Muzikale toverij in de Plugged Nickel Zeven uur speeldrift op historische Miles Davis-cd's

Miles Davis zou waarschijnlijk met cynische geamuseerdheid hebben toegekeken. De eerste wetenschappelijke conferentie over het thema Miles Davis and American Culture eindigde in een pandemonium van verontwaardigde verwijten, boos geschreeuw en bedreigingen met fysiek geweld....

BERT VUIJSJE

Zo'n honderdvijftig geleerden, auteurs, jazzcritici, musici, fans en familieleden van Davis (dochter Cheryl, broer Vernon, zuster Dorothy) kwamen begin april drie dagen lang bijeen aan de Washington University in East St Louis, Illinois, de stad waar Miles opgroeide. Professor Gerald Early van de afdeling African and Afro-American Studies, die de conferentie had georganiseerd, verklaarde vooraf dat het de bedoeling was 'een scala van interessante mensen te laten spreken'. 'We willen ons niet beperken tot een historische benadering. Ik kan persoonlijk zeggen dat het luisteren naar Miles Davis mijn leven heeft veranderd.'

De titels van de referaten maakten al duidelijk dat het congres geen postume huldiging zou worden. De zwarte feministe Hazel Carby, hoogleraar aan Yale University, behandelde Davis' autobiografie onder het motto Bitches Who Gave Me What I Needed: Reading Miles. Schrijfster Martha Bayles noemde haar inleiding He Sold His Jazz Birthright. En Stanley Crouch, de roemruchte zwarte essayist en ideoloog van Wynton Marsalis, sprak over het onderwerp Miles Davis: Greatness and Decay.

'I just slapped the shit out of her', zegt Davis ergens in zijn autobiografie. 'Ik sloeg haar gewoon verrot.' Hazel Carby nam dat citaat als uitgangspunt voor een freudiaanse beschouwing over fallische beelden in de jazz, masculiene codes en de 'homosocial musical world of creativity'.

'Ik dacht dat we hier waren om over muziek te praten, niet over penissen', riep een discussiant uit de zaal.

Darlene Clark Hine, hoogleraar geschiedenis aan Michigan State University, besprak de invloed van Miles Davis op de zwarte bevolking in Amerika, en concludeerde dat hij net zo'n slecht voorbeeld gaf als elke zwarte vader die zijn gezin in de steek laat.

Behalve Davis' gedrag als man en gezinshoofd werd ook zijn muziek onder vuur genomen. De kritiek was uiteraard vooral gericht op de laatste twintig jaar van zijn loopbaan, toen de trompettist de pure jazz verruilde voor rock- en funk-achtige music for the millions. Martha Bayles noemde hem weinig vleiend de 'keeper of the jazz flame' die een 'blackface Jim Morrison' werd.

Maar het echte dynamiet kwam van Stanley Crouch, die erin slaagde binnen vijf minuten alle vrouwelijke familieleden van Miles Davis de zaal uit te jagen. De eerste handgranaat was een citaat uit een brief van trombonist J.J. Johnson. Miles had hem ooit geadviseerd hoe je een band moet samenstellen: 'Get you some white boys with long hair and tell them to play real fucking loud.'

Davis' broer Vernon gaf hier nog lik op stuk: 'Wat ze ook zeggen, Miles gaf niet om huidskleur. Maar je hebt gelijk, hij haalde een stel blanke jongens in zijn band, hij zei dat ze loeihard moesten spelen. . . en hij verdiende twintig miljoen dollar. Nou, wat is daar mis mee?'

De volgende anekdote die Crouch opdiende, veroorzaakte nog meer tumult. Een blanke vrouwelijke fan kwam ooit in een jazzclub op Davis af, om te vertellen dat ze al zijn platen had. 'So fucking what, bitch?', zou Miles' reactie zijn geweest. Toen de vrouw afdroop, vroeg een collega-muzikant aan Davis waarom hij zo onbeschoft deed. 'Are you kidding? Now she'll buy two of all my records', zei de trompettist volgens Crouch.

'Je bent een monster', riep iemand achter uit de zaal.

'Ik zal een nog erger monster zijn als ik naar je toe moet komen', dreigde Crouch.

'Kom dan maar mee naar buiten', schreeuwde de man.

Voorzitter Gerald Early wist met de grootste moeite enige orde in de zaal te herstellen, maar vervolgens had Stanley Crouch toch het laatste woord: 'Iedereen op het podium weet dat Miles grote bijdragen aan de muziek heeft geleverd. Maar we zijn hier niet bijeen om voortdurend te herhalen hoe fantastisch Miles was. This is not Sunday school, and we're not talking about your momma.'

* * *

Behalve animositeit en agressie wekt de muziek die Miles Davis (1926-1991) heeft nagelaten ook nog altijd een kolossale nieuwsgierigheid. Zijn discografie The Sound of Miles Davis door de Deen Jan Lohmann telt bijna vierhonderd pagina's, en menige jazzliefhebber zit er regelmatig verlekkerd in te bladeren, op zoek naar vooralsnog geheime genietingen.

De platenmaatschappij Columbia heeft nu in één klap ruim vijf uur muziek aan Davis' gepubliceerde oeuvre toegevoegd. Miles Davis - The Complete Live at the Plugged Nickel 1965, een box met acht cd's, is zonder twijfel de historische jazz-uitgave van het jaar.

Van de opnamen die het Miles Davis-kwintet op 22 en 23 december 1965 in een tamelijk obscure jazzclub in Chicago maakte, bracht CBS-Sony pas in 1976 - en aanvankelijk alleen in Japan - een eerste dubbel-lp uit. In 1987 verscheen een Amerikaanse Columbia-cd met een tweede selectie uit de Plugged Nickel-vertolkingen, maar daarmee bleef nog altijd twee derde van het materiaal ontoegankelijk.

De Complete Plugged Nickel maakt voor het eerst hoorbaar hoe ongelooflijk hard het Miles Davis-kwintet in Amerikaanse jazzclubs werkte. Op de Europese concertpodia placht de groep in die jaren één, hooguit twee sets van drie kwartier per avond te spelen. De twee dagen in de Plugged Nickel leverden zeven sets van gemiddeld meer dan een uur op, in totaal zeven uur, 32 minuten en 21 seconden muziek.

Dat is des te verbazingwekkender gezien het feit dat Miles Davis het grootste deel van het jaar 1965 was uitgeschakeld door twee achtereenvolgende heup-operaties. Pas op 16 november maakte hij zijn come-back in de Newyorkse Village Vanguard, waarna hij onmiddellijk een uitputtende clubtournee begon.

Die speeldrift klinkt door in vrijwel elke noot uit de Plugged Nickel. Het publiek gedraagt zich soms op het onbeschofte af, zeker de eerste avond, wanneer een man pesterig de namen Ray Brown en Paul Chambers door een bassolo van Ron Carter heen roept. Er rinkelt ook langdurig een telefoon. Maar de geconcentreerde toewijding van de muzikanten wordt door dat alles geen moment verstoord.

Het Davis-kwintet dat hier speelt, was ruim een jaar eerder gevormd. Na zijn legendarische periode met John Coltrane en drummer Philly Joe Jones bleef de trompettist geruime tijd op zoek naar een nieuwe bevredigende bezetting. In de nazomer van 1964 had hij zijn doel bereikt: vier jonge begeleiders - pianist Herbie Hancock (23), Ron Carter (26), drummer Tony Williams (17!) en tenorist Wayne Shorter (30) - dwongen Miles Davis (38) tot nieuwe creatieve inspanningen.

Zijn muziek veranderde op twee fronten tegelijk. In de platenstudio vertolkte het kwintet, vanaf het album E.S.P. (januari 1965), voornamelijk nieuwe composities van de orkestleden Carter, Hancock en Shorter. Minstens zo interessant was de ontwikkeling van Davis' live-optredens. Hier bleef het oude repertoire grotendeels intact, maar de interpretatie maakte een verbluffende ontwikkeling door.

Enerzijds is de muziek uit de Plugged Nickel dus een feest der herkenning: Walkin', Oleo, 'Round About Midnight, Milestones, My Funny Valentine, On Green Dolphin Street, If I Were A Bell, Autumn Leaves, All Blues, So What en al die andere thema's die sinds het midden van de jaren vijftig hadden bijgedragen tot de aantrekkingskracht van Miles Davis.

Anderzijds springen de musici vrijer om met dit materiaal dan iemand daarvoor of daarna ooit heeft gedurfd - ook zijzelf niet. De meeste stukken werden op 22 en 23 december 1965 meerdere malen gespeeld (Stella by Starlight drie keer, de ballad I Fall In Love Too Easily zelfs vier keer), maar ook binnen het bestek van één avond blijkt elke nieuwe vertolking een nieuw avontuur.

Een betrekkelijk willekeurig voorbeeld: When I Fall In Love, het openingsstuk van de voorlaatste set op de tweede avond. Het is een sentimenteel, om niet te zeggen slijmerig liedje uit 1951 van Edward Heyman en Victor Young, dat voornamelijk bekend was door de vocale vertolkingen van Doris Day en Nat 'King' Cole - tot Miles Davis het in 1956 op gestopte trompet opnam.

In de Plugged Nickel speelt Davis het zonder demper en zonder enige sentimentaliteit. Een verstilde inzet in vrij tempo loopt binnen de kortste keren uit op een vrijgevochten parafrase, waarin melodie en harmonie haast onherkenbaar uiteen worden gerafeld. Het tempo verdubbelt, verdubbelt daarna nog een keer, en voortgejaagd door Tony Williams explodeert Davis in abstracte improvisatie, die ook nog even de driekwarts-maat aanroert.

Tijdens de pianosolo van Herbie Hancock dagen de leden van de ritmesectie elkaar onnavolgbaar uit. Als piano en drums overgaan op medium bounce, houdt de bas van Ron Carter koppig het snelle tempo vol. Op het moment dat Hancock en Williams zich aan Carter aanpassen, springt die prompt terug naar medium bounce. Je ziet de muzikanten naar elkaar grijnzen.

Zulke muzikale toverij op basis van ambachtelijk meesterschap en collectieve intuïtie was slechts mogelijk zolang vanzelfsprekende overeenstemming bestond over repertoire en aanpak. In de jaren die volgden, drongen de composities van Miles' bandleden steeds meer door tot het live-repertoire van het kwintet. In januari 1968 deed de elektrische piano zijn intrede, vier maanden later de elektrische bas, en daarmee was het uit met Oleo, My Funny Valentine en When I Fall In Love.

Miles Davis: The Complete Live at the Plugged Nickel 1965. Columbia CXK 66955 (acht cd's).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden