Muziek als een nieuwe moeder

HET IS EEN omvangrijk boek, Q: The Autobiography of Quincy Jones, maar de manier waarop het tot stand is gekomen, blijft grotendeels onduidelijk....

Toch is in het lange dankwoord achterin eerst sprake van 'een van mijn co-auteurs, Pat' en vervolgens van 'my close friend, wijlen Alex Haley, die er tot zijn laatste dagen op stond de schrijver van mijn verhaal te zijn'. Ook worden de hoofdstukken waarin Jones zijn levensgeschiedenis vertelt, afgewisseld door korte interviews waarin familieleden en collega's (Ray Charles, trompettist Clark Terry, saxofonist Jerome Richardson) hun visie op de hoofdpersoon geven.

Het lijkt erop dat de wereldberoemde winnaar van 26 Grammy's en producer van Michael Jackson voor zijn autobiografie net zo'n ingewikkelde werkstructuur heeft geschapen als voor zijn entertainmentbedrijven: veel ingehuurd talent (Alex Haley kreeg eerder faam als ghostwriter van The Autobiography of Malcolm X en als auteur van het slavernij-epos Roots), maar slechts één naam onder het copyright. Op een andere manier had Jones het ook moeilijk kunnen klaarspelen, want hoe zou de 68-jarige, nog altijd chronisch overbezette muziektycoon ooit de tijd en de rust moeten vinden om ook nog een boek te schrijven?

Onduidelijk blijft dus wie verantwoordelijk is voor de vele slordigheden in het relaas, van de tientallen fout gespelde namen tot en met het onjuiste sterfjaar van Duke Ellington. Tegelijkertijd lijdt het geen twijfel dat de inhoud en de strekking van Q geheel door Quincy Jones zijn bepaald - en ook dat is onderdeel van zijn vakmanschap als entrepreneur.

Het verhaal dat Jones wil vertellen, is Amerikaans tot op het bot: geboren in de bitterste armoede van een zwarte achterbuurt in Chicago, door onstuitbare ambitie voortgedreven tot onbegrensde inspanningen, en uiteindelijk beloond met rijkdom, roem en succes voorbij elke fantasie. De feiten van zijn leven zijn ook niet gering. Een moeder die al spoedig geestesziek werd, en die hem vijftig jaar lang bleef achtervolgen met ijzingwekkende interventies en gestoorde brieven aan officiële instanties. Een onmachtige vader, die zijn kinderen niet eens een woning met meubilair en stromend water kon bieden. Een jeugd vol gangstergeweld en vanzelfsprekende criminaliteit. En toen, op zijn elfde in Seattle, de ontdekking van de muziek, een ongebruikte piano in een kamertje van het recreatiecentrum waar zijn broer Lloyd en hij met hun vriendjes hadden ingebroken, op zoek naar snoep, ijs en limonade.

'Lloyd en de andere kinderen vertrokken om te gaan basketballen en taartengooien, maar ik bleef. The search for just the right piano notes soothed me, healed me, killed my fear', vertelt Jones. 'Ik had ware liefde en voedsel voor mijn geest gevonden. Ik had de muziek gevonden. Ik had een nieuwe moeder gevonden.'

Het is niet de enige keer dat hij zijn levensverhaal onderbreekt voor tamelijk triviale psychologische duidingen. Quincy Jones toont zich een overtuigd aanhanger van de psychobabble-school waarmee Oprah Winfrey Amerika heeft veroverd. Zo is de dwangmatige vrouwenjacht, die hij in Feydeau-achtige scènes beschrijft, natuurlijk in werkelijkheid de compensatie voor het gemis van zijn moeder. En het feit dat hij louter echtgenotes uitkiest met een getroubleerde gezinsachtergrond, mag evenmin toeval heten. (Het rijtje van de vijf vrouwen bij wie hij zeven kinderen heeft, is er niet minder indrukwekkend om: het Zweedse topfotomodel Ulla Andersson, de Amerikaanse Mod Squad-ster Peggy Lipton, het Duitse filmidool Nastassja Kinski, et cetera.)

Tot het standaardverhaal van het showbusiness-leven behoren ook de bijna fatale ziekten en uitzichtloze depressies. Quincy Jones heeft zijn portie gehad: op zijn 42ste een dubbele hersenbloeding die twee levensgevaarlijke schedeloperaties noodzakelijk maakte; op zijn 53ste een totale psychische collaps die hij als gast van Marlon Brando op Tahiti ging uitzieken.

Interessanter is het relaas van zijn carrière. Jones schetst een aardig beeld van zijn bestaan als jazztrompettist en arrangeur in de vroege jaren vijftig: eerst in de band van Lionel Hampton met de collega's Clifford Brown en Art Farmer, daarna - nog steeds niet ouder dan 23 - als organisator van de Dizzy Gillespie-big band die in 1956 door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken op goodwill-tournee over de ganse aardbol werd gestuurd.

In 1959 kreeg Jones de kans zijn eigen droomband te vormen, oorspronkelijk ten behoeve van de musical Free and Easy, die in Nederland, België en Frankrijk van start zou gaan, teneinde via Londen Broadway te veroveren. De show flopte in Parijs, maar Jones kon de verleiding niet weerstaan om daarna alleen met het orkest door te gaan. Het talent was ook niet gering: Clark Terry en Benny Bailey op trompet, Quentin Jackson, Melba Liston en Jimmy Cleveland op trombone, Julius Watkins op hoorn, Phil Woods, Jerome Richardson, Budd Johnson en Sahib Shihab op saxofoon.

Tien maanden trok hij als bandleider in voortdurende geldnood kriskras door Europa. In het Finse Turku gooide hij ten slotte de handdoek in de ring. Het zou hem zeven jaar kosten om zijn schulden af te betalen, maar hij was voorgoed genezen van de gedachte dat hij de volgende Count Basie moest worden.

'Na zo'n 28 jaar als kunstenaar besloot ik over business te gaan nadenken', vertelt Jones, en dat is hij vanaf dat moment blijven doen. Hij werd vice-president van Mercury Records, scoorde zijn eerste grote hit met zangeres Lesley Gore (It's My Party), ging naar Hollywood om film- en tv-componist te worden (In Cold Blood, In the Heat of the Night, The Getaway, Ironside, Sanford and Son), en veroverde zijn grootste roem met het onovertroffen sterrenspektakel We Are The World en de Michael Jackson-miljoenensellers Thriller en Bad.

De internationale jetset was voor hem al vertrouwd terrein sinds 1957, toen hij dankzij het Franse platenechtpaar Nicole en Eddie Barclay aan de Rivièra een zomer lang verkeerde met Picasso, Grace Kelly, Onassis, Maria Callas, Brigitte Bardot, Marlene Dietrich, Yves Montand, Simone Signoret en (toen nog) senator Jack Kennedy. De mooiste anekdote is van een paar jaar later, toen Jones en Leonard Bernstein als speciale gasten van het Vaticaan een privé-bezoek aan de Sixtijnse kapel mochten brengen. Bernstein greep hem bij de nek en draaide zijn hoofd omhoog: 'Moet je kijken! Michelangelo weet niet hoe een vrouw eruitziet. Hij was net zo'n nicht als ik. Those are just guys with tits.'

Tegen het eind van het boek probeert Jones zich te verweren tegen het verwijt dat hij de jazz de rug heeft toegekeerd. Rap en hip-hop zijn de bebop van deze tijd, de logische voortzetting van Lester Young en Count Basie, luidt zijn tegenredenering. Zou hij daar zelf ten volle in geloven? Misschien wel de belangrijkste getuigenis die hij tot zijn verdediging wil aanvoeren, komt van zijn held Benny Carter, de inmiddels 94-jarige pionier van het jazz-arrangeren: 'Quincy's a guy whose success actually overshadows his talent.'

De vraag is of Quincy Jones beseft dat die uitspraak van een muzikant met een befaamd scherpe tong op twee manieren kan worden gelezen: 'Zijn succes belemmert het zicht op zijn talent', of: 'Zijn succes torent uit boven zijn talent.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden