Mus

In de stad heb je alles. Duiven, torenvalken, uilen, meeuwen, kraaien, merels, aalscholvers, reigers, meerkoeten, futen, waterhoentjes, scholeksters, leeuweriken, koolmezen, lijsters, ooievaars, raven, parkieten, kanaries, papegaaien en mensen natuurlijk....

Van heinde en verre komen die mensen – in mijn stad, Amsterdam, wonen als ik me niet vergis 123 nationaliteiten. Het kunnen er inmiddels ook 122 zijn. Die ene man uit Mongolië die we hadden, is verhuisd naar Antwerpen. Daar is hij ingetrokken bij een vrouw uit Mongolië. Samen zijn ze nu het enige Mongolische stel in de Benelux, nee, heel Europa.

We hebben nog meer kostgangers in de stad. Honden en katten, om te beginnen, maar ook konijnen, muizen en ratten. Vleermuizen, mollen en egels, wormen in soorten en maten, insecten, vlinders en libellen. As je er over nadenkt, is het werkelijk overweldigend wat er allemaal in zo’n stad leeft, rondhuppelt, krioelt, broedt en rondvliegt.

Dat brengt me bij de huismus.

Een tijd geleden lag ik met mijn vrouw in bed. De kinderen waren naar school, de hond lag in zijn mand te slapen. Buiten regende het. Het was echt een ideale dag om in bed te liggen. ‘Wanneer heb jij voor het laatst een mus gezien?’, hoorde ik mezelf ineens vragen. Waar die vraag vandaan kwam, geen idee. Hij popte zomaar in mijn hoofd op, als een bal die je onderwater houdt en dan loslaat.

‘Een mus?’, vroeg mijn vrouw terug. U moet weten: zij is een kenner van de natuur, en bovendien zo iemand die de raarste dingen in de krant leest. Ik lees dezelfde krant, en kom het soort berichten dat zij leest nooit tegen. Heel wonderlijk, maar dat terzijde.

Ik begon een verhaal over mussen. Vroeger kon je nergens op een terras zitten of je had binnen een paar minuten een mus op je tafel. Vond ik altijd heel leuk, knus bijna. Dat kleine, ronde, brutale, vrolijke vogeltje. Het hoorde erbij zoals het koekje bij de koffie. Aan een paar kruimels van dat koekje had zo’n mus trouwens ook genoeg. Met een beetje mazzel kwamen er daarna nog een paar mussen. Dat vond ik dan altijd weer minder – mussen moeten niet in groepen opereren, dan gaan ze op duiven lijken. Maar twee mussen, dat is altijd een schitterend duo. En ik heb al jaren geen mus meer gezien.

‘Tsja’, mompelde mijn vrouw, ‘volgens mij komt het omdat mensen hun tafelkleed niet meer uitkloppen.’

Ik keek haar aan.

‘Na het eten, weet je wel, dan vallen er kruimels in de tuin; daar komen die mussen op af. Wanneer heb jij voor het laatst iemand een tafelkleed zien uitslaan?’

Wij wonen in een typisch oud Amsterdams huizenblok met een binnentuin waar zeker tachtig woningen op uitkomen; tientallen tuintjes en balkons dus. En inderdaad: ik heb er nog nooit iemand een tafelkleed zien uitslaan. Een verdwenen huishoudelijke gewoonte, net als mattenkloppen, de stoep schrobben, beddegoed over de vensterbank van het geopende raam. Ook van die dingen die verdwijnen.

‘En er zijn ook te veel andere vogels’, vervolgde mijn vrouw, ‘die hebben de mus verdrongen.’

Ik dacht aan alle andere vogels en behalve de koolmees en de merel kon ik er geen opnoemen waar ik zo aan gehecht was als aan de mus. Hoe kon zo’n brutale opdonder zich nou laten verdringen? En belangrijker: wat kon ik doen om de mus weer terug te krijgen in mijn directe blikveld? Het enige dat ik kon verzinnen was een tafelkleed kopen en het om de haverklap uitkloppen. Het regent sindsdien kruimels in onze tuin. Maar de eerste mus moet zich nog melden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden