Muziek met een randje

Red Ear, het festival voor 'avontuurlijk muziek', beleefde ondanks de wat saaie locatie een geslaagde editie.

Een festival voor gedurfde oren laten plaatsvinden op een behouden schouwtoneel, kan dat? De Wilhelminapier wordt door Rotter dammer weleens afgedaan als dé toeristenspot met Hotel New York en het Nieuwe Luxor als trekpaardjes. Gekke plek voor een festival dat meent de randen van muziek op te zoeken. Hoewel niet elke act uit de verf kwam, lukte het tijdens de derde editie van de Red Ear biënnale wonderwel een flink en opvallend gemêleerd publiek naar de pier te lokken. Door slim te programmeren, zo bewees vooral de zaterdag.


Met een avontuurlijke zondag in het vooruitzicht, waarop je via looproutes uiteenlopende miniconcerten kon bezoeken, werd zaterdag de hoofdmoot van Red Ear gepresenteerd. We zagen een sirene-orkest in dadaïstisch toneel, minimal techno inclusief carillon en esoterische postrock-jazz. Klinkt in eerste instantie als muziek voor de crazy ones, maar dat was het niet. Telkens koos Red Ear voor populaire acts met een randje, die voor het grote publiek goed te behappen zijn.


Zoals het nieuwste project van de gevierde elektronische muziekproducer Pantha du Prince. Al langer is hij geobsedeerd door metalen percussie en bellen, en met zijn Bell Laboratory lijkt hij een totaalwerk te hebben gemaakt. Op het podium stonden en hingen duizenden kilo's aan koper, tin en ander metaal. Denk aan een 64-delig carillon, cowbells, xylofoon, steelpan, bellen en buisklokken. Een fantastisch schouwspel met de hoofdpersoon in het midden die de bastonen, kleuringen en beats verzorgde. Toch viel het een tik tegen. De nieuwigheidswaarde van al die percussies ging al snel verloren en de vlakke beats en ritmes ontbraken aan diepgang. Met zo veel mooie instrumenten op één podium is veel meer te doen in harmonieën en ritmes, maar spannend is het concept zeker.


Een andere populaire muzikant (en dus goed bezocht) die duidelijk de randen opzoekt: jazztrompettist Nils Petter Molvær. In een uitmuntende lichtshow en met fantastische live-visuals speelde zijn trio een puik concert, die voelde als een vertelling langs de krochten van ons bestaan. Gitarist Stian Westerhus stal de show, mede dankzij zijn twee bas- en gitaarversterkers. Oef, wat kan zijn gitaar naar klinken.


Op vrijdag was de publiekstrekker altsaxofonist Steve Coleman, die al bijna dertig jaar behoort tot de grote jazzvernieuwers. Hij speelde muziek zoals we hem kennen: via ritmisch razend gecompliceerde figuren keihard funken, en dat met een achteloze houding. Knap, hoewel zijn spel steeds cerebraler lijkt te klinken.


De commerciële missers van het festival waren twee bands die net buiten de gedurfde visie van het Wilhelminapierpubliek vielen: te gedurfd. Niet erg, want dat geeft Red Ear een randje. BOAT van de Belgische drummer Teun Verbruggen is een vrij spelende Europees-Amerikaanse samenwerking die excelleerde in wilde interacties. Hoogtepunt was het slotstuk Meg Nem Sa, van blazer Andrew D'Angelo. Zelden klonk een compositie zo gejaagd, mede door de rauwe basgitaarklanken van Jasper Stadhouders. Het gros van het publiek kreeg dit niet mee, want dat had de zaal al verlaten.


Helemaal gewaagd was de keuze voor het theatrale Amsterdamse improbandje The Job, dat bivakkeert tussen Engelse postpunk, pop en impro. Toen klapperden je oren echt tot ze rood uitsloegen. Festival geslaagd.


Rotterdam, Lantaren/Venster, Las Palmas (Wilhelminapier), 19-20/4

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden