Myanmar kijkt reikhalzend uit naar toeristen

Het fotogenieke Myanmar, ingeklemd tussen India en Thailand, verwacht een invasie van toeristen. Twee bergdorpen bereiden zich voor - met geld uit Nederland - op de komst van de eerste buitenlanders.

Touroperators uit Yangon ontdekken hun eigen land. Beeld Aurélie Geurts

We zijn met z'n allen op weg naar de jaarmarkt van Pekon. Bij de eerste volle maan van februari komen alle bergvolken naar beneden naar het grote stuwmeer in Myanmar. Daar lopen de gewiekste handelaren van het Pa-O-volk in hun zwarte pakken en rode tulbanden, daar komen de vissers van de Intha, die met zijden jasjes hun paalwoningen hebben verlaten, achterin pick-uptrucks wapperen zachtroze gewaden van boeddhistische nonnen en links en rechts worden we ingehaald door jongeren op scooters in jeans en met spiegelbrillen.

Op droge rijstvelden langs de rivier staan honderden kramen met kokosnoten, glimmende aubergines, plastic speelgoedgeweren, roze pyjama's, braadpannen en illegale Bollywoodfilms. Er zijn bosolifanten om op te rijden, een enorm schommelschip van bamboe en eettentjes die limonade serveren van vers gemangeld rietsuiker. We schuifelen mee met de stroom rond het boeddhistische klooster waar marktbezoekers bidden en picknicken in de schaduw, en natuurlijk kopen we een zakje vissen om in de rivier vrij te laten. Goed voor je karma.

Net als we denken: kleurrijker en exotischer wordt het niet, zien we twee dames van het Padaungvolk. Hun hoofden lijken te zweven boven een toren van gouden ringen om hun giraf-achtige halzen. Schouder aan schouder bewegen de omaatjes door de menigte, gekleed in roomwitte tunieken, donkerblauwe rokken en roze hoofddoeken. Rond hun polsen en knieën rinkelen nog veel meer ringen. Alleen wij - als enige buitenlanders - baren nog meer opzien.

Zulke ervaringen lokken toeristen naar Myanmar. Tot twee jaar geleden waren grote delen van het land verboden terrein. De hele provincie Kayah was afgesloten uit angst dat buitenlanders de toch al opstandige bergstammen op verkeerde ideeën zouden brengen. Nu het militaire regime tandenknarsend plaatsmaakt voor de partij van Aung San Suu Kyi, opent het wonderschone Myanmar zich staps-gewijs. Het land denkt na over vormen van toerisme die minder destructief zijn voor cultuur en natuur. Westerse consultants geven presentaties over duurzaam toerisme, slepen ambtenaren en ondernemers mee naar goede en slechte voorbeelden in het naastgelegen Thailand en zetten proefprojecten op in pas geopende gebieden.

Kinderen met long necks. Beeld Aurelie Geurts
Het populaire Inlemeer is gelegen op een vruchtbare hoogvlakte, twee dagen varen van Pekon. Beeld Aurélie Geurts

'Money, money'

En dat is nodig. Neem bijvoorbeeld het populaire Inlemeer, op een vruchtbare hoogvlakte, twee dagen varen van Pekon. Daar bouwden de Britten al in 1905 een houten hotel op palen om verkoeling te zoeken. Dat doen inmiddels een kwart miljoen toeristen per jaar, die zich er laten rondvaren in lawaaiige longtailboten. Als je aan het einde van de dag terugvaart naar je hotel, glij je over een spiegelend meer met links de ondergaande zon en rechts de opkomende maan achter blauwe bergkammen. Karpervissers met hun bamboehoeden, speren en fuiken steken fraai af tegen deze epische screensaver.

Alleen: zodra je een foto maakt, peddelt de visser vliegensvlug langszij om zijn hand op te houden. Ook bij het instappen viel al op dat behulpzame jochies 'Money, money' fluisterden. In een souvenirwinkel zien we drie Padaungvrouwen op een bankje zitten, met wie je na betaling op de foto mag. 'We maken ons zorgen', zegt de Amerikaanse Barbara Bauer van hulporganisatie Inle Speaks. Zij probeert met Myanmarese vrijwilligers - en Noors geld - de natuurlijke en culturele schoonheid van het meer te beschermen. 'Tien jaar geleden stonden hier drie hotels, nu zijn het er 78. Komende jaren komen daar duizenden bedden bij.'

Zwemmen in het meer is volgens Bauer niet aan te raden. De befaamde drijvende tomaten van Inle, gecultiveerd op drijvende pakketten waterplanten en aarde, vervuilen het water met kunstmest en bestrijdingsmiddelen. 'De karper is al verdwenen in grote delen van het meer.' Met gratis Engelse les, computerworkshops en horecatraining probeert Inle Speaks de telers een alternatief bestaan te bieden.

Overstekende koeien in het Inlemeer. Beeld Aurélie Geurts

Varen

Ga liever fietsen of wandelen in de buurt. Dan passeer je graanvelden, waar landarbeiders je thee en pinda's aanbieden in de schaduw van een vijgenboom. Slapen doe je bij monniken in een houten klooster of bij een familie thuis op de grond, altijd met het hoofd richting het beeld van Boeddha. Neem een tolk mee, zodat je kunt kletsen over de leefregels in het klooster, oma kunt uithoren over het dorpsleven en de boer kunt vragen of je even zijn ossenkar mag proberen. Een handjevol touroperators experimenteert met dit soort community based tourism.

Of vaar verder zuidwaarts. Langs de drijvende tomaten, bontgekleurde weekmarkten en feestelijk verlichte restaurants op palen. Langzaam verandert het meer in een rivier waarlangs jonge vrouwen hun haren wassen, pezige mannen hun netten boeten en de schipper moet afremmen voor overzwemmende koeien. Het dorpje Samkar heeft sinds vorig jaar een hotel. Loop langs de dorpsschool en alle leerlingen gaan joelen. Een tweede meer lijkt op een wetland met witte reigers en wuivend riet, een derde is woester en doet ons bootje stuiteren op de golven. Steeds dichter naar de pas geopende provincie Kayah.

Kayah-barbecue in Hta Nee La Leh. Beeld Aurélie Geurts

Economische groei

Nou ja, open is een groot woord. Je mag als buitenlander naar hoofdplaats Loikaw. We eten tussen de stelletjes aan een kunstmatig meer met zwaanvormige bootjes. Als de restaurantmanager ontdekt dat onze taxi is verdwenen, springt ze in haar Suzuki om de vreemdelingen naar hun hotel te brengen. Met een tussenstop om chocola te kopen voor ons en haar dochtertje.

Twee dorpen in de buurt zijn aangewezen om buitenlanders te ontvangen. Checkpoints langs de weg doen vermoeden dat de spanning tussen rebellen en het leger nog nasmeult. Buitenlandse adviseurs van ontwikkelingsorganisatie ITC, een VN-dochter, bedachten afgelopen jaar met dorpelingen een programma voor de eerste bezoekers. Het doel: de inkomsten eerlijk verdelen en de negatieve effecten voor milieu en cultuur beperken. Hoofdsponsor Nederland steekt 1,7 miljoen euro in de dorpjes.

'We willen de economische groei in Myanmar bevorderen', zegt plaatsvervangend ambassadeur Carola Baller van de nieuwe Nederlandse ambassade in Yangon. Terwijl Nederland elders posten sluit, wordt Myanmar gezien als kansrijke markt voor Nederlandse bedrijven. 'Het is het welpje van de Aziatische Tijgers. Het bevorderen van mensenrechten speelt ook een belangrijke rol.' Toerisme is volgens Baller bij uitstek een sector waarin gewone dorpelingen geld kunnen verdienen. 'Het pilotproject in de provincie Kayah streeft naar een duurzame aanpak en een eerlijkere verdeling. Dat vinden wij interessant.'

Tekst gaat verder onder foto

Je jaarmarkt van Pekon. Beeld Aurelie Geurts
90-plusser Mu Ywant van het Padaungvolk heet bezoekers welkom in haar dorp Pan Pet. Beeld Aurelie Geurts

Op naar Hta Nee La Leh dus, waar dorpshoofd Te Reh zijn duurzame programma presenteert. Snel trekt hij een T-shirt aan dat hij kreeg van de VN. 'Community Tourism Club - Learn, Share, Experience, Roll with the Rhythm of Local Life' staat erop. 'Jullie zijn welkom', zegt hij via een tolk tegen Myanmarese touroperators, die zijn ingevlogen om hun eigen land te ontdekken. 'Onze vrouwen dragen Kayah-kostuums die jullie mogen passen, we hebben een waarzegger en we gaan picknicken aan het meer met muziek en dans!' Na afloop zegt de hoofdman onder vier ogen: 'Ik zag het zelf eerst niet zitten... maar als buitenlanders graag ons dorp willen zien.'

We bewonderen de totempalen waar de mannen van het dorp omheen dansen ter bevordering van de oogst, de hut waar de kikkertrommel wordt bewaard om regen te bestellen en we bezoeken de 65-jarige Daw Sae Myar, die een stukje tokkelt op een bamboe-instrument. Het omaatje zit op het trap van haar houten huis, gekleed in Kayah-kostuum: zwart tuniek, rode tulband, loodzware oorbellen en zwarte trossen rond haar knieën. Een jonge touroperator uit Yangon fluistert: 'Dit hebben wij ook nog nooit gezien.'

Dat geldt ook voor de ossenkarren die klaarstaan tussen de spelende kinderen en loslopende varkens. Niets is zo pijnlijk voor je botten, zo blijkt, als dit voertuig uit de steentijd. De rit eindigt bij een spiegelend meer waar mannen vis en vlees roosteren boven een vuur. Daarna pakken ze hun trommels en begeleiden vier jongens en meisjes die giechelend een oogstdans uitvoeren. De sfeer is aangenaam knullig; het programma waar maanden voorbereiding en training aan vooraf is gegaan, behoeft verfijning.

'De gidsen moeten beter leren vertellen', zegt een Birmese touroperator na afloop. 'De hygiëne tijdens het eten kan beter', waarschuwt een ambtenaar uit de hoofdstad. Andere bezoekers missen kussentjes in de karren, een toilet en snuisterijen om te kopen. Zelf waren we graag gaan zwemmen in het meer. 'Te gevaarlijk', oordeelt hoofdman Te Reh. 'Je kunt er niet staan!' Iedereen vindt wel: dit programma is stukken beter dan het gebruikelijke rondje om snel wat foto's te maken.

Hoogtepunt van het Kayah-bezoek, moet het bergdorp Pan Pet worden. Daar wonen de Padaung met hun lange nekken. Maar al bij de afslag van de grote weg, gaat het mis. Ons busje wordt tegengehouden door mannen die geld willen zien. Ze hebben een parkeerplaatsje aangelegd en wat houten stalletjes getimmerd met souvenirs. Enkele Padaung-omaatjes poseren in vol ornaat achter hun weefgetouw. 'Precies wat toeristen niet willen', verzucht de Britse ITC-adviseur Peter Richards. Hij weigert te betalen. 'Dit is de toerisme-industrie in een notendop. Wij bedachten een eerlijke verdeling: een betekenisvolle interactie tussen dorpeling en bezoeker. Maar enkele families willen snel geld verdienen.'

Een dorp op palen in het Inlemeer. Beeld Aurélie Geurts

Volkskrantreis

De Volkskrant biedt lezers de kans een bezoek te brengen aan de dorpen Hta Nee La Leh en Pan Pet in Myanmar. Tijdens de reis ligt ook elders in het land de nadruk op duurzaam toerisme. De trip wordt uitgevoerd in samenwerking met SNP Natuurreizen en de plaatselijke touroperator Khiri Travel, die een prijs won voor haar duurzame reisprogramma's (volkskrant.nl/reis)

Singapore Airlines vliegt dagelijks vanaf 735 euro naar Yangon (singaporeair.com). Een enkeltje Loikaw kost nog eens 120 euro (airkbz.com), maar kies op de heenweg liever trein, fiets en boot.

Een Myanmarese boerin aan het werk. Beeld Aurélie Geurts

We parkeren bij een houten huis waar een vrolijke familie lunchpakketten uitdeelt, verpakt in bladeren. De vrouw des huizes is blij dat zij en haar buurvrouwen wat bijverdienen. 'Ik ben alleen bang dat buitenlandse bezoekers hier snel zijn uitgekeken.' Kleine kans. Vooral als je meeloopt met Pascal Khoo Thwe, een teruggekeerde banneling die zijn Padaungvolk wil helpen. Het leven van Pascal klinkt als een prijswinnend boek. Sterker: dat is het ook, Het land van de groene geesten. Zijn levensloop - de guerrillastrijder die in Cambridge afstudeert en onlangs terugkeerde op verzoek van het militaire regime - stond eerder in de Volkskrant (vk.nl/myanmar).

Pascal loopt voorop door Pan Pet. 'Kijk hoe dit huis is gebouwd, niet één spijker! Dit is een dromenvanger om koeien te beschermen tegen boze geesten. Hier dansen de mannen rond de totempaal, terwijl de vrouwen hen besprenkelen met heilig water.' In het huis van een oude dame met ringen rond haar nek, legt hij uit dat alle Padaung van een draak afstammen. Vandaar die lange nek. Een tweede oma arriveert, er verschijnt een soort gitaar, een panfluit, en er volgt een hilarisch dansje. Pascal steekt een sigaar op en leunt tevreden achterover. Volgens hem heeft de ruzie bij de dorpsingang te maken met teruggekeerde vluchtelingen uit Thailand. Daar leven Padaung in dorpen waarvoor toeristen toegang moeten betalen. 'Een menselijke dierentuin.' Pascal wil voorkomen dat de dorpelingen elkaar in de haren vliegen nu er geld van buiten komt. Of dat zij fulltime nepsouvenirs uit Thailand en China gaan verkopen. 'We kunnen ze niks voorschrijven, maar wel trainingen bieden en betere voorbeelden tonen.'

Pascal wijst naar een bergkam in de verte. 'Daarachter liggen meer Padaungdorpen die nog veel authentieker zijn. Ooit gaan die ook open.' Op een kruispunt verkopen winkels sjaaltjes en armbanden die in het dorp zijn gemaakt. Hier en daar liggen geplastificeerde kaarten met Engelse uitleg die de VN hebben laten maken. Zelfs de naam en leeftijd van de verkoopster, Mu Blee (45), staat vermeld om het contact tussen bezoeker en dorpeling op gang te brengen. Aan de muur een tekst in twee talen: maak eerst vrienden, dan foto's!

Tsja, hoe? Je tikt op je borst en roept je eigen naam en koopt zo'n handgeweven sjaaltje voor nog geen euro. Tussen de huizen hollen kleuters, sommige meisjes dragen al fonkelende ringen om hun halzen. Myanmarese touroperators hollen achter hen aan voor foto's en selfies. En delen na afloop handenvol snoep uit. De westerse consultant kijkt ernaar en zegt: 'Dat wilden we dus voorkomen.'

Landarbeiders dorsen graan in de buurt van het Inlemeer. Beeld Aurélie Geurts
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden