowledge (1991), had ook bij hem het loze gebaar gewonnen.

Het is alsof de tijd sindsdien heeft stilgestaan. Net als vijftien jaar geleden domineren AC/DC, Guns 'N' Roses, Cream, Steely Dan en King Crimson de covers van Guitar, Guitar Player en Total Guitar. De wanhoop is het duidelijkst af te lezen aan de jongste editie van Total Guitar - Europe's best-selling guitar magazine. 'Vijftig redenen waarom het nu een fantastische tijd is om gitaar te spelen', belooft het blad. 'Vergeet samplers, dj's, boy bands en bedplassers: de gitaar is terug.'

Helaas, de onderbouwing van de stelling stelt niets voor - en niet alleen omdat het serieuze programma 'Electric Guitar Now' van het Holland Festival ontbreekt. Maar liefst acht van de vijftig redenen betreffen de aankondiging van nieuwe platen van Korn, Marilyn Manson, Limp Bizkit, Deftones, Offspring, etc. Stuk voor stuk bands die al wat jaren meegaan en dus moeilijk nu ineens de opleving van de elektrische gitaar markeren - wie weet trouwens hoe de gitaristen van die groepen heten?

Nee, de doorbraak van de house en aanverwante elektronische dansmuziek speelt de gitaar nog altijd parten. De snel groeiende populariteit van de rechtlijnige en anonieme dansmuziek gaf aan hoezeer het publiek genoeg had van de rock met al zijn clichés - waaronder die eindeloze gitaarsolo's. 'Dj's zijn flapdrollen', schrijft Total Guitar in dezelfde machteloze termen waarmee rockers van begin af aan afgaven op dance.

Maar de gitaristen hadden het aan zichzelf te danken, de erfenis van Robert Johnson, de bluesman, was verkwanseld. Het bescheiden oeuvre van Johnson beleefde in de jaren zestig een renaissance, nadat zijn 78-toerenliederen overgezet waren op 33-toeren. Amper drie minuten duren de bluessongs, maar ze inspireerden gitaristen tot solo's van vijf, tien of vijftien minuten - met dank ook aan LSD en coke. Robert Johnson heeft geen noot te veel gespeeld en dat kan van de rockgitaristen, zeker aan het eind van de jaren tachtig, toch niet worden beweerd. Voortgejaagd door testosteron en het hoger-beter-harder-sneller.

Maar er is meer aan de hand: de gitaar is slachtoffer van de voortschrijdende emancipatie. Het waarom daarvan wordt pas goed duidelijk na beschouwing van de elektrische gitaarmythe. Oftewel: hoe het vroeger was.

Een tennisracket en een bandrecorder op woensdagmiddag in een jongenskamer. Het volume staat zo hoog dat de behuizing van het afspeelapparaat meeresoneert. Maar wat doet het er toe: Jimi Hendrix - of Eric Clapton, Jimmy Page, Joe Perry - gaat loos en het jongentje volgt in zijn spoor. Het tennisracket klemt hij met zijn rechterarm tegen zijn buik. De linkerhand glijdt langs de steel, de rechterhand rommelt wat over het snarenweb - solo! En het jongetje dat geen tennisracket heeft, laat de handen in de lucht de snaren beroeren, zoals hij ook zijn bed tot een concertpodium fantaseert.

Nog datzelfde jaar prijkt het bovenaan het verlanglijstje voor zijn zesde verjaardag: een gitaar - liefst een elektrische natuurlijk. Het is als een natuurwet, een onvermijdelijke stap in de lange weg die van een jongen een man maakt. Gitaarspelen hoort in de reeks voetballen, huttenbouwen, soldaatje spelen en veel, véél later ook autorijden. Niet voor niets is de gitaar ook wel getypeerd als een van die spreekwoordelijke verlengstukken van de mannelijkheid. (Ja: vrouwelijke gitaristen kampen met dezelfde achterstandspositie als vrouwelijke voetballers.)

Natuurlijk is het níet de unieke combinatie van muzikale karaktereigenschappen waaraan de gitaar zijn aantrekkingskracht ontleent - een ritme-, akkoord- en melodie-instrument in één (en ook nog draagbaar!). Nee, het is de status die de gitarist sinds pakweg eind jaren zestig heeft: hij is het opperwezen van de rock 'n' roll.

De gitaargod. Zijn spel is een peiler waar de mythe van de rock 'n' roll op rust. Het effect van een gierende solo en een ronkende akkoordriff kan zich, wil het verhaal, meten met de extase van seks en drugs. Al zijn dat zaken waar de 6-jarige aficionado alleen nog in zijn onderbewuste weet van heeft. De gitarist is uitgegroeid tot een archetype.

Zie daar:

- Shut Up 'N Play Yer Guitar (Frank Zappa, 1980). De gitarist is zwijgzaam. Hij laat zijn instrument spreken.

- Perfectly Good Guitar (John Hiatt, 1993). De gitarist is monomaan. Hij heeft zijn instrument - als was het een kind - steeds onder handbereik, schavend aan zijn plectrumspel, repeterend om de licks nog soepeler te krijgen (techniek, techniek!).

- My Guitar Wants To Kill Your Mama (Frank Zappa, 1970). De gitarist is stoer. Hij straalt onverzettelijkheid uit, bromt wat verwensingen als het niet naar zijn zin gaat.

- While My Guitar Gently Weeps (George Harrison, 1968). En de gitarist is heel soms gevoelig. Hij laat zich gaan in zijn solo's.

En zo komt van het een het ander: de gitarist - de mysterieuze macho - valt in de smaak bij de vrouwen. Het is Reden 21 waarom nu een fantastische tijd is om gitaar te spelen, aldus Total Guitar. 'Gitaarspelen doet het goed bij de vrouwen.'

Maar het blad verzwijgt voor het gemak de waarschuwing voor het liefje: ze moet haar gitarist te allen tijde delen met zijn gitaar. Anno 2003 komt geen gitarist daar nog mee weg. En zo is in het spoor van de moderne man ook de gitarist in een identiteitscrisis geraakt. Wie is hij, wat is zijn rol, wat wordt er nog van hem verwacht?

In eenvoudiger tijden stonden de namen van gitaristen gekalkt op schooltassen - iedereen wist bij welke bands ze hoorden. Vóór Steve Vai - ooit nog door Frank Zappa geïntroduceerd als de gitarist 'met het lichtblauwe haar' - en Eddie Van Halen - die zijn lange rockharen allang heeft afgeknipt - waren er Kirk Hammett (Metallica), Joe Perry (Aerosmith), Jimmy Page (Led Zeppelin), Robert Fripp (King Crimson), Jeff Beck (The Yardbirds), Duane Allman (Allman Brothers), Jerry Garcia (Grateful Dead), Keith Richards (Rolling Stones), Pete Townshend (The Who), Eric Clapton, Jimi Hendrix.

Maar het aura van de gitarist is dof geworden en de gitaarhelden rest nog een hoop: dat met het demasqué van de politieke correctheid van de nineties ook de gitaarsolo weer geaccepteerd raakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden