Muziek tegen de ellende

In 1948 werd in Haïti Septentrional opgericht. Ondanks alle narigheid bestaat de groep nog steeds, met muziek die een mix is van jazz en voodoo, gekopieerd naar bigband.

Dat muziek het leven op het straatarme Caribische eiland Haïti volledig beheerst, ontdekte de Amerikaanse etnomusicoloog en 'liedjesjager' Alan Lomax in 1936. Voor het Amerikaanse instituut Library of Congress wilde Lomax (1915-2002) veldopnamen maken op Haïti en al bij aankomst in de haven van Port-au-Prince wist Lomax dat hij voet op vruchtbare grond had gezet.

In zijn dagboek tekende Lomax op: 'Dit is het rijkste en meest onontgonnen veld waarin ik ooit onderzoek heb kunnen doen. Ik hoor vijftien tot twintig verschillende straatliedjes door mijn hotelraam komen, elke ochtend als ik mij aankleed. De mannen zingen satirische ballades als ze koffie op de schepen laden in de haven. Bij de bovenklasse worden de oude Franse ballades in ere gehouden. De merengue, hier een populaire dans, is onbekend in Amerika en heeft wortels in de vermenging van Spaanse en Franse folktradities. De boerenorkesten spelen marsen, blues en merengue. De drumbands spelen verschillende dansen - de congo, de voodoo en de mascaron. Al deze categorieën bevatten letterlijk honderden melodieën - Franse, Spaanse, Afrikaanse, een mix van die drie.'

In de documentaire When the drum is beating (2011) verklaart de Haïtiaanse orkestleider Nikol Levy de preoccupatie van zijn landgenoten met muziek: 'Muziek is op Haïti het enige dodelijke wapen tegen de ellende en de tegenslag.'

Rampspoed, waarmee dus ook het befaamde Haïtiaanse orkest Septentrional nadrukkelijk te maken heeft gehad in zijn 63-jarig bestaan.

In 2006 volgde de Amerikaanse regisseur Whitney Dow de leden van Septentrional, 'de bigband van het volk'. Hij had een jaar eerder de verkiezingen op Haïti gefilmd, maar keek met gemengde gevoelens terug op de documentaire die hij had afgeleverd. 'Ik had gedaan wat je moet doen voor zo'n verslag, maar ik had het idee dat er meer van het land viel te begrijpen, dat er een historische context ontbrak', zei hij in een interview. Wilde Dow echt iets van Haïti opsteken, zo werd hem verzekerd, dan moest hij het nationale orkest maar eens een tijdje van nabij volgen. En inderdaad: de regisseur kon een film maken rond een orkest dat in het glimmende koper van de saxen en trompetten een afspiegeling gaf van het hele getormenteerde eiland.

Het orkest Septentrional werd opgericht in 1948, in een tijd dat Haïti het helemaal had gehad met alles wat ook maar een beetje buitenlands was. Het eiland was net twee decennia bezet geweest door de Verenigde Staten, die het land hadden ingenomen ter bescherming van hun economische belangen. 'De herkolonisatie', noemden de Haïtianen die bezetting, een verwijzing naar het verleden van Franse en Spaanse kolonisatie, en van de afschuwwekkende slavenhandel die van het eiland een van de meest 'schuldige' plaatsen op aarde had gemaakt.

Septentrional wilde cultureel weerwerk bieden aan de buitenlandse muziekstijlen die destijds populair waren op het eiland, en maakte een eigen Haïtiaans geluid, van jazz en vooral: voodoo. Melodieën van voodooliedjes werden gekopieerd naar de bigband, net als de opzwepende drumritmes van de slaventrance, en met deze explosieve muziekmix maakte Septentrional de republiek gek.

Het orkest speelde op festivals in grote steden als Cap-Haïtien, in de plaatselijke nachtclubs, voor de radiozender Radio Afrique en desgewenst op ieder dorpsfeest. Heel Haïti zong de liedjes van de band mee, de teksten over zeer alledaags leven, over de buurvrouw die een nieuwe baan heeft, of over een lieve vriendin die helaas weigert haar haar te laten ontkroezen. Septentrional werd de nationale trots van Haïti en aan die status moet het orkest het te danken hebben dat het de dictatuur van de tiran 'Papa Doc' François Duvalier en diens zoon 'Baby Doc' heeft overleefd.

Al scheelde het weinig. De oude maestro van de band Ulrick Pierre-Louis vertelt hoe de gevreesde milities van Duvalier, de Tonton Macoutes, eens met uzi's een nachtclub binnenkwamen waar Septentrional stond te spelen en daar in het rond begonnen te schieten. Zomaar, om te laten zien dat ze het konden maken.

Bandlid Tony werd dodelijk getroffen door het mitrailleurvuur, net als een paar handenvol toeschouwers. In When the drum is beating memoreert Pierre-Louis de aanslag: 'Na de schietpartij werd ons bevolen door te spelen. We waren doodsbang. We hebben daarna snel een liedje gecomponeerd, Leve Duvalier, in de hoop dat het de president zou behagen.'

Hoe het orkest dictaturen overleefde, plus de onbeschrijflijke armoede en het economisch verval van een van de armste landen ter wereld, mag een Haïtiaans wonder heten. In de documentaire komen bandleden aan het woord, die keer op keer op het punt staan het bijltje erbij neer te gooien omdat met het muziekmaken geen droog brood kan worden verdiend. De musici moeten zich overdag kapotwerken als kleermaker of marktkoopman, en betreden toch iedere avond weer het podium. Orkestleider Levy verklaart: 'Het is voor de orkestleden net als voor het publiek. Ze staan urenlang te dansen, terwijl ze nog niet weten hoe ze de volgende dag aan eten moeten komen.' Iemand uit het publiek legt het nog beter uit: 'Zo lang zij spelen, voel ik me rijk. Als ze stoppen, ben ik weer arm.'

Bijna angstaanjagend is de apocalyptische verwijzing van Levy aan het einde van de documentaire, die vier jaar voor de allesvernietigende aardbeving in 2010 werd opgenomen. 'Soms heb je ineens het gevoel dat het iets beter gaat met het land. Maar dan komt gelijk ook het akelige gevoel bij je op dat er straks wel weer iets vreselijks zal gebeuren.'

Muziekfilms:

Poppodium De Melkweg organiseert het PLAY-festival, met concerten en de vertoning van de beste muziekfilms van de afgelopen jaren. In samenwerking met IDFA organiseert de Melkweg een competitie voor zeventien muziekdocumentaires onder de naam IDFA-PLAY Competition For Best Music Documentary.

The ballad of Lucky Fonz III

- David Kleijwegt De filmmaker en popjournalist David Kleijwegt volgt de singer-songwriter Otto Wichers alias Lucky Fonz III als die voor optredens over het Waddeneiland Vlieland zwerft. We zien Wichers mijmerend naar de branding staren, als hij net heeft verteld hoe hij controle heeft weten te krijgen over zijn manische gedrag.

Paradiso, an Amsterdam stage affair

- Jeroen Berkens Prachtig gefilmde lofzang op het Amsterdamse poppodium Paradiso, waarin de magie vooral wordt verklaard door de musici die er optreden. Hoe is het om op het roemruchte podium te spelen, is de simpele vraag die fijne antwoorden oplevert. Henry Rollins van Black Flag: 'Niemand heeft het in Paradiso zo goed als de artiest, je weet niet wat je ziet vanaf het podium.' Peter te Bos van Claw Boys Claw: 'Je wordt overvallen door een algeheel gevoel van gelukzaligheid, maar het is ook een zaal waar vals spelen gelijk wordt afgestraft. Je kunt je nergens verschuilen.' Klaas Janszoon van dEUS: 'Het gevoel dat de wereld met je meekijkt.'

Bob and the monster

- Keirda Bahruth. Schrijnend en aangrijpend portret van de Amerikaanse indieheld Bob Forrest, zanger en liedjesschrijver van de Amerikaanse band Thelonious Monster. Gedurende zes jaar volgt de filmmaker Bahruth de met een hardnekkige drugsverslaving worstelende Forrest, die in de loop van de documentaire van een meelijwekkende junk zal uitgroeien tot een zeer gewaardeerde anti-drugsvoorlichter voor jongeren.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden